MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

De Mollenvanger en de ring


Het verhaal "De Mollenvanger en de Ring" heb ik in opdracht van de Bibliotheek Oostland geschreven b.g.v. de week voor de alfabetisering, september 2013. Het is in die week voorgelezen door de wethouders Van Alphen en Van Egmond voor de groepen 5 en 6 van de Jozephschool in Pijnacker. Vervolgens is er een leuk boekje van gemaakt dat alle scholieren hebben ontvangen. Het verhaal gaat over een jongen die liever met zijn vader mollen vangt dan naar school gaat. Later, als hij zelf mollenvanger is geworden, kan hij op een heel belangrijk moment de naam van zijn vader niet lezen. Met een beetje geluk is er misschien nog een exemplaar te krijgen bij boekhandel Van Atten in Pijnacker.

Hieronder iets van de achtergronden van het verhaal en het verhaal zelf.

 



   


De Mollenvanger en de Ring

Mijn vader was mollenvanger. Hij was altijd buiten aan het werk. In de weilanden van de boeren. In de tuinen van de deftige mensen. Op het kerkhof. Op het voetbalveld. Overal waar gras lag konden mollen opduiken. Of beter onderduiken. En als de mollen het te bont maakten, als er niet meer gevoetbald kon worden of als de koeien de wei niet meer in wilden, dan werd mijn vader erbij gehaald. Van mollen vangen werd je niet rijk. Zeg maar gerust dat we het thuis arm hadden. Maar omdat de mollenvachtjes ook nog wat geld opleverden, konden we er net van leven.
Mijn vader was een goeie mollenvanger. Hij wist hoe je een mol in de val moest lokken. Hij zei altijd: je moet de mollen begrijpen anders kun je het wel vergeten. Dan lachen ze je uit. Van heinde en ver kwamen de boeren om te vragen of hij ze van die ondieren kon afhelpen omdat ze het grasland molden. Dan stapte mijn vader ’s ochtends heel vroeg  op de fiets en kwam hij ’s avonds laat weer thuis. Met fietstassen vol mollen. En ook de mand aan het stuur zat vol met die vreemde beestjes met hun rare graafpoten en hun spitse snuit. Eigenlijk best leuke diertjes. Maar je had er wel last van. En dan moet je toch wat doen. Als jochie probeerde ik me vaak voor te stellen hoe mollen lachen. Dat lukte maar slecht want de mollen die mijn vader meebracht, die lachten niet meer, dat kun je begrijpen.  

Ik was de oudste thuis. Na mij kwamen er nog een hele rits broertjes en zusjes. Ik kan me nog goed herinneren dat mijn vader en moeder  soms ruzie maakten als er weer een broertje of zusje op komst was.  Veel later, mijn vader was toen al een tijdje overleden en met mijn moeder had ik geen contact meer, vertelde een tante mij waarom mijn vader dan soms boos was. Niet omdat er weer een mond gevoed moest worden, mijn vader was gek op kinderen. Nee, volgens mijn tante was hij boos omdat hij mijn moeder niet vertrouwde. Hij geloofde niet dat al die kinderen ook van hem waren. En volgens mijn tante waren ze ook niet allemaal van hem. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daar wel van schrok. Als kind weet je niet beter. Je hebt een vader en een moeder en broertjes en zusjes. Pas als je ouder wordt, valt het op dat sommige broers en zussen er wel heel erg anders uitzien dan de rest. Toen ik mijn tante vroeg of mijn vader, de mollenvanger, dan wel mijn echte vader was, glimlachte ze, haalde ze haar schouders op en zweeg. Ik heb daarna nog vaak een jeugdfoto van mijzelf naast een jeugdfoto van mijn vader gelegd. Volgens mij leek ik echt op hem. En ik weet zeker dat hij heel veel van mij hield. Hij was gewoon mijn vader. Punt uit. Ik vond het wel jammer dat ik het niet meer aan hem kon vragen. Hij was nog niet zo lang geleden overleden. Nu was ik de enige mollenvanger van de familie.  

