MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

Jannie van de Schootbrugge-Boonstra (1918 - 2013)

Over het bijzondere leven van mijn moeder

1918. Geboren in Gorredijk
                    
 Mijn moeder werd op 9
februari 1918 in Gorredijk geboren. Zij kreeg  de naam Jantje. Later, eenmaal weg uit Friesland, werd het Jannie. Na  haar kwamen haar zus Janke en haar broer Marten die later bij zijn vader  ging werken en nog weer later de veeverloskundige praktijk overnam. Niet lang na haar geboorte verhuisde het gezin naar Lippenhuizen. In 1926 volgde een nieuwe verhuizing, dit keer naar Appelscha. Ze kwamen terecht in een klein en tochtig huisje aan  de Opsterlandse Compagnonsvaart, direct naast de Lagere School waar mijn  moeder haar schoolloopbaan volbracht (8 jaar LS). Op haar veertiende werd ze geacht mee te verdienen om het hoofd boven water te houden. 
 
            Later vertelde ze dat ze tijdens het speelkwartier wel eens even stiekem naar huis glipte en om voor haar moeder de afwas te doen.
            
            De woning aan de vaart ken ik alleen uit de verhalen. Na een paar jaar verhuisde het gezin naar de Drentscheweg 153 in Appelscha. Tegen de rad van het prachtige bosgebied aan. En dat huis is mij zeer goed bekend. Van mijn 0de tot mijn 12de? logeerden we daar ieder jaar twee weken. Ook in dit huis was weinig comfort. Er was geen elektriciteit. De verlichting gebeurde met gloeiende gaskousjes. Riolering was er evenmin. Je behoefte deed je op een poepdoos in een hok waar het uitermate belabberd meurde (doortrekken bestond ook nog niet). De excrementen werden met enige regelmaat door een gespecialiseerd bedrijf opgehaald. En er was ook geen waterleiding. De afwas gebeurde met water uit de regenton, drinkwater mochten wij 's avonds oppompen op het erf van de naburige boer (Kobus van Buiten met zijn Antje). Desondanks, of misschien wel juist daardoor, waren de vakanties zeer avontuurlijk.

Oma Boonstra (Lipkje van Seijen) voor haar huis aan de            Drentscheweg 153A in Appelscha waar we onvergetelijke vakanties hebben gehad. Onze Frieze grootouders zagen ons maar een keer per jaar gedurende twee weken.
            
           

Opa Boonstra en zijn zoon Marten in actie bij het casteren van een hengst. Ontmannen was mannenwerk.

Opa Albert en oma Lipkje
 Mijn moeder was de oudste dochter van Albert Boonstra en Lipkje van
  Seijen.   Hij veeverloskundige annex castreur, zij een lieve, zorgzame   huisvrouw  die veel tijd en energie moest steken in het leefbaar houden van het  samenleven met haar man, mijn opa. Een bijzondere kerel, ruw en  gehard  door zijn beroep dat hij met grote inzet uitoefende. Boeren konden  altijd een beroep op hem doen. Dag en nacht. Weer of geen weer.   Zijn  faam was wijd verbreid. Als de veearts   het niet meer zag zitten was  er altijd nog Albert Boonstra in   Appelscha. Voor de arme boeren was de  redding van een koe van   levensbelang. Het gevolg was wel dat hij vaak  grote afstanden moest   afleggen, aanvankelijk zelfs op de fiets. Hij deed  het. En niet eens   voor het geld. Er stond bijna continu veel geld uit  bij zijn klanten.   Daar had hij begrip voor.
            Op bovenstaande afbeelding zien we opa aan het werk bij het castreren van een hengst. Mannenwerk, al zal de hengst er waarschijnlijk anders over gedacht hebben. Hengsten castreren was een behoorlijke klus en niet ongevaarlijk. Bij biggen was het allemaal wat simpeler. Aan verdoving deed men niet. Ome Marten helpt mee. Later nam hij de praktijk van zijn vader over.
            
