MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

Er zit kaas in de lucht

Hieronder de eerste vijf hoofdstukken van een alternatieve streekroman Er zit kaas in de lucht, met in de tragische hoofdrol een kind/man die geplaagd wordt door een afstotelijke lichaamsgeur. Wil je reageren? Graag. Let op! Mail naar: yyschootbrugge@gmail.com, maar haal eerst de yy weg (om bots te misleiden).


1. Kraambezoek

Weinig in dit wonderbaarlijke verhaal is gewoon. Neem nou het begin. Een aangename zondagmiddag in mei. Op een verhoging in het weidse en vlakke groene land staat een trotse boerderij te genieten van haar zonovergoten zondagsrust. Maar dan  klinkt er plotseling over het erf van de Freyahoeve een angstaanjagend geluid. Vluchtende kippen, schichtige kalfjes en angstige poezen die, dommig omkijkend, een veilig heenkomen zoeken. Rustverstoorder is oom Bakke, trotse berijder van een zo goed als nieuwe Ford Prefect. Naast hem tante Klumke. Oom Bakke is vanaf de Kikkerdiek in één vloeiende beweging het toegangspad naar de statige boerderij opgedraaid. Zoiets doet oom Bakke zonder gebruik te maken van het rempedaal. Terwijl hij met zijn rechterhand het stuurwiel bedient, ranselt hij met de linker de claxon.

Het vertrouwen van tante Klumke in de rijvaardigheid van haar man is groot maar niet grenzeloos. Daarom houdt ze voor alle zekerheid haar zondagse hoedje voor haar gezicht. Al is het maar om niet te hoeven zien hoe deze manoeuvre afloopt. Vijf meter voor het bankje waarop Bietje zit te zonnen, zet oom Bakke de remfase in. Een meter voor Bietje komt het bakkebeest, zoals tante Klumke het stalen monster noemt, tot stilstand. Tante’s gelaat wordt, met bezorgde uitdrukking en al, krachtig in het vilt van haar hoedje geperst.

‘Zijn we er al, Bakke?’ vraagt tante op gedempte toon. Ze komt moeilijk uit haar woorden.

‘Wat dacht je zelf?’ reageert oom Bakke lichtelijk geïrriteerd, terwijl hij zijn best doet om het voertuig met jeugdig elan te verlaten.

De begroeting van Bietje is allerhartelijkst. Haar man Kotze, een volle neef van oom Bakke, krijgt een stevige hand.

‘Kom er eens uit, Klumke,’ gebiedt oom Bakke.

Op de tast laat tante zich uit de auto en op het bankje naast Bietje zakken.

‘Goh, tante, wat een enig hoedje,’ probeert Bietje de stemming er in te houden.

‘Mag ik even?’ bast oom Bakke. ‘Ja?’

‘Maar natuurlijk,’ reageert Bietje een beetje ontdaan, geen idee wat oom Bakke bezielt.

‘Waar komt die eigenaardige kaaslucht vandaan?’

‘Ik maak kaas in het huisje van opa en oma,’ zegt Bietje. ‘Maar dat ruik je hier echt niet.’

‘Hier wordt gekaatst,’ zegt oom Bakke. ‘Hier vlakbij.’

‘Gekaasd,’ corrigeert tante Klumke voorzichtig.

‘Dat zei ik: gekaasd.’

‘Je zei gekaatst, Bakke.’

‘Ik reageer niet op pruttelende hoedjes. Trouwens, wat is er mis met kaatsen?’

Er klinkt nu een zekere dreiging in zijn stem.

‘Ik ruik niks,’ fluistert tante bijna onhoorbaar.

‘Vin je ’t gek?’ schampert oom Bakke. ‘Zit er nog wel een neus op?’

Ja, oom Bakke is een harde, ook voor zijn eigen vrouw. Hij steekt nog maar eens zijn snuffelaar in de lucht en gromt: ‘Verse kaas. Ik zal niet weten hoe verse kaas ruikt!’

Snuivend als een bronstig paard beent hij naar de keukendeur en blijft in de deuropening staan. Hij inhaleert diep via de neus en roept:

‘Ontken het maar niet. Het is hier vlakbij. Jonge, romige kaas.’

Tante Klumke probeert nog te redden wat er te redden valt.

‘Bakke?....Bakke!... Weet je nog wel waarvoor we kwamen?’

‘Ja, dat weet ik nog heel goed. Bietje heeft geworpen. Haar eerste. Maar nu eerst de kaas. Ik wil potverjanhinnekont weten waar die kaaslucht vandaan komt. Zo gek is dat toch niet?’

Oom Bakke stapt de grote eetkeuken binnen en probeert het kaasspoor te volgen.

‘Ruiken jullie dan helemaal niks?’

Bietje en Kotze verzekeren oom Bakke dat ze niets ruiken en dat ze geen idee hebben waar hij het over heeft. Bietje, Kotze en tante Klumke blijven bij de deur staan. Ze zien hoe oom Bakke behoedzaam, bijna als een hasj-hond, naar een hoek van de keuken beweegt. Daar houdt hij even in, buigt zich voorover, snuift nog eenmaal diep en tilt dan de deksel van een emmer omhoog.

‘Ik geloof waarachtig dat ik de kaasmakerij heb gevonden,’ laat hij triomfantelijk weten. ‘Hier ruik zelf maar.’ Hij houdt een emmer met vuile luiers omhoog. ‘Nou? Kaas of niet?’

Bietje ruikt voor de vorm om oom Bakke niet nog meer op stang te jagen. En ook Kotze steekt zijn neus even in de emmer.

‘Nou ja,’ zegt Kotze dan, ‘je zou het een lichte kaaslucht kunnen noemen. Ik zou eerder zeggen: de lucht van een baby die nog aan de tiet ligt. Tja, der zit een luchie an. Maar de dominee heeft wel eens gezegd: wie zonder luchie is, werpe de eerste steen in de beerput.’

Kotze grinnikt even en hoopt dat oom Bakke de humor van deze bijbelspreuk inziet. Niet dus.

‘Een luchie? Dat noem je een luchie? Die emmer meurt naar kaas en niet zo’n klein beetje ook. Waar ligt dat wurm? Hoe heet ie ook al weer?’

‘Sjoveltje,’ fluistert tante Klumke door een opening in het vilt.

‘Laat maar eens zien, die Sjovel van jullie. Nu wil ik het weten ook. Mijn god, wat een raar luchtje. Gezond is anders.’

