MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0213

Columns voor Nootdorp Nu, 2013

                         Nootdorp Nu is een huis-aan-huisblad in Nootdorp dat iedere maand verschijnt. In 2010 kreeg ik het verzoek om iedere maand een column te schrijven. Ik doe dat uit hoofde van mijn functie als voorzitter van de stichting Kringloopwinkel De Wisselbeker. De kringloopwinkel is een inspiratiebron maar ik neem alle vrijheid om over alles te schrijven dat mij bezighoudt en dat hopelijk ook voor de ontvanger van het blad de moeite waard is. Hierna de columns die in 2013 zijn verschenen.


Utopia

Onlangs hoorde ik John de Mol reclame maken voor zijn nieuwe, revolutionaire programma Utopia. Het moet de redding worden voor het zieltogende SBS 6. Mijn aandacht werd getrokken omdat ik geïnteresseerd ben in het verschijnsel Utopia, omdat het zich gaat afspelen in de buurt van Crailoo waar ik mijn jeugd heb doorgebracht (op de hei tussen Hilversum en Bussum) en tenslotte omdat het een soort van verheven Big Brother moet worden.

Om met het laatste te beginnen: Big Brother, het concept en het succes, zijn in mijn ogen het bewijs dat we de ondergang van de Westerse beschaving nu dicht zijn genaderd. Erger nog, toen we eindelijk bij de buren naar binnen mocht gluren, werd de technologie ontwikkeld en uitgerold om bij ons naar binnen te gluren. Terwijl de massa zich vergaapte aan het totale niets, werd ze zelf in de gaten gehouden door het totale alles. George Orwell had het goed gezien in 1948: Big Brother bestaat.

Over Crailoo kan ik kort zijn. Voor ons jochies een magische plek. Het openluchtbad waar we op afstand en soms van nabij verliefd waren. De hei waar we de hulzen van de losse flodders zochten waarmee ons leger oefende. Het vuilnisoverslagstation, zeg maar een vuilnisbelt, waar we onze voorraad lege sigarettendoosjes aanvulden. Daar kaartten we in de schoolpauze mee.

Crailoo dus, daar moet het Utopia van John de Mol komen. Daar moet uit niets een soort van gemeenschapje ontstaan. Een heilstaatje, geïnspireerd door het idee van de Engelse humanist Thomas More die in 1516 het ideale leven op het eiland Utopia beschreef.

Helaas heeft het idee van een heilstaat ons alleen maar ellende gebracht. Gevreesd moet worden dat het ook in Crailoo geen feest wordt. Hoe het met het socialistische experiment van de nazi’s is afgelopen, weten we.  Een ander socialistisch experiment, dat van de communisten heeft waarschijnlijk nog meer onheil aangericht. Tel Stalin, Moa en Pol Pot maar eens op. Christenen hadden hun eigen idee van een heilstaat, maar niet hier en nu. Adam en vooral Eva hadden het aards paradijs veranderd in een aards tranendal. Hoogmoed bracht ze voor de val.

Hoogmoed, domheid, wat is het verschil? Europia-Eutopia, wat is het verschil? Maar steeds stinken we er weer in. Heus, geloof me maar, utopische ideeën hebben altijd alleen maar onheil gebracht. Weet u het nog in de jaren negentig, de Nieuwe Economie, die alleen nog maar kon groeien? Door de chip en de informatica. Niet dus. En nu gaat internet het doen. Maurice de Hond weet het zeker. Trap er niet in. Geloof de goeroes en de bureaucraten niet. Het leven gaat met vallen en opstaan. Zorg altijd dat er tegenkracht is: checks and balances. Anders gaat het vroeg of laat fout. Want de mens is maar een klein stukje ratio en een groot stuk drift en emotie. In staat tot het allerbeste, maar net zo makkelijk tot het allerslechtste. Met een zekere voorkeur voor het laatste.

December 2013


Wat doen we met de Berini van oom Gijs?

Al weer enige tijd geleden heb ik hier het Repair Café aan de orde gesteld. Een nieuw en snel populair wordend initiatief dat evenals de kringloopwinkel beoogt om de levensduur van artikelen te verlengen en zo de afvalstroom te beperken. Aanvankelijk kwam er weinig reactie maar achter de schermen bleek er toch het nodige te gebeuren. Onlangs is in kerkelijk centrum Nové de eerste reparatiebijeenkomst gehouden. Wij hebben contact gehad met de organisatoren en we gaan samenwerken. Ook bij de kringloopwinkel wordt vaak iets aangeleverd dat reparatie behoeft.