Wij woonden aan de rand van de stad in een wijkje waar het vaak onrustig was. Vooral op zaterdagavond  moest de politie soms optreden om erger te voorkomen. Dan maakten de mannen ruzie en de vrouwen deden vrolijk mee. Bijna altijd hadden ze te veel gedronken. In de zomertijd mochten wij meestal lang opblijven. Het was dan te heet in onze slaapkamertjes waar we vaak met vier of vijf kinderen moesten slapen. Wij kinderen keken dan op een afstandje angstig toe hoe er geruzied en gevochten werd. We voelden ons vaak opgelucht als eindelijk de politie op het toneel verscheen. Maar soms was de opluchting van korte duur. Dan begon iedereen tegen de politie te knokken. Wij snapten daar niets van. Toen ik ouder was, kon ik het beter begrijpen. De mensen in ons buurtje waren altijd boos. Ze waren arm en dat was de schuld van de rest van de wereld. Toen ik ouder was kon ik ook beter begrijpen dat het soms heel lang duurde voor de politie arriveerde. Die hadden geen haast om het geruzie in ons buurtje op te lossen. Het maakte toch allemaal niks uit.   Ik was trots op mijn vader. Hij was sterk en voor niemand bang. Zeker niet voor mollen. Mijn grootste wens was om hem te helpen met mollenvangen. Toen ik een jaar of zes was, mocht ik voor het eerst mee. Omdat mijn vader per mol werd betaald leverde een hulpje extra geld op. Het enige probleem was dat ik eigenlijk naar school moest. Moest, want ik vond school niet leuk. Ik vond school verschrikkelijk. Ik had de pest aan school.  

Vanaf de eerste dag dat ik op school zat, werd ik geplaagd. De kinderen wisten natuurlijk dat ik uit Het Putje kwam. Zo noemden ze onze buurt. Een achterbuurt waar nog lang iedere week de poepton werd opgehaald. Dat ik anders was hoorden ze aan mijn manier van praten en zagen ze aan mijn kleren. Ik was een buitenbeentje en dat lieten ze me op allerlei manieren weten. Ik werd uitgelachen en uitgescholden. Ze riepen dat ik stonk en luis had. Ik mocht nooit meedoen met hun spelletjes. Ik werd nooit uitgenodigd voor hun feestjes. Ik zat alleen achterin de klas. De jongen die eerst naast me zat, verhuisde op een bepaald moment naar voor in de klas. Kun je begrijpen dat ik me soms niet kon beheersen en dan een paar flinke klappen en schoppen uitdeelde. Want ik was behoorlijk sterk. Tja, en dan had ik het natuurlijk altijd gedaan. Dus de meester had ook nog eens vreselijk de pik op me.     

Mijn vader had wel in de gaten dat ik helemaal geen zin had in school. En hoewel ik eigenlijk naar school moest, mocht ik dan toch met hem mee. Mijn moeder vond alles best. Die lag ’s ochtends nog in haar nest te stinken omdat ze ’s nachts weer te lang in de kroeg had gehangen. Mijn zusje Carla moest dan voor de kleintjes zorgen. Ik kan me nog goed herinneren hoe gelukkig ik was als ik met mijn vader in alle vroegte door het weiland sjouwde. Boven het gras hing een witte neveldeken. Soms zag je van een koe alleen de kop boven de nevel uitsteken. Een soort toneelstuk was het. En dan vertelde mijn vader over zijn eigen jeugd. Dat hij eigenlijk ook de schurft had gehad aan school. Dat hij er weinig had geleerd. Op zijn veertiende was hij bij een boer gaan werken en die had hem geleerd hoe je mollen kon vangen.  Op een dag vertelde mijn vader ook iets over mijn moeder. Hij vond het erg dat er soms ruzie was in huis. Maar ik moest niet boos op mijn moeder zijn. Zij had er ook pijn van. Ik begreep het niet. Hoe vaak had ze ons niet aan ons lot overgelaten? Mijn vader stak zijn linker hand uit en wees op de trouwring om zijn ringvinger. Weet je wat het probleem is, jongen? In ons huwelijk is er maar één ring. Deze hier. Jouw moeder draagt geen ring. Niet meer.  