Bietje en Kotze kijken elkaar aan. Een blik vol twijfel. Heeft oom Bakke iets opgemerkt waar ze als jonge ouders overheen hebben geroken? Omdat ze het niet hebben willen ruiken? Verdringing? Verstopping? Kotze snuffelt onwillekeurig nog eens aan de emmer en begint zich af te vragen waarom hij die vreemde lucht niet eerder heeft opgemerkt. Hij kijkt naar zijn jonge vrouw, zijn Bietje, die zo ontzettend wijs is met haar kindje. Kotze moet er niet aan denken dat er echt iets aan de hand is met het manneke. Nee, daar moet ie niet aan denken. Maar het is inderdaad een ongewoon luchtje. Oom Bakke heeft wel een beetje gelijk. Kaas. Daar lijkt het in ieder geval sterk op. Alleen Bietje ruikt niets. Nog niet. Kijk daar is ze met haar kleine man.

‘Is ie niet om op te vreten,’ zegt Bietje terwijl ze Sjoveltje in de armen van tante Klumke legt.

Tante knikt, sprakeloos van ontroering.

Haar man zegt: ‘Om op te vreten, zeg dat wel. Maar een stjonkert is het.’

Bietje kijkt terloops naar Kotze. Die kijkt strak voor zich uit.


2. Had oom Bakke toch gelijk?

 Sjoveltje is nu zeven maanden. Een levendig kereltje dat met zijn grote kijkers de wereld nieuwsgierig in zich opneemt. Sinds enige tijd heeft hij het kruipen onder de knie. En als er iets voor handen is waar hij zich aan kan optrekken, kost het hem weinig moeite om trots op zijn stevige beentjes te gaan staan. Ook Bietje en Kotze zijn trots. Met zeven maanden al staan, dan steek je goed in je vel. Als het weer het toelaat, neemt Bietje haar hummeltje mee naar de bleek, waar ze de was droogt. Met een tuigje om en aan een lang koord dat ze vastmaakt aan een paaltje dat Kotze met een paar ferme klappen van zijn houten paalhamer de grond in heeft getikt. Op de bleek kan Sjoveltje lekker ravotten met Pootje, de hond. En met de kippetjes, als ze tenminste binnen grijpafstand komen. Maar dat gebeurt niet vaak omdat kippetjes het niet zo op grijpen begrepen hebben.

Pootje wel. Die doet niets liever. Tenminste, tot voor kort. Want het is Bietje nu al een paar keer opgevallen dat hun speelse stabij de laatste tijd wat vaker op een afstand blijft. Dan zie je hem aarzelen. Hij komt kwispelend aanlopen, maar in plaats van Sjoveltje met een flinke lik te begroeten, blijft hij op een paar meter afstand staan. Alsof hij aan een onzichtbare ketting zit. Vaak wint zijn enthousiasme het dan toch en landt hij alsnog met een paar grote sprongen naast Sjoveltje. Maar Bietje heeft het gevoel dat hij zich steeds vaker omdraait en er, bijna met tegenzin, tussenuit knijpt. Met de staart tussen zijn poten. Het is maar een gevoel. Maar het knaagt wel.

Bietje moet nog vaak terugdenken aan het bezoek van oom Bakke en tante Klumpke. Het heeft haar onzeker gemaakt. Sindsdien ruikt ze altijd even aan een drukje van Sjoveltje. En als Kotze terugkomt van het melken, vergeet hij nooit om zijn Bietje even met een vragende blik aan te kijken. Dezelfde blik waarmee hij haar zo vaak heeft verleid. Dan scheurde ze zijn groene overall open zodat de knopen door de deel stuiterden. Kotze was een man van weinig woorden maar van veel knopen. En ach, wat had ze zich graag laten verleiden door die goedmoedige reus. En wat had ze de knopen er later graag weer aan gezet.

Maar die zelfde vragende blik heeft de laatste tijd een andere inhoud gekregen. Er schuilt nu zorg in. Zorg om hun kleine broekenmannetje. Bietje beantwoordt de vragende blik van Kotze steevast met een geruststellend tuiten van haar mooie, volle lippen, waarbij ze haar hoofd licht neigt. Het stelt Kotze op zijn gemak. Het is voor hem het vertrouwde teken dat alles in orde is. Het teken dat hij zijn ingehouden adem de vrije loop kan laten en dat hij onbekommerd een pijp uit het pijpenrek kan pakken om die liefdevol te vullen met een pluk Friese herenbaai van Niemeyer, zijn favoriete pijptabak. Zoals heit en pake vóór hem hadden gedaan. En ook hun heit. De oude binten van de Freya-hoeve kenden geen andere tabaksgeur.

 Maar idylles duren meestal niet eeuwig. Dus was de dag gekomen dat Bietje ontzet naar buiten was gestormd om Kotze te roepen. Ze had Pootje het land in gestuurd om hem te waarschuwen. Die had het gedrag van hun hond zonder moeite herkend en was direct naar huis gekomen. Geschrokken, want zo kende hij zijn Bietje niet. Er moest iets gebeurd zijn. Als er maar niks met ons kind is, had het door zijn hoofd geschoten. ‘Kom vlug,’ had Bietje gezegd en ze had hem mee naar binnen getrokken. Gelukkig, Sjoveltje kraaide van pret toen hij Kotze in het oog kreeg. Zo te zien was er niets aan de hand. Kotze had hem willen oppakken maar Bietje had hem meegetrokken naar het aanrecht waarop een luier lag. Opengevouwen. Met in het midden een lichtgele pasta. Stopverf, maar niet zo stevig. Kotze had weinig bijzonders gezien. Het boerenbestaan speelt zich grotendeels af tussen schijt enerzijds en stront anderzijds. Of, zoals zijn vader altijd zei: De een zegt schijt, de ander stront, maar het komt alles uit de koe z’n kont.

‘Ruik eens,’ had Bietje gefluisterd.

Kotze had zich voorover gebogen, gesnoven, nog eens gesnoven, en had toen, na een lange aarzeling, gezegd: ‘Oom Bakke had dus toch gelijk.’

Bietje had geknikt. Ze begreep dat Kotze moeite had om het woord kaas uit te spreken.

‘Wat nu, Kotze?’

‘Heeft ie iets raars gegeten?’

‘Nee, natuurlijk niet. Hij krijgt gewoon de borst. Ik probeer al een tijdje een hapje fruit naar binnen te krijgen. Maar daar moet ie niks van hebben.’

‘Heb jíj dan misschien iets raars gegeten?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Ik dacht, ….. misschien iets dat…, nou ja, dat dan in de melk komt. En dan in Sjoveltje. En dan weer uit Sjoveltje.’

Kotze was niet zo’n prater.

Bietje had opnieuw, maar nu met meer nadruk, gevraagd: ‘Wat nu Kotze?’

Kotzes blik was weggedwaald naar onbekende verten. Hij had nagedacht. Bietje had geduldig gewacht.

‘Dat jong is gezond. Zijn stront is gezond. Dus wat is het probleem?’