Repareren klinkt wat sneu. Heel erg jaren vijftig. Net als onderhoud. Bedrijven zitten niet te wachten op levensduurverlenging ook al zullen ze dat niet hardop zeggen. Ze hebben verschillende manieren om ons aan het kopen te houden. Sommige producten zijn zo uitgekiend dat ze tot het moment dat ze ermee ophouden perfect functioneren. En dan rest slechts de vuilnisbak omdat reparatie onmogelijk is of veel te duur. Andere producten worden afgedankt omdat ze uit de mode raken of omdat er een nieuwe versie op de markt komt die nog meer kan. De kunst is dan ook om producten een modisch karakter te geven. Dat lukt heel aardig. Ieder jaar nieuwe ballen in de boom, dat werk.

Naar aanleiding van de komst van het Repair Café zat ik met een buurtgenoot te filosoferen over het fenomeen reparatie. Hij is nogal een techneut en zou absoluut een nuttige bijdrage kunnen leveren. We hadden het over mijn vader die er niet voor terugdeinsde een strijkbout open te schroeven om het verwarmingselement te vernieuwen. Ik zie nog de sandwich met micaplaatjes voor me. Dat kun je volgens mijn buurtgenoot tegenwoordig wel vergeten. Zo’n bout wordt in elkaar geperst en kan niet meer gedemonteerd worden. Een bekend fenomeen. Het is om verschillende redenen vaak beter om een product zoveel mogelijk als een geheel te fabriceren. Zo min mogelijk montage van losse onderdelen. Gieten in plaats van lassen en schroeven. En in de elektronica opdampen in plaats van solderen. Heel efficiënt, goedkoop, maar repareren ho maar. En er komt een nieuwe techniek aan die repareren praktisch onmogelijk maakt: producten die in hun geheel uit een printer komen: 3D-printing.  Het zou goed zijn als we bij de ontwikkeling van dit soort technieken en bij het ontwerpen van nieuwe producten tegelijk ook nadenken over zaken als onderhoud, reparatie en recycling van hoogwaardige grondstoffen.

Maar voorlopig blijft er nog genoeg te repareren over zoals al die oudere voorwerpen die misschien hun gebruikswaarde hebben verloren maar die we wel graag, liefst functionerend en in oude glorie in leven willen houden. Oude boeken, fototoestellen, uurwerken, toverlantaarns, schilderijen, draaitafels, kunstnijverheidsproducten van hout, glas, leer, rubber, etc. Vervangen, lijmen, olieën, schoonmaken, inzetten, uitrichten, ontroesten. Wie weet het nog, waar zijn de handleidingen, waar de procedés?

Heel benieuwd wat er bij het Repair Café wordt binnengebracht. En ook het advies dat reparatie niet zinvol meer is lijkt me heel waardevol.

November 2013


Een andere kijk op de zaak

De kringloop blijft een dankbaar thema. Ik liep er de afgelopen tijd weer op allerlei manieren tegenaan. Laat ik maar eens beginnen met mijn paddenstoelen. Het is immers weer de tijd van de boleten en de bovisten. Je ziet wel dat ik een kenner ben. Een beetje. Dat is begonnen in de tijd dat de kinderen nog klein waren. Wandelen in het bos leek me leuker als er iets te ontdekken viel, zoals paddenstoelen. Op de houtschilvers achter ons hutje dit jaar een explosie van het gestreepte nestzwammetje. Compleet met eitjes die er door een regendruppel uitgeslingerd worden. De grote dennenvoetzwam was er weer, het subtiele takruitertje, en ook de stinkende franjezwam.

Paddenstoelen zijn schimmels, of eigenlijk de bovengrondse sporenmachines van de ondergronds levende schimmel. Schimmels spelen een grote rol in de kringloop van de natuur. Het zijn de meesterafbrekers. Pas als de schimmels hun werk hebben gedaan kunnen bacteriën de klus afmaken. De meeste paddenstoelen  leven maar een paar dagen. Neem de mooie inktzwam. Na een paar dagen tot ‘inkt’ vergaan. En soms zijn er paddenstoelen die een handje helpen. Zo kwam ik een grofplaatrussula tegen die door een wittepoederzwamgast werd opgegeten.