Zo jong als ik was voelde ik een groot verdriet bij mijn vader. Ik kon er niet tegen dat mijn vader, die grote, stoere kerel, mijn held, nu ineens zo bedroefd was. Ik pakte zijn hand en vroeg hem wat er dan was gebeurd. Heel lang zei hij niks, toen zuchtte hij diep en vertelde me het verhaal van de verloren ring.   Als je vroeger veel van elkaar hield, ging je na een tijdje plannen maken om te gaan trouwen. Maar voordat je ging trouwen, ging je eerst verloven. Dan gaf je elkaar al een ring zodat iedereen kon zien dat je niet meer vrij was. Bij het trouwen ging die ring dan van de rechter ringvinger naar de linker, of omgekeerd. Met de nodige moeite wurmde mijn vader zijn ring van zijn vinger en gaf hem aan mij. Ik bekeek hem van alle kanten. Dit was een bijzondere trouwring. Een trouwring die alleen was. Dat kon eigenlijk niet. Dat mocht eigenlijk niet. In de binnenkant van de ring stond iets geschreven. Ik kon het niet lezen. Dat is de naam van je moeder, zei mijn vader. Hier staat: Maria. Iedereen noemt haar Rie, maar ze heet dus eigenlijk Maria. Dat was nieuw voor me. Ik vond Maria mooier dan Rie.   Welke naam stond er in haar ring? Vroeg ik. Mijn naam, zei mijn vader, Jacobus. Maar je heet toch Sjaak, protesteerde ik. Zeker, zei mijn vader, maar Sjaak komt van Jacobus. Daar moest ik echt even over nadenken. Maria en Rie, dat was niet zo moeilijk, maar Jacobus en Sjaak? Het zou wel.  

Volgens mijn vader was Maria haar ring de dag na hun verloving al kwijtgeraakt. Grote paniek. Het was gebeurd tijdens het melken. Omdat ze bang was dat ze de koeien pijn zou doen deed ze haar ring af. Op dat moment werden de koeien heel onrustig. Een koe botste tegen haar op, ze viel en de ring glipte uit haar hand. Natuurlijk zijn ze gelijk gaan zoeken. Die ring kon niet ver weg zijn. Maar hoe ze ook zochten, de ring werd niet gevonden. Onbegrijpelijk. Een kleine ramp. Maria werd steeds ongelukkiger. De kleine ramp werd een grote ramp. Mijn vader probeerde haar gerust te stellen. Hij zou een nieuwe ring voor haar kopen en dan zou alles goed komen. Maar ze was bang geworden. Zoiets gebeurt niet zo maar. Dit was een voorteken. Ze zei dat ze heel veel van mijn vader hield maar dat ze bang was om met hem te trouwen. Iets probeerde dat tegen te houden. En dat iets was gevaarlijk.   Ik luisterde met open mond. Als je niet beter wist zou je denken dat het een sprookjesverhaal was. Maar dit was echt. Mijn vader en moeder zijn wel getrouwd. Mijn moeder kreeg een nieuwe ring maar die heeft ze direct weer afgedaan. Volgens mijn vader was ze nog banger voor een verkeerde ring dan voor geen ring. Nu ik dit wist moest ik maar niet al te kwaad meer op haar worden. Zij kon het ook niet helpen dat het zo gelopen was. Ik beloofde mijn vader dat ik haar voortaan wat meer zou helpen, hoe moeilijk ik dat ook vond.   Mijn vader had weinig geleerd op school, ik leerde er nog minder. Want ik kwam zelden op school. Zo nu en dan kwam er een ambtenaar aan de deur, een leerplichtambtenaar, die wilde weten waar ik uithing. Als ik ’s avonds met mijn vader thuiskwam, zwaar behangen met dode mollen, begon mijn moeder te tieren tegen mijn vader terwijl die de kleintjes aan het knuffelen was. Er was weer een ambtenaar aan de deur geweest en nu konden ze binnenkort een flinke boete verwachten. Want het was niet de eerste keer en hij kon niet blijven waarschuwen. Mijn vader reageerde nauwelijks waardoor mijn moeder nog bozer werd. Ik herinner me nog dat mijn vader een keer zei: geleerde praatjesmakers hebben we genoeg, mollenvangers, dat wordt straks een probleem. Ik betaal niks. Ik wil subsidie omdat ik een mollenvanger opleid. Daar bedoelde hij natuurlijk mij mee. En toen ging hij verder met het knuffelen van de rest van de kleintjes.   Maar als de leerplichtambtenaar was geweest, leek het mijn vader toch beter dat ik maar weer eens naar school ging. Dat deed ik dan maar. Met hangende pootjes. De meester had het intussen min of meer opgegeven om me nog wat te leren. Hij gaf me allerlei klusjes om te voorkomen dat ik me zou gaan vervelen. Dat vond ik leuk. Klusjes doen, maar vooral de blikken van mijn klasgenoten die zaten te ploeteren met schrijven, rekenen en lezen. Zij deden hun best en ik mocht leuke dingen doen. Dat was toch niet eerlijk! Ik kon lekker aan rommelen. En als het me dan toch nog te veel werd, verdween ik onder het speelkwartier en rende ik zo snel als ik kon naar mijn vader die ergens in de wind en de regen, maar wel buiten, onder de blote hemel, zijn vallen aan het controleren was. Voor de meester was ik eigenlijk een hopeloos geval.  