Bietje had zich gerealiseerd dat het geen zin had om verder aan te dringen. Kotze had zijn mening duidelijk gemaakt. Toch had ze het niet kunnen nalaten om te mompelen: ‘Ja, maar die lucht….’ Maar Kotze had zich al omgedraaid en zijn zoon uit de box getild. Strak onder het eeuwenoude, eikenhouten plafond had Sjoveltje gehangen. Veilig in de grote handen van zijn vader en geheel onwetend van de bezorgdheid bij zijn ouders, had de dreumes het daar onder de massieve, eikenhouten balken best naar zijn zin gehad. Balken die gewend waren aan de geur van pijptabak.


3. It Jabikspaad

In de grote keuken van de Freya-hoeve staat een lange eikenhouten tafel. Aan het uiteinde ervan zitten Bietje en Kotze en nuttigen de avondmaaltijd. Zo nu en dan kijkt Bietje even onder de tafel. Daar speelt Sjoveltje met een paar jonge poesjes. Die storen zich duidelijk minder aan zijn lichaamsgeur dan Pootje, de hond. De stabij ligt bijna op de drempel van de keukendeur. Dichter bij de frisse lucht kan hij als trouw lid van de roedel niet komen.

Op tafel een snijplank met een bruin brood . Ernaast een bonk roggebrood die doet denken aan een stuk vers gestoken turf. Een tonnetje voor de roomboter. Naast ham en ander beleg is er kaas in overvloed. Boter en kaas maakt Bietje zelf. Kotze heeft het gevoel dat de kaasproductie na de geboorte van Sjoveltje is gestegen. En hij vraagt zich af of het misschien, onbewust, een reactie is op de geheimzinnige afwijking van hun kleine, vrolijke mannetje dat zich van geen kwaad bewust is, laat staan dat hij gebukt gaat onder de zorgen die bij zijn ouders leven. Ach, denkt Kotze, als ze zich er beter bij voelt dan is het mij verder om het even. Hoeveel moeite is het helemaal om een extra plak kaas op brood te nemen? Hij wil zijn jonge vrouw gelukkig zien. Zo ziet hij zijn nieuwe levensopdracht na de komst van Bietje in zijn leven. Even simpel als ontzagwekkend. En Sjoveltje natuurlijk, maar dat spreekt vanzelf.

De tafel is duidelijk niet gemaakt voor twee personen. De tafel is niet alleen groot maar ook oud. Vlekken op het bovenblad getuigen van lokale brandjes en gemorst vet. Messen hebben hun sporen achtergelaten, zo hier en daar zelfs leesbaar. Ooit hadden zich, als de bel werd geluid, talrijke hongerige monden rond deze tafel verzameld. Kotze zelf kwam uit een gezin van vijf kinderen. Plus vader en moeder. En nog heel lang ook de trouwe knecht Bagge die aan één oog blind was en uitsluitend roggebrood met reuzel at. Maar Pake Flutze, de opa van Kotze, had hier ook gewoond. Met Beppe Dreuteltje, met hun tien kinderen, met twee knechten en met een meid voor dag en nacht. Van de tien kinderen waren er zeker twee van de meid geweest. En in dat verband viel de naam van oom Bakke wel eens. Die vertoonde weliswaar familietrekken, maar van welke familie daarover bestond onzekerheid. Er werd zelden over gesproken en dan nog alleen als er alcohol in het spel was. Dan viel er zo gezegd wel eens een toespeling.

Dat een grote tafel in de tijd van Beppe Dreuteltje en Pake Flutze voordelen bood, mag duidelijk zijn. Overigens was Pake Flutze lang niet de eerste bewoner van de Freya-hoeve. Vóór hem hadden zijn voorvaderen hier ook al geboerd, goed geboerd, maar vraag niet naar de inspanning. Deze vruchtbare, maar ook afgelegen, plek waar je aan de grillige loop van de stroompjes nog kon zien dat het land ooit geëtst was door eb en vloed, had veel te bieden maar gaf niets cadeau.

Waarschijnlijk hadden al die generaties aan dezelfde tafel hun eenvoudige maal gebruikt. ’s Ochtends om drie uur op om te melken, om acht uur een maaltijd, om twaalf uur de warme maaltijd, om zes uur opnieuw een broodmaaltijd en dan om acht uur naar de bedstee of naar een hokje in de stal. Ja, als deze tafel kon vertellen….

Zoals veel boerderijen in deze streek was ook de Freya-hoeve op een terp gebouwd. Zo dicht bij de zee was dat heel lang geen overbodige luxe geweest. Dat wil zeggen, toen de nieuwe zeedijk er nog niet lag. De terp was in de loop van de tijd opgegroeid tot zo’n drie meter boven het omringende land en was hoog en groot genoeg om bij hoog water ook het verzamelde vee een droog en veilig heenkomen te bieden. Met de komst van de machtige zeedijk was het gevaar van overstromingen weliswaar sterk verminderd, maar de Freya-hoeve bleef op haar hoede. Net als zijn voorvaderen was ook Kotze beschikbaar als de dijk bewaakt moest worden. De zee was immers nooit te vertrouwen, dat gevoel zat hier diep onder de pet verankerd. Daarom kon Kotze ook moeilijk begrijpen dat er boeren waren die hun terp hadden laten afgraven om de vruchtbare terpgrond te verkopen aan handelaren die er op de zandgronden in het Oosten, waar Bietje vandaan kwam, geld mee verdienden.

Wonen op een terp was ook om andere redenen de moeite waard. Het majestueuze uitzicht. De grandioze luchten. Het komen en gaan van de jaargetijden, van de vogels, en van de depressies. Het licht. De duisternis. De terp was amper drie meter hoog maar hij gaf het leven op de hoeve een bijna adellijk accent, alsof je in een burcht woonde. En met die bijna magische luchten bracht de terp, ook al was hij maar drie meter hoog, je verrassend dicht bij de hemel. Tenminste, zo ervoer Bietje dat. En Kotze waarschijnlijk ook. Maar dat was geen prater.

 

Bietje neemt Sjoveltje op schoot. Ze troost hem. Een van de jonge poesjes heeft hem een haal gegeven. Een liefdevolle knuffel is voldoende om het kleine kinderleed weg te kussen. Het ventje komt direct weer in actie. Hij grijpt naar alles wat binnen zijn handjesbereik ligt. Kopjes, borden, messen, brood, het maakt hem niet uit. Wat een druktemakertje, wat een energie. Kotze beziet het met een verstilde glimlach. Bietje met Sjoveltje. Een wonder dat hem ontroert. Hij voelt dankbaarheid.

Lang was hij alleen. Aanvankelijk woonden zijn oude vader en moeder nog in het kleine huisje naast de hoeve. Maar nadat zij kort na elkaar waren overleden, vader aan een verwaarloosde longontsteking, moeder aan het wegvallen van vader, bleef hij alleen achter. Het leven gaat zoals het gaat. Niemand die dat beter weet dan de landman. En natuurlijk houdt het ritme van alledag je wel op de been, zo is het nu ook weer niet. Opstaan bij het kraaien van de haan en moe naar bed als de kippen op stok gaan. Vroeg dus.