Kringlopen in het klein en in het groot. Een hele grote speelde door mijn hoofd toen ik een paar dagen geleden de buis van mijn eerste sterrenkijker naar het oud-vuil bracht. Een verrassing van mijn vader die er bij een amateurastronoom tegenaan was gelopen. Eind jaren vijftig. Klein maar toch bijna niet te tillen. Heel dik messing. Het oculair ontbrak zodat het instrument niet direct bruikbaar was. Desalniettemin een enorme kick: een echte telescoop. Voor een zogenaamd Huygensoculair moesten we naar Amsterdam. Toen de optiek compleet was bleek dat er ook een zeer stevig statief nodig was om het geheel te kunnen gebruiken. Dat is er nooit gekomen zodat de kijker vooral een kijkobject bleef. Toch heb ik de kijker, die zijn gewicht in messing waard was, een halve eeuw met me meegedragen als een droom die ooit zou uitkomen. Hij is nu terug richting smeltoven voor een nieuwe kringloop. Een kleine kringloop, onderdeel van de grote kosmische kringloop. Want wij, en ook mijn kijker, zijn niets anders dan sterrenstof in een nieuwe gedaante. Samen met onze zon en de planeten ontstaan uit het stof van een oeroude ster die op het eind van zijn leven ontplofte. En zo zal ook onze zon zich over vijf miljard jaar opblazen waarna het allemaal opnieuw, maar nooit helemaal hetzelfde, begint. Dat dacht ik toen ik de kijker met veel moeite over de rand van de container kieperde.

Oktober 2013


De wereld een kermis

Is er een verband tussen de kringloopwinkel en de kermis? Deze vraag was waarschijnlijk nooit bij me opgekomen als ik niet bij de inventaris van dit mooie tijdschrift had gehoord. Hoe dan ook, ik kwam op de woorden ijdelheid en illusie. De kermis is de vleesgeworden illusie. Het flinterdunne laagje glamour, edelkitsch, held voor twee uur, koningin van de nacht, de mierzoete suikerspin, met één bravourehand aan het stuur van het botsautootje en de trefzekere sniper met de windbuks. De roes van harde muziek en felle kleuren. Zinsbegoocheling. Buitenkant. Vlucht. Laat je gaan en je voelt het, je bent het. Voor even. Opwinding, spanning, prijzen vol gebakken lucht. De kaneelstok zo groot als een bezaansmast. Illusie en ijdelheid. In 1848 verscheen de roman Vanity Fair van William Makepeace Thackeray. In vertaling: De kermis der IJdelheid. Een groot succes, verschillende keren verfilmd. Gebaseerd op een nog groter succes uit 1675: Eens Christens Reize naar de Eeuwigheid. Op de kermis van de stad IJdelheid wordt Getrouwe, de reisgezel van Christen, gearresteerd en ter dood gebracht.

In mijn geboorteplaats Hilversum was er ieder jaar kermis op en rond Koninginnedag. Dat er op zo'n bijzondere dag bijzondere dingen gebeurden, leek me volstrekt logisch. En wat was er meer bijzonder dan de kermis. Ik heb dan ook heel lang in de overtuiging geleefd dat er op 30 april in iedere dorp en stad van het land een kermis was. Ik heb me nooit afgevraagd hoeveel kermisgasten daarvoor nodig waren en wat al die gasten de rest van het jaar uitspookten. Ik was meer bezig met de vraag hoe het Jimmy verging. Jimmy, een reusachtige, donkere reus, verdiende een centje bij in de tent waar je tegen de beer kon vechten. Jimmy was zoveel sterker dan de beer dat deze naar verluid al op zijn rug ging liggen als hij Jimmy de ring in zag stappen. Tot het de eigenaar te gortig werd en Jimmy van verdere deelname werd uitgesloten.

Pas veel later leerde ik dat de datum van de Hilversumse kermis weinig voorstelde. Een kermis hoort bij een kerk en zijn beschermheilige. Volgorde: kerkemis, processie en dan jaarmarkt. Jaarmarkt werd kermis. Dat hebben ze in Laren beter begrepen. De befaamde Larense kermis valt samen met de feestdag van Sint Jan op 24 juni. Mis in de Sint Jansbasiliek, grote processie en dan de bloemetjes buiten zetten.

Illusie en ijdelheid, de kringloopwinkel leeft ervan. De economie kan niet zonder. De mens is een “puppet on a string”. De knapste koppen zijn dag en nacht bezig om de ijdelheid te voeden. Met illusies. Het verschil tussen de kermis en het dagelijks leven is gering. Het hele leven is een doorlopende kermis geworden. We hebben het laten gebeuren, er is geen weg terug.

September 2013


Blijven kopen

Gebruiksvoorwerpen moeten op de eerste plaats doen waarvoor ze bedoeld zijn. Op een fiets moet je plezierig een eindje weg kunnen trappen en de tuinsproeier moet het water netjes over het gazon verdelen. Een schaar moet het een eer vinden om een mooie scherpe knip te maken en een tandenstoker moet flink stoken zonder dat er al te veel splinters in het tandvlees achterblijven.