Kan dat zo maar, in Nederland? Niet naar school gaan? Nee, dat kan natuurlijk niet. Stel je voor dat iedereen maar een beetje naar school gaat als het zo uitkomt! Dat wordt natuurlijk een rommeltje. Dus lag er op een bepaald moment een brief in de bus. ’s Avonds, toen we allemaal op bed lagen, liet mijn moeder de brief aan mijn vader zien. Omdat we door de dunne muurtjes heen alles konden horen, was al snel duidelijk dat het om mij ging en dat het nu menens was. Als ik nu niet, zoals alle kinderen, gewoon iedere dag naar school zou gaan, zou ik uit huis worden gehaald en bij een pleeggezin worden ondergebracht. Voor zover we konden horen vond mijn moeder het nog niet zo’n slecht idee. Mijn vader zei: over mijn lijk. Dan maar naar school. En zo kon het gebeuren dat ik toch weer iedere dag naar school ging. Maar ja, ik was wel erg achterop geraakt.  

De meester heeft nog even geprobeerd me met wat bijlessen bij te spijkeren en voor sommige vakken lukte dat ook wel. Rekenen had ik snel door, maar lezen en schrijven was een probleem. Het lukte me niet om van een groepje letters een fatsoenlijk woord te maken. En van een stelletje woorden een zin maken daar ben ik nooit aan toegekomen. Op een gegeven moment heb ik het opgegeven. Dan maar niet lezen. Hoe belangrijk kan dat zijn? Boeken hadden we thuis toch niet en voor een krant was geen geld. Stripverhalen, daar was ik gek op. Vaak kon ik alleen met de plaatjes wel begrijpen hoe het verhaal ging. Donald Duck, dat ging prima. Suske en Wiske vond ik al weer wat lastiger.   De eerste schooljaren waren vreselijk, maar gek genoeg ging het daarna wat beter. Ik ontdekte dat als ik in de les maar goed oplette ik ook zonder te lezen een heel eind kwam. Alles wat ik hoorde en zag moest ik proberen te onthouden. Nalezen of nazoeken ging niet. Dus als de meester vertelde over de tijd van Karel de Grote of de kaart van Nederland liet zien, dan moest ik het direct proberen te onthouden. Aan een geschiedenisboek had ik niets. En een atlas was alleen handig om mijn geheugen te trainen. Op de kaart van Nederland kon ik zonder problemen Utrecht aanwijzen of Amsterdam. En ook de andere plaatsen die de meester had aangewezen en opgenoemd wist ik te vinden. Maar als we later de opdracht kregen om met een lijst plaatsnamen een plaats op te zoeken, dan was ik verloren. Of als we in een encyclopedie moesten opzoeken hoeveel inwoners Groningen had, dan ging bij mij het licht uit. Tegenwoordig kun je alles op internet vinden, wij moesten vroeger een encyclopedie gebruiken. Trouwens, als je niet kan lezen heb je aan internet natuurlijk ook niks. Makkelijk was het dus allemaal niet, maar omdat ik in de loop van de tijd een geweldig geheugen kreeg, kon ik me toch nog redelijk redden. De onderwijzers wisten van mijn probleem en probeerden er een beetje rekening mee te houden.  