Schoolreisje en tamme kraai
 
Ook in die vroege jaren was er al ruimte voor een schoolreisje. In 1930, mijn moeder was toen 12 jaar oud, ging de reis naar het Paterswoldsemeer, alwaar werd rondgevaren op een grote schuit. Jantje met de vlechten staat bij de pijl.           
            Haar hartsvriendin in die jaren was een meisje Vondeling, de zus van de later bekend geworden PvdA-politicus Anne Vondeling. Het gezin bewoonde een grote boerderij aan een van de 'wieken'.         
               In dezelfde periode had mijn moeder een tamme kraai die haar de hele dag vergezelde. Als ze op school was, wachtte de vogel haar op en dan gingen ze samen naar huis. Het dier is op een zeker moment door iemand uit de buurt vergiftigd, volgens mijn moeder omdat hij wel eens iets glinsterends wegpikte. Ze was daar ook na 80 jaar nog boos over. Ze had iets met vogels.
            
            Ooit heeft ze een poging gedaan om een reiger voor de ondergang te behoeden. Ze moet toen al ver in zeventig zijn geweest en woonde in Hilversum. Ze had in de krant gelezen dat er aan de kop van de Oude Haven een reiger was gesignaleerd. Het was een strenge winter en mijn moeder begreep onmiddellijk dat er werk aan de winkel was. De Oude Haven, een dood en onsmakelijk stukje water, was immers bevroren. Daar viel voor de eenzame reiger weinig te fourageren. Overigens was het diezelfde Oude Haven waar in mijn jeugd Sinterklaas aankwam. Verder is deze oude waterverbinding tussen Hilversum en Amsterdam aan de Hilversumse kant geëindigd in een hoger gelegen deel van het dorp. Het water ligt diep en er liggen hoge en stijle taluds langs. Dit is belangrijk om te weten omdat mijn moeder, op haar verjaardag, een woensdag, eerst 's ochtends naar de markt op het Langewenst ging om daar bij de visboer een zak met visafval te kopen. Daarmee fietste ze naar de Oude Haven waar de reiger was waargenomen. Ik heb haar later voorgehouden dat reigers in onze buurt (Zuid-Holland) een plaag aan het worden waren, maar dat maakte geen indruk. Hilversum had er maar een en die was in gevaar.
             Eenmaal bij de plaats van bestemming aangekomen stelde ze vast dat er behalve een reiger ook honderd meeuwen verzameld waren. Het was volstrekt duidelijk dat zo maar uitstrooien van het visafval vooral de meeuwen ten goede zou komen. Dit bracht mijn moeder tot een besluit dat haar bijna fataal werd. De vissenkoppen moesten direct bij de reiger worden bezorgd. En dat betekende dat ze met de zak afval langs het stijle en diepe talud naar beneden moest zien te komen. Dat ging halverwege dus mis. Ze gleed uit op de besneeuwde helling en verdween eenparig versneld in het smerige water, door de ijslaag heen. Onderweg kreeg ze de inhoud van de zak over zich heen. Ze is er opmerkelijk genoeg weer uitgeklauterd, nat, smerig en stinkend. Bezorgd is ze naar huis gefietst. Bezorgd om de reiger maar ook om de indruk die ze zou maken op de koffievisite. Die zou al gearriveerd kunnen zijn (ze was immers jarig) en ze deed de deur nooit op slot. Het laatste was een gewoonte die berustte op twee pijlers: a) dat deden ze in haar jeugd op het platteland ook nooit, en b) ze was jarenlang getrouwd met een Jan van de Schootbrugge. En die was toevallig wel bij de politie.
             
Vele jaren heeft mijn moeder de eenden  in de vijver achter de Lutherhof van voer voorzien. 's Avonds haalde ze  bij Albert Hein het broodafsnijsel op. Grote hoeveelheden. 's Winters  werd overgeschakeld op krachtvoer. Dan kookte ze pannen vol macaroni  waar ook nog allerlei additieven aan toe werden gevoegd. Op de foto valt  te zien dat ze grote aantrekkingskracht uitoefende op het gevogelte, dat er zeer gezond bij loopt.
            