Maar dan komt er een tijd dat er iets gaat knagen. Op boerderijen in de buurt, waar je oude kameraden hun bedrijf hebben, staan ineens pronte meiden met forse heupen de ramen te lappen. Er hangen zo maar frisse gordijnen voor die zelfde ramen. En wat later bungelen er niet alleen reusachtige overalls aan de waslijn, maar hanger er ook poppenkleertjes tussen.

Soms, als Kotze ver weg in het land stond, keek hij trots maar ook wel een beetje weemoedig naar die prachtige hoeve daar bovenop de terp. Zijn bezit. Zijn thuis. Zijn leven. Zijn verbinding met de historie van een oud geslacht van trotse, hardwerkende boeren. En dan kwam steeds vaker de vraag bij hem op of er straks nog iemand was die hém kon opvolgen. Die de traditie zou voortzetten. Het bedrijf. De zorg voor het land. Voor de gemeenschap. Die voor hem kon zorgen als hij oud, krom en moe in het huisje naast de hoeve zijn laatste dagen zou slijten. En met die mijmeringen over een opvolger kwamen vanzelf de beelden van een vrouw. Een levensgezellin. Leven in huis. Niet langer alleen in de bedstee. Een vrouw met kop en kont. Zoals bij zijn vader en moeder. En bij Pake Flutze en Beppe Dreuteltje. Zo hoorde het. Zo had de Lieve Heer het bedoeld. Zo was het in de natuur ook.

 

‘Waar denk je aan, Kotze?’ vraagt Bietje met een tedere glimlach.

‘Aan jou.’

Kotze is een man van weinig woorden. Maar de paar woorden die hij spreekt, slaan bij Bietje steeds weer in als een granaat. Als een ingehouden klaroenstoot die haar als muziek in de oren klinkt.

Kotze bedenkt hoe bijzonder hun eerste ontmoeting was. Toen hij op een dag aan het eind van de middag thuiskwam van het land, waar hij sloten had uitgebaggerd, zat zij daar ineens. Een wildvreemde, mooie, jonge vrouw. In zijn keuken. Dat kon, want in deze streek was de deur nooit op slot. Hier kwamen geen dieven of ander gespuis. Toch was het niet helemaal vanzelfsprekend dat ze tot zijn grote keukentafel was doorgedrongen. Want als Pootje had gedaan waarvoor hij zijn dagelijkse pens kreeg, had die haar onherroepelijk van het erf gejaagd. Gek genoeg was dat niet gebeurd. Sterker nog, Pootje lag volledig ontspannen aan haar voeten toen Kotze de keuken binnenkwam. Het was hem direct duidelijk dat dit een teken was.

Bietje had zich voorgesteld, onder de indruk van die blozende reus.

‘Ik ben Bietje.’

Kotze was in de lach geschoten.

‘Waarom lach je?’

‘Grappige naam.’

‘Vind je?’

‘Jij bent vast niet uit deze streek. Zo’n naam ben ik hier nooit tegengekomen.’

‘Ik ben van het zand. Boonscha.’

‘Van de honger en de armoe.’

‘Dat was vroeger. Er is veel veranderd. Rijke stadsmensen komen er nu graag. Als ze wat ouder zijn.’

‘Die zien we hier nooit. Gelukkig maar.’

‘Wat is er tegen?’

‘Ze zijn arrogant en ze maken veel lawaai. Zo, dus jij bent van het zand. Waar ze onze terpaarde hebben uitgestrooid om de grond een beetje vruchtbaarder te maken.’

Bietje had haar handen ten hemel geheven en haar wenkbrauwen opgetrokken alsof ze zeggen wilde: kan ik er wat aan doen. Maar ze zei:

‘En mag ik nu misschien weten hoe jij heet?’

‘Kotze.’

Bietje had haar hand uitgestoken. Kotze had haar gebaar beantwoord.

‘Bietje.’

‘Kotze.’

En toen hadden ze gelachen. Samen. En in alle verwarrende opwinding waren ze vergeten elkaars handen weer los te laten. En toen ze uitgelachen waren, had Kotze gezegd:

‘Het wordt tijd dat je eens vertelt wat je hier uitspookt.’

Bietje had haar rechterbeen van onder de tafel tevoorschijn gehaald en haar ontblote voet opgetild met de woorden:

‘Zie je die enkel?’

Kotze had geknikt en vastgesteld dat die enkel er niet gezond uit zag. Sterk gezwollen. Bietje had verteld wat haar was overkomen.

‘Ik liep een stuk van It Jabikspaad. Een oude pelgrimsroute naar Santiago de Compostela.’ Ik houd erg van lopen.

De vragende blik van Kotze maakte extra uitleg nodig.

‘Vroeger vertrokken de pelgrims vanuit heel Europa richting Santiago de Compostella, de plaats in Spanje waar de apostel Jacobus begraven zou liggen. Een van de beginpunten van de route naar Santiago was Sint Jacobiparochie.’

Kotze had belangstellend geknikt.

‘Ik heb wel eens iets gehoord over die paapse poppenkast. Maar het fijne weet ik er niet van. Sint Jacobiparochie ligt hier in de buurt. Dat klopt wel.’

‘De route loopt hier langs het wad. Ik heb me verstapt. Ik kreeg steeds meer last. Ik heb een tijdje gewacht of er iemand langskwam die me kon helpen. Toen dat niet gebeurde, ben ik naar de dichtstbijzijnde boerderij gestrompeld. En dat was toevallig hier.’

Kotze had opnieuw geknikt. Het had aannemelijk geklonken.

‘Misschien moest het wel zo zijn,’ had Bietje gezegd.

‘Hoe bedoel je?’

‘Nou, dat ik hier nu zit.’

‘Voor hetzelfde geld had je nu bij de buren gezeten.’

‘Natuurlijk, dat is ook zo. Alleen dit hier, is dat niet toevallig?’

Bietje was met wat moeite opgestaan en naar het andere eind van de tafel gestrompeld, steunend op de tafelrand.

‘Kijk, dit bedoel ik,’ had ze gezegd, wijzend op een in de tafel gesneden figuur. ‘Heb ik ontdekt. Vanmiddag. Weet je wat dit is?’

‘Het lijkt me een soort schelpfiguur,’ had Kotze gezegd.

‘Dat is het ook, maar het is niet zomaar een schelp. Dit is een Jacobsschelp, dat kan niet missen. Dit is het teken van pelgrims. Op de oude tafel. Van It Jabikspaad naar de oude tafel in de Freya-hoeve. Is dat niet bijzonder?’

