MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

De Tranen van Laurentius.

Al weer enige tijd geleden ben ik begonnen met een roman, met in de hoofdrol Eddie Driessen. We volgen Eddie als student geneeskunde en later als psychiater, getraind als psychoanalyticus. Een van de hoofdlijnen is de relatie met zijn vader, of beter het ontbreken daarvan. Gebeurtenissen in WO 2 leggen een onvermoede schaduw over het leven van Eddie Driessen.



1. Studeren

 Op zaterdagochtend 17 augustus 1963 kust Eddie Driessen zijn moeder vaarwel. Ze slikt. Zijn sterke moeder, ze lijkt nu toch een beetje aangeslagen. Ze kijkt hem aan.. Eddie ziet verdriet, angst. Even pakt ze zijn bovenarmen vast alsof ze moeite heeft haar enige zoon los te laten. Dan schuift hij met een 'tot over een maand, mam' naast zijn vader het bestelbusje in dat op zijn zijkant in zwierige krulletters laat weten wie de eigenaar is: Houthandel P. Driessen te Meerlo. Op weg naar zijn nieuwe woonplaats, op weg naar Utrecht, de oude bisschopsstad, op weg naar een nieuw leven, op weg naar zijn studentenkast.

Een verhuizing van beperkte omvang. Maar niet zonder betekenis. De eensgezindheid waarmee zijn ouders hebben meegedacht en meegeholpen was meer dan opmerkelijk. Even proefde Eddie een spoor van harmonie. Even was er overleg, spraken ze met elkaar zonder stemverheffing, zonder hatelijkheden. Even aandacht. Het voelde bijna als een plechtig moment. Een plechtig moment waar hij het middelpunt van was.

Er zou iets gaan veranderen thuis, dat kon niet anders. Iets wezenlijks. Voortaan zou zijn moeder om zes uur alleen aan tafel zitten. Of had Paul eindelijk beterschap beloofd en was er daarom nu vrede? Wapenstilstand?

Er waren lijstjes gemaakt en er waren speciale inkopen gedaan. Er waren afspraken gemaakt over het geld. Tweehonderd gulden in de maand, daar moest hij volgens zijn vader wel van kunnen overleven. Eddie had ingestemd onder de voorwaarde dat hij voor bijzondere uitgaven apart mocht aankloppen.

‘Waar moet ik dan aan denken?’ wilde zijn vader weten.

‘Studieboeken, een microscoop, een rok. Van die dingen.’

'Boeken en microscopen, daar kan ik nog inkomen, maar wat moet jij in godsnaam met een rok?’

‘Sorry, pap, ik bedoelde een rokkostuum. Ik ben straks lid van een studentenvereniging en dan heb je wel eens een galafeest, weet je. En die zijn in rok. Zo'n kostuum moet je huren.’

‘Maak je maar geen zorgen,’ had zijn moeder gezegd. ‘Dat komt allemaal wel goed. Eerst maar eens een beetje studeren, vind je ook niet? Wanneer kom je nu voor het eerst weer naar huis?’

‘Ik denk over een maandje.’

Zijn moeder was weer gaan rekenen en tellen.

‘Heb je nu alles voor de groentijd?’

De lijst met al dan niet zinvolle attributen, zoals een strikje in de kleuren van de faculteit, werd nog een laatste keer langsgelopen. Het stond allemaal in de Groenen Vox, de speciaal voor de groentijd uitgegeven versie van het verenigingsblad. Ook de fles cognac voor de Installatiecommissie zat in de doos waar zijn moeder groentijd op had geschreven.