Dat is de functie. Die is belangrijk. Als het ding niet functioneert, houdt het gewoon op. Als de naaimachine voortdurend steken laat vallen of de paraplu meer geschikt is om de boontjes af te gieten, dan is het een onding waar we geen stuiver voor over hebben. Techneuten doen dan ook hun stinkende best om de functie te optimaliseren. Ze hebben meestal nog wel meer aan hun hoofd want het mag natuurlijk ook nog helemaal niks kosten. Anders verdient de baas er niks aan. Waar ze vaak ook mee worstelen is dat het ding het lang genoeg blijft doen. Maar ook weer niet te lang want dan verdient de baas op termijn ook niks meer.

Een van de manieren om ervoor te zorgen dat dingen op tijd worden vervangen door andere dingen is er een modieus tintje aan te geven. Of een hebbedingtintje. Zorgen dat er tijdig een nieuw type is dat net weer wat meer kan. En dan op zijn tijd een al dan niet technisch trendbreukje, waardoor je met je oude spul geen kant meer op kan. Je introduceert een nieuw type ventiel zodat alle fietspompen op slag onbruikbaar zijn en vervangen moeten worden. Soms is het niet eens boze opzet maar grenzeloze domheid. Bijvoorbeeld als je ineens de spelling flink verandert. Het gevolg is dat alle bestaande boeken dan van het ene moment op het andere ouderwets en onaantrekkelijk zijn geworden. Goed voor de handel.

Maar ja, zonder al dit stiekeme gedoe zouden we nog dieper in de economische shit zitten. En laten we eerlijk zijn, er is natuurlijk wel degelijk ook sprake van vooruitgang. Dankzij al die pientere prutsers. En dankzij het feit dat er competitie en concurrentie is. Want bedrijven zijn op zich helemaal niet zo happig op vernieuwing, innovatie. Die maken het liefst altijd hetzelfde ding, wel tegen steeds lagere kosten, en zorgen dat het niet eindeloos meegaat. Uit de begintijd van Philips is bekend dat er een briefwisseling is geweest met de Amerikaanse concurrent General Electric. Het was Philips ter ore gekomen dat de Amerikanen een nieuw type lamp met een veel langere levensduur hadden ontwikkeld. Advies van Philips: niet doen, anders doen wij het ook en daar worden  we geen van beide beter van. GE deed het toch.

Onze kringloopwinkel leeft bij de gratie van het vervangen en bij de bereidheid van eigenaren hun afdankers naar ons te brengen. En onze goede doelen profiteren weer van het feit dat onze klanten de vooruitgang op een afstandje volgen of voor oude dingen nieuwe functies verzinnen. Zelfs het woord crisis heeft bij ons een wat andere klank!

Augustus 2013


Pleinvrees

Open ruimtes zijn belangrijk voor de leefbaarheid van de gebouwde omgeving. Parken maar vooral pleinen bepalen vaak de sfeer en het karakter van een stad of dorp. Op het plein komen de mensen samen, houden ze hun markten, vieren ze feest en komen ze in opstand. Beroemde steden hebben beroemde pleinen. Londen heeft zijn Trafalgar Square, Brussel zijn Grote Markt, Parijs zijn Place de la Concorde en Berlijn zijn Alexanderplatz. Rome heeft er een aantal, waaronder het Piazza Navone en het Sint Pietersplein. En Amsterdam heeft zijn Dam en zijn Museumplein.

Het woord plein komt uit het latijn en is via het Frans in onze taal terecht gekomen. In het latijn kennen we het woord planum, vlakte, en ook planus wat vlak betekent. In het Frans plaine, in het Engels plane, en bij ons dus plein maar ook plan. Een plein is een vlakke open ruimte, een plan was oorspronkelijk een plattegrond. En de meetkunde van het platte vlak heet dus ook planimetrie.

In Nootdorp hebben we enkele kleinere pleintjes, waaronder het schoolplein voor onze kringloopwinkel, en in Pijnacker hadden we tot voor kort ook een aardig plein maar dat is voor een flink deel opgegeten door een nieuw winkelcentrum. Dom? In het licht van het bovenstaande zeker. Zo word je natuurlijk nooit een grote jongen.