            Psssst, inbreker
            Onverschrokken, zo mag je haar wel noemen. Dat bleek eens te meer toen ze, intussen ver in de tachtig en beneden slapend (makkelijk) 's nachts wakker werd en ontdekte dat er een vreemde man in haar kamer stond. Niet in het minst in paniek wist mijn moeder de insluiper (voordeur) te verjagen op de wijze waarop ze ook vreemde katten het huis uit joeg: een aantal keren streng Psssssssst roepen. De man was blijkbaar zo verbouwereerd, of had ineens zo'n respect voor het koelbloedige oude mensje, dat hij rechtsomkeer maakte en heel ontspannen het huis weer verliet. Mijn moeder vertelde dat ze hem door het raam nog heeft nagekeken. Nu zou je verwachten dat ze direct de politie zou bellen, zo niet mijn moeder. Waarschijnlijk vond ze het vervelend om op het politiebureau opschudding te veroorzaken. Ze wilde eigenlijk nooit iemand tot last zijn. Ze heeft zich omgedraaid, heeft nog een flinke tuk gemaakt, en heeft de volgende ochtend de politie in kennis gesteld. Een puur administratieve actie.

                                           
                          1932. Aan het werk in Gorredijk
            In 1932, veertien jaar oud, vond mijn  grootvader dat Jantje nu maar eens  geld moest gaan verdienen. In  Gorredijk stond hotel De Vries waar een  tante als kamermeisje werkte.  Jantje werd tweede kamermeisje   wat in de  praktijk betekende dat tante 's ochtends nog even kon blijven  liggen als ze  Jantje het bed uit had geduwd. Het etablissement bestaat nog steeds  en we zijn  er in 2007 met mijn moeder nog eens langs gegaan. Zeventig  jaar later  dus. De hotelfunctie was secundair geworden. Op de foto links mijn  moeder met  de huidige manager die zeer en blij verrast was met dit onverwachte bezoek. Ik heb mijn moeder wel naar binnen moeten duwen! Al die drukte, waar is dat nou voor nodig.
                                Ze heeft er twee jaar gewerkt. Eens in de twee weken op zondag op de fiets naar Appelscha, de andere zondag bij haar oma (van moeders kant?) in Gorredijk. Oma woonde in een huisje waar de tram op een afstand van 20 cm langs schampte.
            
            In 1934 volgde een nieuw avontuur. Mijn grootvader behoorde tot de notabelen van Appelscha en hij had ook contacten met de leiding van het sanatorium Beatrixoord, in de bossen van Appelscha. Daar werden langdurig tb-patiënten verpleegd.

                             
  1934. Op naar Apeldoorn
            Een vrouwelijke arts had aangekondigd in  Apeldoorn een herstellingsoord te beginnen. Samen met een  verpleegkundige. Het leek mijn opa een mooie plek voor mijn moeder,  intussen dus een jaar of 16. Ze werd aangenomen voor huishoudelijk werk  en verhuisde dus naar Apeldoorn.
            Intussen was mijn moeder duidelijk  geïnteresseerd geraakt in het andere geslacht. De betreffende arts kreeg  van mijn grootvader dan ook het dringende verzoek zijn dochter goed in  de gaten te houden en in ieder geval te voorkomen dat ze schoenen met  hoge hakken ging dragen. Ze weigerde pantoffels te dragen. Dat werd in brieven aan opa Boonstra gemeld. Mijn moeder trok zich hier weinig van aan en  was alleen maar blij dat ze weer wat verder van het boerenland was   afgeraakt. Ze verveelde zich daar ernstig en wilde al heel jong richting   Amsterdam. Hoe rebels ze was mag blijken uit het feit dat ze op een gegeven moment een vriendje uit Appelscha heeft laten overkomen voor een gezellig weekend. Samen in een hotel in Apeldoorn. Wel elk een eigen kamer.
            
            Het avontuur in Apeldoorn kreeg een dramatisch einde.  Op een zeker moment trof mijn moeder de verpleegkundige dood aan. Het   bleek dat ze zelfmoord had gepleegd. Waarom is nooit duidelijk geworden,   maar wel duidelijk was (veel later) dat beide vrouwen een lesbische   relatie hadden. Overigens was het woord lesbisch in die tijd volstrekt   onbekend. Er was blijkbaar iets ernstigs misgegaan in de relatie. Ook   deze tussenstop van mijn moeder hebben we in 2011 nog eens  opgezocht. Zie hiernaast.
            