Uiteindelijk waren de volgende voorwerpen ingeladen: een fiets, een fietspomp en een bandenplaksetje, een bed, een bureautje en een paar aanvullende meubelstukken. Multomappen met maagdelijke inhoud en een paar cahiers met harde kaft. Schrijfgerei. Een agenda. Een boekentas. Een bureaulampje (met een reservelampje). Verder servies en bestek voor één persoon, een koekenpannetje en een steelpannetje. Een pak lucifers. Een peper- en zoutstelletje. Een paar melkrepen van Verkade. Een hi-fi-radio van het merk Grundig, die volgens oom Lodewijk, de gulle schenker, met weinig moeite kon worden omgezet in een echt stereoapparaat. Ze hadden hem bij oom Lodewijk in het schuurtje getest met een lange draad als antenne. Na een beetje pielen kwam Radio Luxemburg op de 208 meter middengolf goed door. Dat was belangrijk. Radio Luxemburg, daar kwam de echte muziek vandaan. Dat wil zeggen, de Engelstalige uitzendingen. Ook in het busje een weekendtas met kleding, inclusief een colbertje dat mocht worden opgeofferd tijdens de groentijd. Een beschuitbus en een broodplankje. Een broodmes en een aardappelschilmesje. Een flesopener en een kurkentrekker (bijna vergeten, tip van zijn vader). Wat gereedschap, geen idee waarvoor, maar volgens zijn vader altijd handig, een nagelschaartje, een nieuwe tandenborstel natuurlijk en zo nog wat van die dingen die je nodig hebt of niet wilt missen. Zoals zijn boeken. De meeste gekregen bij verjaardagen of van Sinterklaas. Pim Pandoer (compleet), Arendsoog (niet compleet), een paar boekjes van Godfried Bomans, waaronder Erik, prisma’s over ruimtevaart, kruistochten en psychologie. Rumeiland van Vestdijk, het BlueBand-sportboek, het Boek voor Verkenners van Baden Powel, dichtbundels van Martinus Nijhoff en Paul van Ostayen. Een Voettocht naar Rome van Bertus Aafjes. Johan Fabricius met zijn Komedianten trokken voorbij. De wereld gaat aan vlijt ten onder van Max Dendermonde. De Herberg met het Hoefijzer van Den Doolaard en De Goede Moordenaar van Antoon Coolen, beide gekregen van opa Driessen. Mijn kinderen eten turf van Toon Kortooms, ook van opa gekregen. En Voetballen doe je zo van Abe Lenstra. Een doos vol en gevarieerd.

Onderweg naar Utrecht heeft hij voor het eerst sinds tijden weer eens een normaal gesprek met zijn vader. Het is nog vroeg. Zijn vader maakt een aangeslagen indruk. Tot aan Amersfoort gaat het alleen over de zaken die ze langs de weg tegenkomen. Dan zegt zijn vader, na een lange stilte:

‘Ik heb veel fouten gemaakt, Eddie. Daar schaam ik me voor. Ik word er nu voor gestraft.’ Hij zwijgt even. ‘Ik weet niet hoe lang ik die straf nog verdraag.’

Eddie schrikt. Hij heeft geen idee waar zijn vader het over heeft, maar het klinkt nogal dramatisch. Hij durft er niet naar te vragen.

‘De oorlog heeft ons voor altijd getekend, jongen. Zo’n oorlog is te groot voor een mens. Die beelden, die angsten, die herinneringen. De misverstanden, de leugens en de verdachtmakingen. Het verraad. Wie deugt? Wie niet? Je gaat er aan kapot. Je wordt van binnenuit opgevreten.’

Dus toch. De oorlog. Hij had het kunnen weten. Hij weet het. Altijd en overal die oorlog. Maar nooit uitgesproken. Altijd als een angstaanjagende mist die het bestaan verduistert en alles grauw kleurt. Voor het eerst was zijn vader nu zelf over de oorlog begonnen. Hij zou alles willen weten. Vragen. En nog meer vragen. En vooral de belangrijkste vraag: hoe was hij zo geworden? Wat was er gebeurd tussen hem en zijn moeder? Waarom was het thuis zo’n hel geworden? Maar Eddie zwijgt. Hij durft zijn mond niet open te doen. Hij durft dit moment niet te verstoren. Het is voor hem een moment van licht in een gitzwart bestaan. Hij kijkt voorzichtig opzij naar de man achter het stuur. Zijn vader. In de kracht van zijn leven. Als je alleen op zijn leeftijd afging. Maar zo ziet hij er niet uit. Dit is niet meer die grote, knappe vent die hij kent van de trouwfoto’s. Dat zijn moeder daar verliefd op was geworden kan hij zich goed voorstellen. Maar die man bestaat niet meer. Zijn vader is gebroken, op. Hij draait zijn hoofd en kijkt Eddie aan. Met een bijna onzichtbare glimlach. Gekwelde gelaatstrekken, getekend door boosheid en bier. Veel bier. Maar voor het eerst ziet Eddie daar doorheen ook een groot verdriet. Hij veracht zijn vader. Naar de hel met hem. Hoe vaak heeft hij het niet gedacht. En hij veracht hem nog steeds. Hartsgrondig. Hij heeft zijn jeugd verpest en hij heeft het leven van zijn moeder onmogelijk gemaakt. Maar voor het eerst voelt hij nu ook een spoortje medelijden.

 

Als het busje is uitgeladen en alles zo’n beetje op zijn plek staat, komt mevrouw Brouwer, de hospita, met een kopje thee. Een half uurtje later nemen ze afscheid.

‘Nou jongen,’ zegt zijn vader aarzelend, ‘dan ga ik maar. Als je hulp nodig hebt met het fatsoeneren van je kamer moet je het maar zeggen. Misschien de wanden een kwastje geven?’ Zijn vader grijnst en geeft hem een knipoog.