Toen ik uiteindelijk van school kwam, ik was intussen veertien jaar, kreeg ik ontheffing van leerplicht. Ik hoefde niet meer naar school. Nu zul je misschien denken dat ik erg opgelucht en blij was, en dat was ik ook wel, maar ergens diep in mijn hoofd was er een klein stemmetje dat me zei dat ik voor de rest van mijn leven gehandicapt zou zijn. Hoe groot die handicap was, wist ik toen nog niet, maar ik kreeg zo nu en dan wel een voorgevoel als ik bijvoorbeeld naar de bioscoop wilde. Ik kon alleen naar Nederlandse films. Buitenlandse films  die ondertiteld waren, kon ik niet volgen. Maar ja, als je een leuke vriendin had die perse naar een film van Jams Bond wilde dan kwam ik er niet onderuit. Op mijn manier had ik dan toch nog wel lol. Om de stunts van James Bond en met die lieve schat die dicht tegen me aan kroop als het spannend werd. Maar waar de film over ging? Geen idee.  

Ik was veertien, ik was vrij om te doen wat ik wilde. En wat ik wilde was mollen vangen, net als mijn vader. Geld verdienen en rijk worden daar was ik helemaal niet mee bezig. Ik wilde mijn vader helpen zodat er wat meer geld verdiend werd voor mijn broertjes en zusjes. Naarmate ze ouder werden gingen ze meer geld kosten. Ik voelde me samen met mijn zusje Carla die een jaar jonger was, echt verantwoordelijk voor de kleintjes. En wat ik al helemaal wilde voorkomen was dat ze straks net zo van school zouden komen als ik. Als analfabeet. Dat woord kende ik intussen maar al te goed. Ik was analfabeet en ik probeerde uit alle macht te voorkomen dat anderen dat te weten zouden komen. Mijn vader wist het natuurlijk wel. Hij was zelf ook geen fanatieke lezer zal ik maar zeggen maar hij zat er niet zo mee. Een beetje handige jongen slaat zich er wel doorheen zei hij vaak. Je moet  een beetje in de vrije beroepen blijven dan kom je een heel eind. Als ik dan vroeg wat dat waren, vrije beroepen, dan zei hij, met een grote grijns: zoiets als mollenvanger. Iets wat je kan leren zonder dat je een ingewikkeld examen hoeft te doen. En als de mensen moeilijk doen moet je ze afbluffen. Hoe dat ging? Vader had een aantal trucs, die geheim moesten blijven. Dus die kan ik hier niet verklappen. Maar de mooiste wil ik jullie niet onthouden. Mijn vader had het langste Duitse woord uit zijn hoofd geleerd. Hij kon het uitspreken en hij kon het ook opschrijven omdat hij wist waar de letters moesten staan. Als mensen soms twijfelden aan zijn taalvaardigheid dan kwam hij met de truc van het langste Duitse woord. En dan was alle twijfel in een keer weg. Wat dat woord was? Let op en probeer het maar te onthouden. Je weet maar nooit hoe het nog eens te pas komt. Het woord is:

Rindfleischetikettierungsüberwachungsaufgabenübertragungsgesetz    

Zo’n lang woord is voor mij een soort tovenaarsspreuk. Ik heb de truc van mijn vader ook een paar keer met succes toegepast. Het werkt echt. De mensen staan stomverbaasd en dat is ook precies de bedoeling. Ik oefen zelf nog iedere dag. De laatste keer vertelde iemand me dat men in Duitsland inderdaad zoveel mogelijk alles aan elkaar schrijft. Ben ik blij dat ik niet in Duitsland woon. Maar hij vertelde erbij dat we ook in Nederland die kant opgaan. Dat lijkt me voor mensen die moeite hebben met lezen geen goeie zaak. Ik vind zelf dat woorden niet langer zouden mogen zijn dan het woord mollenvanger. Maar ik ben natuurlijk een beetje bevooroordeeld (ook een moeilijk woord).   