            De vraag voor mijn grootvader was: wat nu? Terug naar Friesland was geen optie. Mijn moeder wilde weg van het platteland. Het toeval wilde dat een zus van haar vader, tante Sjoukje, in Hilversum woonde. Zij was getrouwd met Jacob de Boer, een aannemer en projectontwikkelaar die veel had gebouwd in wat toen nog heette Hiversum-over het spoor. Onder meer de bebouwing van de Stieltjeslaan. Door de ingestorte woningmarkt was oom Jacob failliet gegaan. Door commensalen onderdak en verzorging te bieden in hun kapitale villa aan de Ministerlaan (vlakbij het Hilversumse Stadhuis) probeerden ze wat inkomsten te genereren. Een handige meid die van aanpakken wist (en niet te veel kostte) was goed bruikbaar. En zo kon het gebeuren dat ma van de ene villa (Apeldoorn) verhuisde naar de andere (Hilversum). 

 

Geboortebericht uit de Hepkema's Courant van 26 februari 1918. Geboren op 9 februari. Geboorteplaats Gorredijk. Oudste dDochter van Albert Boonstra en Lipkje van Seijen.


Aan de zuidzijde van de Opsterlandse Compagnonsvaart stond de Openbare L.S. van Appelscha, waar Jantje naar school ging (1926-1932). Links naast de school een klein huisje dat voor de helft door mijn grootvader werd gehuurd. Het huisje werd door een gordijn in tweeën verdeeld. Later verhuisden ze naar een wat ruimer huis aan de Drentscheweg 153 in Appelscha. Het huisnummer bestaat niet meer, het huis nog wel.

Medio jaren twintig; met de schuit op schoolreisje naar het Paterswoldsemeer. Jantje bij de pijl en hierboven iets vergroot.


Ergens rond 1932. De kinderen Boonstra: v.l.n.r. Jantje, Marten en Janke.

Jantje met haar tamme kraai. De liefde voor vogels is altijd gebleven.


























Van lieverlee werd ze steeds meer een eendenvrouwtje. Generaties eenden heeft ze behoed voor honger en kou met fietstassen vol broodkruimels die ze iedere avond bij de AH ophaalde..












In 2007 waren we in Gorredijk. Het hotel waarmijn moeder, 75 jaar geleden, als veertienjarig meisje haar eerste baantje had (slavenwerk), bleek nog te bestaan. D.w.z., het gebouw staat er nog. Het deed in 2007 dienst als restaurant. Na lang tegenstribbelen durfde mijn moeder het aan met de cheffin op de foto te gaan. Ze is nogal verlegen en bescheiden.

Op de fiets naar je werk. Van Appelscha naar Gorredijk. Koffertje mee want je was twee weken van huis. Modieus! Waarschijnlijk zeer tot ongenoegen van haar vader. Maar ze was sterk en liet zich door niemand de wet voorschrijven.


1936. Hilversum komt in zicht
            Ma zal rond 1936 in Hilversum zijn gearriveerd. Hoe dat in zijn werk is gegaan weet ik niet. Waarschijnlijk met de trein en een koffer (waarin haar schoenen met hakken verstopt hebben gezeten, misschien wel de koffer die ze achter op de fiets had als ze tussen Appelscha en Gorredijk pendelde). Haar vader was moeilijk, tante Sjoukje was ook niet een van de makkelijksten. Ik heb haar als jochie nog wel eens ontmoet, mijn vader ging er wel eens langs op de fiets. Zonder mijn moeder. Tante Sjoukje was toen al lang een nors ogende oude vrouw waarvan me vooral de indrukwekkende ouderdomsvlekken en geelkoperen paraplubak bij zijn gebleven.
           
            Ma moest zorgen dat de vier commensalen goed verzorgd werden en verder de zaak schoon houden. Een van de bewoners was Ary van Nierop, een befaamde VARA-man die na de oorlog o.m. jarenlang het programma Het hangt aan de muur en het tikt presenteerde. Ma heeft wel eens verteld dat ze een keer mee mocht naar de VARA-studio om een programma bij te wonen.             
            
            Hoewel ook tante Sjoukje strenge instructies van opa Boonstra had gekregen om zijn dochter goed in de gaten te houden, werd ma steeds vaardiger in het ontvluchten van haar gevangenis. Waar ze in ieder geval ook kwam was in de Karseboom op de Groest waar op zondagmiddag gedanst kon worden. Daar heeft ze op een koninginnebal, vermoedelijk 1938, mijn vader ontmoet. En dat was gelijk raak! Ze heeft me verteld dat ze al snel uit De Karseboom zijn vetrokken en vervolgens urenlang met elkaar gesproken hebben.
            