Eddie knikt en begrijpt waar de suggestie vandaan komt. Natuurlijk heeft zijn vader de dronkemanstekeningen gezien. Maar hij heeft er niets over gezegd.

‘Ik ga eerst zelf maar eens wat proberen, pap,’ zegt Eddie enigszins opgelucht. De kans dat zijn moeder door haar echtgenoot wordt bijgepraat over de nogal obscene wandversieringen lijkt hem gering.  Zijn vader staat op en geeft zijn zoon een hand. Eddie voelt de oneffenheden in zijn vaders handpalm. De sporen van een leven lang werken met hout.

‘Pak je kansen, jongen. Benut je talenten. Je hebt ze volop. Je bent sterk.’

Hij lacht even.

‘Ja, je bent sterk. Je hebt een slechte vader overleefd. Een heel slechte vader.’

Zijn vader zwijgt.

‘Dat mag u niet zeggen, pap.’

Eddie weet zich met de situatie geen raad. Het enige dat door zijn hoofd schiet, is de  overtuiging dat hij dit moment moet vasthouden. Hij had graag gezegd dat deze woorden voor hem veel betekenen, veel goedmaken, misschien wel alles. Maar hij krijgt het niet over zijn lippen.

‘Vanaf nu zul je het zelf moeten doen, jongen. Geniet van het leven. Dit is de mooiste tijd. Maar hou ook greep op je leven. Dat is mij niet gelukt. Over een paar jaar: dokter Driessen. Ik zal trots op je zijn, wil je dat geloven?’

Eddie voelt een brok in zijn keel.

‘Mijn God, wat zou ik dat graag nog mee willen maken. Mijn zoon, dokter.’

Eddie hoort de twijfel in de stem van zijn vader. Hij zou hem nu graag omhelsd hebben. En hij ziet hem kijken. De blik van de vader. Eddie kent die blik. Er is iets mee. Er mist iets. Bijna intuïtief proeft hij in die blik de worsteling van zijn vader.

            ‘Het gaat lukken, pap, daar kunt u zeker van zijn. U gaat het meemaken, reken maar.’

Kort daarna zwaait hij zijn vader na. Even was hij gelukkig. Nu slaat de twijfel weer toe. Hoe zou het leven, de oorlog, verder gaan in dat grote, donkere huis in het bos nu hij niet meer in de buurt is? Kon het nog erger worden?

 

***

2. Bij mevrouw Brouwer in huis

 Eddie heeft het grote en donkere ouderlijk huis in het bos verruild voor een klein en donker kamertje in een woning aan de Utrechtse Burgemeester Reigerstraat. Een bedompt hok met uitzicht op een morsig achterplaatsje waar de natuur met succes alle sporen van menselijke beschaving had uitgewist. Wat zijn kamer aan omvang te kort komt, heeft mevrouw Brouwer, de bazige en hoogst nieuwsgierige hospita, te veel. Haar forse gestalte dwingt haar tot een schommelende tred die gepaard gaat met een geforceerde ademhaling. Haar spreekstijl roept bij Eddie krachtige herinneringen op aan de zagerij van zijn vader. In vol bedrijf dan. Maar pas echt uniek is de nevel waarin zij al vroeg in de ochtend gehuld gaat. Een soort grondmist die gevoed wordt vanuit de oksels en die zich op een penetrante wijze manifesteert. Ontmoetingen met haar huurders kregen er vaak een wat afstandelijk en gejaagd karakter door. Die huurders waren bij het binnentreden van Eddie in volgorde van anciënniteit: Adriaan Zwinkels, zevendejaars medicijnen, Casper van Tilburg, vierdejaars medicijnen en Herman Blijleven, derdejaars medicijnen.

 

De doortastende hospita heeft Eddie uitgelegd dat ze alleen aan de heren verhuurt, en dan ook nog met een sterke voorkeur voor heren die geneeskunde studeren. Eventueel diergeneeskunde, maar liever niet. De dames vielen af. Die maakten volgens haar te veel troep. Ze wasten en kookten namelijk zelf. En ze kregen bezoek. Met als gevolg allerlei resten van het nuttigen van thee, koffie en goedkope wijn. En ze hadden hun maandelijkse periode wat ook het nodige gedoe opleverde.

            In het begin had ze nog wel eens een meisje in huis gehad, maar dat was haar bar slecht bevallen. Ze hadden het altijd koud. En ze wilden altijd de muren verven. Nee, de heren waren een stuk makkelijker. Die gingen in het weekend met hun vuile zooi naar huis en ze aten in de mensa of op de sociëteit. Ze waren alleen thuis om te studeren en te slapen. Dus eigenlijk alleen om te slapen. Lekker rustig. Het enige nadeel van de heren was dat ze ’s nachts soms wat luidruchtig waren. Als ze thuiskwamen van de kroeg. Daar konden ze natuurlijk niets aan doen. Ze waren dan even ontoerekeningsvatbaar, dat begreep ze ook wel, maar het stoorde wel.