Ik ben nu al weer heel lang mollenvanger. Bisamratten doe ik ook. En wespennesten. Maar vooral mollen. Mijn vader is jaren geleden overleden. En met mijn moeder heb ik sinds een week weer contact. Er is iets bijzonders gebeurd. Iets dat ons, mijn broers en zussen, maar vooral mijn moeder en mij heel erg blij heeft gemaakt. Mollen zijn wonderlijke dieren. Ze woelen de bodem om en soms komt daarbij de onderste steen boven. Ik heb plekken ontdekt waar de Romeinen vroeger hebben gewoond. Door goed op te letten wat er in die molshopen zit aan bijzondere voorwerpen. Soms gebeurt er ook wel eens iets vreemds, iets angstigs. Zo had ik ooit op een kerkhof een aantal vallen geplaatst. Tot mijn grote verbazing waren ze de volgende dag bijna allemaal verdwenen. Alsof ze door iets of iemand omlaag waren getrokken.   

Maar het meest bijzondere, het bijna ongelooflijke heb ik vorige week meegemaakt. Ik loop door het weiland, de zon komt op en ineens treft een lichtstraal mijn oog. Een lichtstraal uit het weiland. Weerkaatst tegen iets glimmends. Iets zei me te gaan kijken wat daar lag te glanzen. Ik denk dat je het misschien al raadt. Inderdaad, daar lag boven op een molshoop een gouden ring. Je begrijpt dat ik direct aan het verhaal van mijn vader moest denken. Trillend pakte ik de ring op en keek wat er in geschreven stond. Maar helaas, ik kon niet lezen wat er stond. Er ging een schok door me heen. Op dit misschien wel belangrijkste moment uit mijn leven stond ik te schutteren omdat ik niet kon lezen.   

Ik voelde me ook een beetje beschaamd omdat het dier dat ik al die jaren zo meedogenloos had bejaagd me nu blijkbaar had geholpen om de trouwring van mijn moeder terug te vinden. Zachtjes bedankte ik de onbekende mol die hiervoor had gezorgd. Kinderachtig? Ik vond van niet. Ik voelde dat er magie in de lucht hing.   

Ik ben zo snel als ik kon met de ring naar huis gegaan. Toen mijn zoon in de ring de naam Jacobus oplas, voelde ik grote ontroering. Ik vertelde hem wat er was gebeurd. Ik heb al mijn broers en zussen gebeld om direct naar het verzorgingshuis te komen waar mijn oude moedertje in alle eenzaamheid woonde. Wij hadden geen contact meer met haar. Toen iedereen er was, haalde ik de ring tevoorschijn en gaf hem haar. Zij herkende hem direct en begon zachtjes te snikken. Een wonder, het is een wonder fluisterde ze. Zacht streelde ze over de ring en zei heel zacht: lieve Sjaak, vergeef me, vergeef me, vergeef me. Toen haalde ik ook de ring van mijn vader tevoorschijn en schoof beide ringen om haar vinger. Een voor een omhelsden we haar en langzaam maar zeker kreeg haar gezicht iets engelachtigs. De harde gelaatstrekken waarmee ze ons zo lang had afgestoten, trokken weg. Op haar drie-en-tachtigste was ze eindelijk onze moeder geworden.   

En je zult het niet geloven, maar ik zit op mijn zestigste op taalles. Op het moment dat het er op aankwam, was ik niet in staat om de naam van mijn vader te herkennen in de verloren ring van mijn moeder. Rijtjes woorden oefen ik nu. Kleine woordjes. Zo’n groot Duits woord lijkt heel wat maar het stelt niks voor. Ik leer nu: tol, rol, mol. En ding, zing, ring. Daar gaat het om!  

Espunt, augustus 2013