‘Als jij het zegt, zal het wel zo wezen. Die schelp zit er al zo lang ik me kan herinneren. De tafel zit vol met houtsnijkunst. Maar is het wel verstandig om op die voet te gaan staan? Waarom heb je er geen ijs op gedaan?’

‘Ik kon toch niet zo maar jouw huis overhoop halen?’ had Bietje een beetje verlegen geantwoord.

Kotze was naar de ijskast gelopen en had er een handvol ijsblokjes uitgehaald. Die had hij in een plastic boterhammenzakje gedaan. Het zakje had hij dichtgeknoopt en voorzichtig op de gehavende enkel gelegd.

‘Lief van je,’ had Bietje gezegd. Op dat moment had ze besloten niet meer weg te gaan.


4. Bij dokter Zwakhals

Het is druk in de wachtkamer van dokter Zwakhals als Bietje met Sjoveltje binnenkomt. Dokter Zwakhals is de enige huisarts in de uitgestrekte waddengemeente. Een aantal kleine dorpjes en nog meer losse boerderijen zijn afhankelijk van zijn zorg. Lang geleden is hij naar deze stille streek gekomen. Een streek waar de mensen weinig zeggen en hun plaats weten. Waar de gezondheid van het vee vaak voorrang krijgt boven het eigen welbevinden. Waar men probeert eerst zelf zijn problemen op te lossen. Dat ligt nu eenmaal in de aard van de boer. Als je een lange winter alleen met het vee op een terp zit, omringd door het zilte waddenwater, dan leer je dat wel. En als dat zich generaties lang herhaalt, gaat zelfredzaamheid in je donder zitten. Later werd donder vervangen door  genen. Maar de boodschap was gelijk. Zoiets wordt dan erfelijk. Als er zaken kapot gaan, of dat nou de hoeve is, een machine of het eigen lijf, ga je niet bij de pakken neerzitten of de Gouden Gids doorspitten. Het eerste wat je doet als het lijf weigert, is je afvragen wat mem vroeger in zo’n geval gedaan zou hebben. Of je pakt het beduimelde boek met de kruidenrecepten uit de kast. En als ergens het mes in moet worden gezet om de etter een uitweg te bieden, dan moet dat maar. Dat deed heit immers ook. Pas als dat allemaal niets opleverde, ging je eventueel naar dokter Zwakhals. Dokter Zwakhals was er dus niet voor de eerstelijnszorg.
  Gevolg: een wachtkamer vol verwaarloosde aandoeningen. Een tenger baasje blaft zich de longen uit zijn lijf. Hoewel zijn zakdoek niet alleen erg rood maar ook erg groot is, lukt het hem niet alle veelkleurige slijmslierten die hij niezend en proestend om zich heen verspreidt, te onderscheppen. Met enige regelmaat moet een patiënt aan de overkant van de wachtkamer naar links of naar rechts wegduiken om een treffer te voorkomen. Naast de kleine keffer zit een wachtende die zo erg de hik heeft dat hij om de vijf seconden opstuitert van de bank waarop hij zit om er met een akelige klap weer op te landen. Hij lijkt te leiden aan het syndroom van Gilles de la Tourette, maar het is gewoon de hik. Hoewel, gewoon? Als Bietje binnenkomt, biedt hij haar zijn plaats aan en hikt naar een staanplaats tegen de muur naast de deur. Vanuit de groep krijgt hij eeuwenoude adviezen hoe hij van zijn gehik af kan komen. De mensen worden het gestuiter een beetje zat. Dokter Zwakhals wordt erbij geroepen. Hij neemt de hikker mee naar de behandelkamer. Vijf minuten later komt deze weer tevoorschijn. In een vreemde houding die het lopen nogal bemoeilijkt. De linkerhand achter zijn rug, in de broek, tussen de billen.
  'Even een dagje de vinger in de poeperd houden, Flappe. Het wordt al minder, merk je wel,' roept dokter Zwakhals hem opgewekt na. Het lijkt inderdaad de goede kant op te gaan met Flappe, die nog wel een, beetje aarzelend, mompelt dat hij met de fiets is hetgeen tot grote vrolijkheid in de wachtkamer leidt.   'Wij hadden vroeger ook vaak een vinger in de pap. Zo noemden we dat thuis,” merkt een dikke man met geelgeruite uitslag op. 'We aten natuurlijk veel te haastig. Honger en weinig voedsel. De pan was vaak al leeg voordat mem hem op tafel had gezet. Daar kreeg je dus de hik van. Het was nog gezellig ook. Als we allemaal de hik hadden, begon us heit te zingen: Vinger in je gat, vinger in je gat, o wat hebben we een lol gehad. Daar deed ie een soort dansje bij.'   Een muizig mannetje met een arm in het verband knikt heftig. 'Bij ons thuis ging het net zo. Heit lol, mem boos. Die vond het maar niks. En dan zei heit: Je moet maar zo denken: beter een hand in je gat, dan een gat in je hand. Mem natuurlijk helemaal over de rooie.'Ondanks alle vreselijke medische problemen klonk er een daverend gelach in de wachtkamer van dokter Zwakhals. Beter een hand in je gat dan een gat in je hand. Dat was een goeie. Daar konden ze mee thuiskomen.


De verschijning van Sjoveltje betekent een welkome afleiding voor de wachtenden, die na het uitbundige leedvermaak met Flappe en zijn hik zonder uitzondering zijn teruggezakt in een toestand van grote somberheid. Ze hebben een bezoek aan de huisarts te lang uitgesteld en dat weten ze maar al te goed. Alleen Sjoveltje verkeert in een opperbest humeur en worstelt net zo lang totdat Bietje hem uit de buggy bevrijdt. Hij is nu ruim een jaar en kruipt alleen nog als het niet anders kan. Meneer geeft er de voorkeur aan zich lopend te verplaatsen. Hij scharrelt, als in een soort kennismakingsrondje, langs de wachtenden, van knie naar knie. Zo hier en daar krijgt hij een vriendelijk knikje. Een enkeling aait met een ruwe hand door het plukje stro dat uit zijn schedeldakje is opgeschoten. Maar er zijn er ook die hem onder de okseltjes pakken en snel naar een buurman of buurvrouw overhevelen. Alsof het vrolijke baasje een besmettelijke ziekte bij zich draagt. Het duurt niet lang of er staat iemand op om zwijgend een bovenraampje open te zetten. Bietje ziet het met lede ogen aan. De fase dat ze ontkende dat er iets met haar schat aan de hand was, heeft ze nu wel afgesloten, maar het lijkt wel of het probleem erger wordt. Zo’n raampje dat op een kier wordt gezet. Het snijdt door haar ziel. De enige die nergens last van heeft is Sjoveltje. Hij heeft ontdekt dat als ie maar bij iemand blijft staan, hij na enkele tellen wordt opgetild en elders wordt neergezet. Als dat geen leuk spelletje is. Het wordt eigenlijk steeds leuker. Een man met een onregelmatig gezicht vanwege lokale larveconcentraties is de eerste die Sjoveltje optilt en hem vervolgens met een boog naar de overkant van de wachtkamer gooit. Daar valt hij in handen van een boer die lijdt onder een uitbraak van karbonkels. Hij weet niet hoe vlug hij de kleine door moet passen. Een soort rugby. Wat een feest. Sjoveltje kraait van plezier. Bietje houdt haar hart vast. Andere wachtenden verlaten de wachtkamer om in de frisse buitenlucht betere tijden af te wachten. Dan gaat de deur van spreekkamer van dokter Zwakhals open en klinkt het bevrijdende: “Wie dan?” Alle vingers, gedeeltelijk in het verband, wijzen richting Bietje. Ze kwam als laatste binnen, maar ze begrijpt dat ze deze vingerwijzing niet moet betwisten.