Wat niet alleen stoorde maar ook nog stonk was zo’n buitenshuis genuttigde maaltijd die ze soms de volgende ochtend op de traploper terugvond. Zo’n grote plens niet- of halfverteerde nassiboemboem of hoe dat spul ook heette. Waar kwamen de laatste tijd toch al die Chinezen vandaan? Waren die lui wel te vertrouwen? Tja, dan was de lol er voor haar wel even van af. Op de stoep voor de deur was nog tot daar aan toe. 'Dan douw ik de heren een emmer sop en een stevige boender in hun handen en dan laat ik ze lekker schrobben. Daar leren ze ook nog van. Hygiëne, heel belangrijk voor een dokter.' Maar zo'n verzuurde klets op de traploper vond ze een stuk vervelender. Dat deed ze dan toch maar liever zelf. En zo’n verse jachtschotel van Restaurant Chez Marianne in het wasbakje was ook geen fraaie oplossing. Daar kunnen die zwanenhalsjes niet tegen. Die slaan dan gelijk dicht. Kun je begrijpen.

En zo ratelde mevrouw Brouwer door tegen Eddie die nog niet geleerd had hoe hij zich op een onopvallende wijze kon onttrekken aan het bedwelmende optreden van zijn hospita. Vaak sloot ze haar litanie af met het theatraal optrekken van haar schortjurk zodat de heren zelf konden zien dat het niet echt lekker ging met haar spataderen. Ze kropen omhoog. In het geval van mevrouw Brouwer was dat niet bepaald een boodschap die tot opwindende fantasieën leidde. De eerste keer dat Eddie getuige was van deze ontsluiting, probeerde hij zich eruit te redden met de opmerking dat spataderen volgens hem pas na het kandidaats werden behandeld. Als mondige patiënt nam mevrouw Brouwer met dat antwoord absoluut geen genoegen. Zoveel tijd had ze niet. Of meneer niet zelf kon bedenken hoe hoog ze tegen die tijd zaten. Ergens diep in het Speulder- en Sprielderbos, bedacht Eddie.

 

Mevrouw Brouwer had in de kamer van Eddie geen enkele moeite gedaan om de sporen van vorige bewoners uit te wissen. Het vergeelde jaren-vijftigbehang had zijn maagdelijke ongereptheid al lang geleden verloren. Het resultaat was een soort reis door de tijd vastgelegd door verschillende generaties amateurkunstenaars, meestal met weinig talent, maar als collage de moeite waard. Rechthoekig verkleurde hangplekken verraadden de langjarige aanwezigheid van affiches in verschillende formaten. Overal zag je handgeschreven teksten, sommige vrijwel onleesbaar andere meer dan duidelijk. Variërend van pikant tot pornografisch. Op de plekken waar de affiches hadden gehangen waren eenvoudige tekeningen zichtbaar geworden. Grottekeningen met een thematiek die aan duidelijkheid niets te wensen overliet en die ook verklaarde waarom de decoraties door latere bewoners achter posters verborgen waren. Grote, realistische fallussen, sommige met een olijke oogopslag of een hoofddeksel, afgewisseld met onhandige schetsen van het vrouwelijk geslachtsorgaan. Het dronkenmanswerk van aankomende artsen die nog veel moesten leren. Aan de dateringen te zien was er al heel lang niet meer behangen. Een behaarde grot van het vrouwelijke soort was al in 1951 aan het behang toevertrouwd.

Een van de muren werd ontsierd door een beschadiging die deed denken aan het gebruik van zware wapens. De stuclaag was hier over een groot oppervlak verdwenen zodat het rode metselwerk bloot lag. Volgens mevrouw Brouwer veroorzaakt door veelvuldig maar niet al te doelgericht pijltjeswerpen. Hoe vaak had ze er niet wat van gezegd. ‘Maar de heren luisteren slecht,’ had ze er bozig maar ook gelaten aan toegevoegd.       Zorgelijk oogde ook een wandcontactdoos die nog maar aan één dun draadje hing. De voor een correcte werking onmisbare tweede draad hing los. Huisoudste Adriaan Zwinkels had Eddie wat later met klem ontraden daar tegenaan te zeiken. ‘220 volt op je tampeloeres kost je in het gunstigste geval je zwellichamen.’ Uit deze zonder de minste aarzeling uitgesproken goede raad sprak het zelfvertrouwen van de ouderejaars student medicijnen.