1940, Huygenstraat 33, Hilversum
 
Ma kwam in 1938 op de proppen met Jan van de Schootbrugge, op dat moment dienstplichtig militair. Nogal schokkend. Tante Sjoukje liet haar broer Albert, mijn opa dus, overkomen wat alleen in heel bijzondere situaties denkbaar was. Er was hoog overleg nodig over ma's nieuwe vriendje waar ze helemaal kapot van was. Een katholieke jongen, ook dat nog. Opa was het er niet mee eens, maar ma was niet te stoppen. Kort daarna nam ze pa mee naar Appelscha voor een eerste kennismaking met haar familie. Want als ze iets in haar hoofd had, kreeg zelfs haar vader, met ook een tamelijk harde kop, het er met geen voorhamer meer uit.
            
            Op een bepaald moment, ik denk zo rond 1940, heeft mijn moeder haar intrek genomen in het ouderlijk huis van mijn vader, Huygenstraat 33, Hilversum. Een in mijn beleving majestueus huis, dat ooit was gebouwd voor de hoofdonderwijzer van de achterliggende Huygensschool. Hier woonde al weer een aantal jaren opa en oma Schootbrugge, de ouders van mijn vader, met hun kinderen (in volgorde van geboorte): Jan (mijn vader, 1918), Miep, Luuk, Gerard, Henny, Kees en Wil. Daar hebben Jan en Jantje zich in 1942 verloofd (8 augustus) en zijn ze in 1944 getrouwd (. Na hun trouwen gingen ze inwonen bij opa en oma Schootbrugge. In dat huis ben ik in 1945 geboren en in 1947 mijn zusje Lilian. Wij woonden in het vertrek met de erker.
                                            
            Mijn vader is na zijn demobilisatie (eind 1939) bij de politie gekomen. Aanvankelijk in Den Haag. Mijn moeder is hem zo gauw ze kon achterna gereisd. Curieus is zeker het feit dat ma in Den Haag op een zeker moment aan de slag kon in de huishouding op het adres Stalpaertstraat 47. In 1951 kregen ze in Hilversum een nieuwbouwwoning op het adres Stalpaertstraat 47. Wie het weet mag het zeggen! 
            Op het eind van de oorlog kreeg mijn vader een aanstelling bij de gemeentepolitie in Hilversum.

            
            

2011. Voor de villa aan de Ministerlaan in Hilversum waar ma rond 1936 in de huishouding ging werken bij haar tante Sjoukje (zus van vader) en ome Jacob de Boer.

Tussen tante Sjoukje en oom Jacob.

1936/37. Hilversum. Het raadhuis van Dudok ligt om de hoek. Prima plek om je nieuwste outfit te showen!



1940. Hilversum. Huijgensstraat 33. Het grote huis van opa en oma Schootbrugge. Nadat zij mijn vader had leren kennen, trok mijn moeder hier in. Ze trouwden op 12 juli 1944. In de erker werd ik geboren op 22 april 1945, mijn zusje Lilian op 19 februari 1947.



Ca. 1936. In de huishouding bij tante, maar ook 18 jaar en daar horen dromen bij.


Even de schort af.

Op zondagmiddag dansen bij De Karsenboom op de Groest in Hilversum. Daar kwam mijn vader Jan van de Schootbrugge in zicht. Op de foto het stel links.

8 Augustus 1942, Hilversum, Huijgensstraat 33, Verloofd. Ik verbaas me nog altijd over de aankleding van mijn vader.


De hongerwinter moest nog komen. Op 12 juli 1944 trouwden Jan van de Schootbrugge en Jannie Boonstra op 12 juli 1944. Foto genomen in de achtertuin van het huis aan de Huijgensstraat 33. Vijfde van links oma Schootbrugge, zesde v.l. oma Boonstra. Vierde van rechts opa Schootbrugge. Opa Boonstra was het niet eens met de keuze van zijn dochter en was thuis gebleven. Trouwens, hij kon eigenlijknooit weg want de boeren die hem nodig hadden, konden niet wachten.

Dit verhaal gaat verder met de gezamenlijke geschiedenis van mijn vader en moeder.