Omdat het de eerste keer is dat Bietje zich bij de huisarts meldt, worden er eerst wat formaliteiten afgewerkt. Op de kaart van Kotze, die wel al in het systeem zit, worden de gegevens van Bietje en Sjoveltje bijgeschreven. Dan heft dokter Zwakhals het hoofd met de gouden bril op, kijkt Bietje vriendelijk aan en zegt:
  'Wat scheelt eraan?'

  Bietje aarzelt. Het wordt haar koud om het hart. Wat is er met haar zoontje aan de hand? Zal ze het nu horen? En dan? Wat dan? Ze zijn zo gelukkig met Sjoveltje. Hij is zo vrolijk. Hij sprankelt. Zal dat veranderen als de dokter straks zijn oordeel heeft gegeven? Het liefst zou ze Sjoveltje nu oppakken en wegrennen. Weg, en verder leven met haar twee mannen. Wat gaf het, die geur. Er waren ergere dingen. En het wende. Maar wat nou als de vreemde lucht het gevolg was van een ernstige afwijking. Een ziekte misschien? Dan waren ze nu misschien nog op tijd. Wie weet wat Sjoveltje nog te wachten stond als er nu niet werd ingegrepen? Hoe erg kon het worden? En dus zegt Bietje:
  'Wat er aan scheelt? Tja, wist ik het maar.'
  'Gaat het om jou of om de kleine?'
  'Het gaat om Sjoveltje,' fluistert Bietje met een brok in haar keel.
  'Ik heb veel gezonde peuters gezien in mijn leven,' zegt dokter Zwakhals. 'Maar zo gezond als dit kereltje? Ik kan het me niet heugen.'
  Dokter Zwakhals pakt Sjoveltje bij zijn handjes en tilt hem voorzichtig los van de vloer.
  'Hij hangt stevig,' stelt de huisarts vast. 'Prima spierspanning. Ik zal nog even naar de reflexen kijken. Maar als je het niet erg vindt, steek ik eerst een sigaar op.'
  Dokter Zwakhals loopt het lijstje met reflexen langs en knikt tevreden.
  'Wat was het probleem ook al weer?'
Bietje aarzelt en zegt dan:
  'De geur. Sjoveltje ruikt vreemd.'
  '“Je bedoelt die kaaslucht?'
  De huisarts haalt de sigaar een keer onder zijn neus langs.
  Bietje knikt, terwijl ze de rollen verband teruglegt die Sjoveltje uit een la heeft gehaald.
  'Dus die meur komt van onze Sjovel?' richt de huisarts zich quasi-vermanend tot het nietsvermoedend kereltje dat tot schrik van zijn moeder bezig is een doos met injectienaalden open te peuteren.
  'Zet hem maar eens even op de tafel, dan zullen we eens kijken uit welke hoek de wind waait.'
  De huisarts heeft zichtbaar moeite een beginnende grinnik te onderdrukken als hij merkt dat Bietje niet zit te wachten op flauwe grappen. 
  Terwijl Bietje hem in toom probeert te houden, besnuffelt dokter Zwakhals het montere manneke. Hij begint tussen de teentjes en neust geconcentreerd omhoog. Regelmatig onderbreekt de huisarts zijn onderzoek om even op adem te komen. Als hij de voorkant heeft gehad, snuffelt hij via de achterkant terug naar de voetjes. Tussen de billetjes maakt hij even een tussenstop.
  'Hier zit duidelijk een concentratiepunt,' meldt hij Bietje. Het is geen nieuws voor haar. 'Pittig luchtje voor zo’n jonkie.' De huisarts spreidt de kadetjes wat verder van elkaar. 'Ja, dit liegt er niet om. Ik zou haast zeggen, ik ga nu eerst even de hond uitlaten. Maar de wachtkamer zit vol. Dat kan natuurlijk niet.'
  'Wat denkt u, dokter? Is het erg? Kan het kwaad?'
  'Het is heel erg. Maar of het kwaad kan? Geen idee. Dit verschijnsel is volkomen nieuw voor me. Mag ik eens vragen, wat krijgt uw zoontje te eten?'
  'Hij krijgt nog steeds de borst.'
  De huisarts maakt een aantekening.
  'Welke zuivelproducten gebruikt u zelf?'
  'Vooral verse melk van ons eigen vee.'
  'Wat voor vee houden jullie?'
  'Zwart-Bont. Eerste kwaliteit. Stevig op de poten en een goeie productie.'
  Dokter Zwakhals zucht en schudt zijn hoofd.
  'Potstro, hoe is het daar mee?'
  'We zijn er gek op, dokter. Mijn man en ik.'
  'Met stroop?'
  'Natuurlijk,' zegt Bietje.
  'De rustige huisarts maakt weer een aantekening.
  '
Merkt u verder iets aan uw zoontje? Zijn er behalve de geur andere problemen? Andere dingen die u opgevallen zijn? Die afwijken van het normale?'
  'Nee, totaal niet. Hij was vanaf het begin kerngezond. Geen problemen. Een heerlijk kind. Vrolijk, levendig.'
  'Ik geloof u direct. Als ik hem zo zie, mankeert er weinig aan. Behalve die kaaslucht. Die wringt zich door alle poriën en lichaamsopeningen naar buiten.'
  Voor alle zekerheid kijkt de huisarts ook nog even met zijn dokterslampje in de mondholte van Sjoveltje. Hij kijkt en deinst terug.
  'Ja, ja. Hier walmt het ook. En niet zo’n klein beetje. Maar zo te zien geen stinksteentjes.'
  'Stinksteentjes?' vraagt Bietje ongerust.
  'Propjes op de amandelen,' zegt de huisarts. 'Kunnen geweldig meuren.'
  O
pnieuw worden er aantekeningen gemaakt. Dan zegt de huisarts:
  'Ik ben bang dat ik heel weinig voor u kan doen. Ik kan u een verwijsbriefje geven voor een internist, maar ik vrees dat die jullie weinig verder kan helpen. Als je pech hebt, raak je verzeild in een medisch circus en dan moet je maar afwachten hoe je daar weer uit komt. Dan keren ze de kleine binnenstebuiten. Misschien is het beter dat jullie eens contact opnemen met de veearts. Ja, dat lijkt me verstandiger. Maar hou me wel op de hoogte.'
  Bietje krijgt een warme hand, Sjoveltje een kneepje in de wang en dan opent dokter Zwakhals de deur van zijn spreekkamer en roept: “Wie dan?” Er komt geen reactie. De wachtkamer is leeg.

5. Bij de veearts

In tegenstelling tot dokter Zwakhals kwam veearts Dubbe Boonstra wel uit de streek. Hij was geliefd en gevreesd bij de boeren. Zijn wil was wet. Als het weer het toeliet, verplaatste hij zich op zijn Harley Davidson. Dubbe was vrijgezel, dat wil zeggen, als je de amoureuze relatie met zijn Harley buiten beschouwing liet. Het vrijgezellenbestaan was niet ongewoon in deze streek. Veel boerenzonen slaagden er maar moeilijk in een partner te vinden. Sommigen lukte het nooit. Onhandigheid met het andere geslacht, angst bijna, verlegenheid, dag en nacht bij het vee en dat alles op een onverstandige wijze afgebluft met bier en berenburger. Of inwonende ouders die huwelijkskandidaten de zenuwen op het lijf joegen. Het werkte allemaal niet mee om een serieuze relatie van de grond te tillen.

Anders dan veel van zijn klanten ging Dubbe Boonstra niet zwaar onder zijn vrijgezellenbestaan gebukt. In tegendeel. De vaste overtuiging dat hij zelf het moment kon kiezen waarop hij zijn vrijheid zou inruilen voor andere begerenswaardigheden, zoals een liefdevolle en zorgzame partner die hem hopelijk ook nog nageslacht kon bezorgen, bracht een zekere balans in zijn verder nogal uitbundige manier van leven. Hij zag er goed uit voor zijn 45 jaar, genoot als bekwaam veearts in de gemeenschap veel aanzien en had zo langzamerhand een aardig centje bij elkaar gespoten. Kortom, een attractieve partij. Veel meisjes waren in de loop van de jaren al eens bezweken voor die aantrekkingskracht. Velen waren op meer of minder opvallende wijze door hun ouders in het blikveld van de imposante veearts gemanoeuvreerd. Maar zijn belangstelling duurde meestal niet veel langer dan een avondje op de kermis of het slotfeest van de kaatscompetitie. Het had hem het imago van een losbol en een rokkenjager bezorgd. Maar het werd hem niet al te zeer aangerekend. Waren de meisjes ook niet een beetje onnozel? Iedereen wist toch zo langzamerhand wel hoe Dubbe Boonstra in elkaar stak? Bij Dubbe brandt het kruis in hellevuur, placht men in deze streek te zeggen.

Het wat afwijkende gedrag van de veearts werd door de mensen geaccepteerd, niet in de laatste plaats omdat hij een vakman was die dag en nacht klaar stond voor zijn klanten. Die bereid was om een rekening af te doen met een biertje als een boer financieel knel zat omdat een veeziekte voor miskramen had gezorgd of omdat er in een droge zomer extra voer moest worden ingekocht. Die nooit nee zei als er weer eens iets georganiseerd moest worden. Of als er een hoofdrolspeler werd gezocht voor de jaarlijkse toneelvoorstelling. Het laatste weekend van de maand was Dubbe weg. Standaard. Het was een publiek geheim dat hij dan naar Utrecht ging, de stad waar hij zijn opleiding had genoten. Veel geruchten deden de ronde, maar wat hij er precies uitspookte bleef een raadsel dat op feesten en partijen voedsel gaf aan verhitte fantasieën.

 Bietje had lang geaarzeld of ze het advies van de huisarts wel moest opvolgen. Met je zoontje naar de veearts, wees dat niet op een heel treurig probleem? Alsof je kind de varkenspest had. Of mond-en-klauwzeer. Kotze had de knoop doorgehakt. Hij zou mee gaan. Dubbe Boonstra was een goede bekende van hem. Ze konden allicht eens horen wat Dubbe te melden had. En het was ook weer niet zo bijzonder. Er waren nu eenmaal ziektes die van dier op mens konden overspringen. En daar had een veearts wel degelijk verstand van. Het gebeurde wel vaker dat de huisarts en de veearts samenwerkten om een probleem op te lossen. Parasieten, mijten en wormen waren bekende boosdoeners. Schimmels niet te vergeten. Allerlei bacteriën. Een hele optocht van griezels die voor het merendeel onzichtbaar waren voor het blote oog. Dokter Zwakhals waarschuwde zijn kudde altijd voor deze zoönoses, zoals hij de dier-mensziektes noemde.

 Als Dubbe Bietje en Kotze, met Sjoveltje op zijn nek, ziet aankomen, legt hij het poetskatoen neer. Hij heeft de Harley maar weer eens een stevige beurt gegeven. Hij rijdt nu eenmaal graag op een glanzende machine. En hij weet dat ook zijn klanten het glinsterende chroom van zijn Electra-Glide waarderen. Wie op het land bezig is, kan aan het opspattende zonlicht vaak op grote afstand al zien dat Dubbe Boonstra onderweg is. Dubbe bewoont de voormalige domineeswoning. Statig, stevig en centraal gelegen. Het enige echte minpuntje is de nabijheid van de kerk. ’s Zondags de Harley starten wordt door sommige gelovigen als een provocatie opgevat.

De begroeting is allerhartelijkst. Dubbe en Kotze kennen elkaar al zo lang. Bietje is nieuw. Sjoveltje nog nieuwer.

‘Zo, Kotze, als ik dat geweten had.’

‘Wat geweten had?’

‘Dat er zulke mooie vrouwen bestaan.’

‘Wat dan?’

‘Nou…, eh, dan had die kleine man nu misschien wel op mijn schouders gezeten. Als je begrijpt wat ik bedoel.’

Bietje bloost en pakt onwillekeurig Kotzes hand. Dubbe lacht breeduit en zegt: ‘We kunnen wel buiten zitten, toch? Met zulk weer. Pak een stoel. Kan ik jullie ergens een plezier mee doen? Iets drinken?’

‘Doe mij maar melk,’ zegt Bietje enigszins bedeesd.

‘Mij ook maar,’ zegt Kotze.

‘En de kleine man?’

‘Die hoeft niks,’ zegt Bietje.

‘Als ik dat maar kan onthouden,’ grinnikt Dubbe terwijl hij hoofdschuddend naar binnen loopt.


Dubbe komt terug met twee melk en een bier en zegt: ‘Terzake. Er is iets met de kleine, niet?. En Ernst heeft jullie naar mij gestuurd. Wat een vertrouwen.’

Kotze legt Bietje uit dat met Ernst dokter Zwakhals wordt bedoeld. Hij zet de zaken voor Dubbe nog eens op een rijtje. Bietje vult aan waar nodig. Intussen heeft Sjoveltje de glimmende motorfiets in de gaten gekregen. Hij is niet meer te houden. Dubbe pakt hem op van Bietjes schoot om hem op het grote lederen motorzadel te zetten. Maar hij zet hem ook direct weer neer.

‘Sorry hoor, ik zeg het maar zoals het is, maar wat een lucht hangt er om dat joch.”

Bietje voelt hoe zich vanuit haar nek een krampgolf door haar lijf voortplant. Dan pakt Kotze het manneke op en zet hem alsnog op de machtige machine.

‘Kijk nou,’ zegt Dubbe. ‘Is dat niet bijzonder? Sjoveltje op het eerste type Harley dat met een ‘Shovelhead motor’ is uitgerust. Ik verzin het niet.’

Het kereltje geniet volop en Bietje ontspant. Maar ze vraagt zich in stilte af hoe lang ze dit nog volhoudt, het heen-en-weer geslingerd worden  tussen vrees en hoop, tussen haar angst voor de vreemde afwijking van Sjoveltje en het geluk dat ze beleeft aan dit heerlijke kind. Die grote onrust in haar hoofd, in haar leven. Het put haar uit. Ze kijkt terloops naar de veearts die een forse hap van zijn bier neemt. Zou hij uitkomst kunnen brengen?

 Als Kotze een tegenstribbelende Sjoveltje, met enige moeite, weer van de motorfiets heeft getild, zegt Dubbe:

‘Ik heb het geroken. Ik begrijp nu dat er echt een probleem is. Er zijn, denk ik, twee mogelijkheden.’

Dubbe neemt een nieuwe hap van zijn bier en plaatst de bierpul met kracht terug op de tafel.

‘Even algemeen. Waarom vinden wij bepaalde geuren onaangenaam? Hebben jullie daar wel eens over nagedacht?’

‘Als er iets ligt te rotten?’ oppert Bietje.

‘Ja, maar dat vroeg ik niet. Ik vroeg niet wanneer iets stinkt, maar waarom? Waarom vinden wij de ene geur plezieriger dan de andere?’

‘’t Zal wel ergens goed voor zijn,’ meent Kotze, die nu eenmaal een man van weinig woorden is.

‘Kijk, dat is mannentaal. Als we iets ruiken dat ons tegenstaat, dan betekent dat meestal: foute boel. Afblijven. Uit de buurt blijven. Niet opeten. Niet drinken. Niet aanraken. Ja? En dan komt natuurlijk de volgende vraag: waar komt die stank dan vandaan? En dan kom ik bij Bietje. Inderdaad: verrotting levert luchtjes op die we smerig vinden. Rotte vis, een rottend lijk, bedorven erwtensoep, vlees dat over de datum is. Die bederflucht zegt ons: gevaar. Bederf en rot betekenen dat bacteriën of schimmels bezig zijn eiwitten en andere stofjes af te breken. In eiwitten zit zwavel en stikstof. Vluchtige verbindingen van zwavel en stikstof komen vrij als eiwitten worden afgebroken. En die verbindingen bezorgen ons vaak een zeer onaangename geur. Denk maar aan de lucht van rotte eieren. Wij vinden die geuren onaangenaam omdat wij ze associëren met rottende stoffen waar we ziek van kunnen worden. Een mestkever, of een aasvlieg, of een paling zullen vast een heel andere ervaring hebben. Die lijkenpikkers worden opgewonden van de stank van ontbinding. Voor hun is het een signaal van: het eten staat klaar. Duidelijk?’

‘Juist,’ merkt Kotze op, ‘maar nu de kaas van Sjoveltje.’


Dubbe schuift de bierpul van zijn rechter naar zijn linker hand en zegt:

‘Ik zie twee mogelijkheden. Kaaslucht kan veroorzaakt worden door bacteriën en schimmels die gek zijn op oude huid of malse nagels. Denk maar aan de lucht van tenenkaas. Dat komt natuurlijk veel voor.’

‘Maar zo jong al? Dat jong heeft nog maar net tenen,’ werpt Kotze tegen.

‘Klopt,’ zegt Dubbe. ‘Het lijkt mij ook niet zo logisch.’

‘Ontlasting die naar kaas meurt. Kan dat ook?’ wil Kotze weten.

‘Je begint er zelf over. Dat is mijn tweede mogelijkheid. Dat er iets mis is met de wijze waarop de kleine zijn eten verwerkt. Wat krijgt ie zoal op zijn bordje?’

‘Hij krijgt niks op zijn bordje,’ zegt Bietje. ‘Hij krijgt de borst.’

Met een joviale onbeschaamdheid laat Dubbe zijn blik even rusten op Bietjes volle vormen die opwindende vruchtbaarheid verraden. Wat een rijkdom.

‘Juist ja. Heel goed. Niets beter dan moedermelk. Maar dan moet de vertering natuurlijk wel kloppen.’

‘Wat kan er vanbinnen misgaan met melk?’ wil Kotze weten.

‘Als de melk niet goed wordt afgebroken, kunnen er ongelukken gebeuren. Dat is algemeen bekend.’

‘Ja, maar wat dan?’ dringt Kotze aan.

‘Dat weet jij net zo goed als ik. Van de kalveren weten we dat de melk gaat rotten als die per ongeluk in de pens terechtkomt in plaats van in de lebmaag. Bij pensdrinkers gaat het mis.’

Kotze knikt. Pensdrinkers geven een hoop ellende. Bietje kan zich niet langer inhouden en roept:

‘Waar gaat dit over?’

Ze is opgestaan. Haar stem trilt.

‘Kotze, ik word hier misselijk van. God, wat ben ik blij dat Sjoveltje nog zo klein is. Dat ie nog geen benul heeft van dit geraaskal!’

‘Geraaskal? Geraaskal? We proberen te begrijpen wat er met het jong aan de hand is,’ reageert de veearts geprikkeld.

‘Dat jong heeft geen pens en al helemaal geen lebmaag. Dit gaat helemaal nergens over. Ik wil naar huis. Nu!’

Beide mannen kijken elkaar aan en begrijpen dat ze Bietje hebben gekwetst door zo respectloos over rottende melk bij kalveren te beginnen.

 Terwijl Bietje, met Sjoveltje op de arm, zich uit de voeten maakt en Kotze het tuinhek achter zich dicht trekt, roept Dubbe nog:

‘Ik ga dit weekend naar Utrecht. Ik zal eens kijken of ik daar iets te weten kan komen.’