De machtigen der aarde moeten vaak geworsteld hebben met hun pleinen. Zonder pleinen kun je je macht en rijkdom nauwelijks tonen. Kun je je kerken en kastelen niet zichtbaar maken. Kun je je niet laten toejuichen en toezingen, kun je je legers niet laten defileren. Pleinen laten een stad ademen en laten je er thuis voelen. Maar dezelfde massa’s die het ene moment hossen, zingen en juichen, kunnen op het volgende moment de klinkers uit de bestrating slopen en je de stad uit jagen. Pleinen bieden de ideale locatie om als groep in actie te komen. We hebben recent de voorbeelden gezien: Kairo en zijn Tahrirplein, Istanbul en zijn Taksimplein, iets langer geleden Peking en zijn Tiananmen-plein.

Ik kan me voorstellen dat ze in Pijnacker hebben gedacht, er komen nog wat vervelende maatregelen aan, als we nu eerst dat Raadhuisplein wat verkleinen, dan hoeven we daar geen gevaar meer van te vrezen. Nootdorp had nooit een Raadhuisplein maar wel een raadhuis met een heel klein pleintje ervoor. Net genoeg voor een aubade op Koninginnedag. Maar er is nu geen raadhuis meer, alleen een sneu gebouw, er is geen Koninginnedag meer en aubades daar zijn we ook al lang geleden mee gestopt. Toch maar laten zo. Kunnen we ooit nog eens RKDEO of SV Nootdorp huldigen. Dat de revolutie ooit in Nootdorp zal beginnen lijkt me uitgesloten.

Juni 2013


5 mei: straks zijn er alleen nog de verhalen

Als ik dit schrijf is het de avond van 5 mei 2013. Vanmiddag zijn we naar Wageningen gereden om daar Bevrijdingsdag te vieren. We waren niet de enigen. Het vriendelijke stadje bezweek bijna onder de speakerkasten. De feestgeluiden dwongen tot inkeer en bezinning. Je werd er stil van en dat was ongetwijfeld de bedoeling van de organisatie die blijkbaar heel goed wist hoe je het jonge volkje bij de les hield. Er was oranje, er was bleu en veel blanje in de vorm van maagdelijk blanke vrouwenbenen. De mode schrijft blijkbaar hotpants voor en die vragen gewoon nog een extra paar zonnige dagen. 

Wij waren gekomen voor het Bevrijdingsdefilé. Tegenover Hotel De Wereld passeerden  alle mogelijke soorten veteranen. We hadden dit evenement nooit eerder meegemaakt en waren ontroerd. Mannen, een enkele vrouw. Oud, soms zelfs zo oud dat men moeite had om fatsoenlijk te salueren naar de commandant der strijdkrachten, generaal Tom Middendorp. Maar ze deden het, in volle ernst, zoals ze het ooit hadden geleerd, lang geleden. En de generaal groette terug. Telkens weer, vol overtuiging. Geïnstitutionaliseerd respect? Ja, maar meer dan dat. Ook emotie, door de lading van de geschiedenis. Hoeveel mannen en vrouwen kregen niet hun dagorder, hun bevel, om te doen wat gedaan moest worden? En gingen dan, om niet meer terug te keren, of ernstig beschadigd? Zo veel dat de emotie, het medeleven, erdoor afgestompt werd. Het drama was te groot voor kleine mensen. Pas nu, nu er nog maar een paar van die mannen over zijn, nu ontstaat er weer ruimte voor ontroering.

De overvliegende Spitfire liet ongewild zien dat de levende historie een aflopende zaak is. Ooit zijn er 20.000 van deze snelle jagers gebouwd. Men had er dit jaar met veel moeite nog een vliegklaar kunnen maken. Het houdt een keer op. Maar dan hebben we altijd nog de verhalen, verslagen en beelden. Met de Spitfire verdwijnt ook de klassieke oorlog van het toneel. Er zal altijd gevochten blijven worden, maar de grote veldslagen lijken toch echt voorbij. De tanks, de loopgraven, de zeeslagen. Over vijftig of honderd jaar zullen we nog steeds gedenken. Maar wel anders. Hoe gedenk je de veteranen van de cyberwar, of de eenheden die met hun robotlegers volk en vaderland hebben verdedigd? De jongens en meisjes van de drones en van de computervirussen, van de psychofarmaca en de telekinese?

De verhalen zullen blijven. Maar ze zullen veranderen. De vraag is hoe we over honderd jaar tegen de Tweede Wereldoorlog zullen aankijken. Wat zullen en willen we ons dan nog herinneren? Hoe kijken we nu tegen Napoleon aan? De Trojaanse oorlog is een mythe geworden opgehangen aan een stelletje twistzieke goden. We moeten het straks zonder jeeps en Spitfires doen. Dan wordt het allemaal minder tastbaar. Dan houden we alleen de verhalen. De vraag is: welke verhalen?

Mei 2013


Mei 1968

Hoe het met de andere werelddelen gaat, is mij slecht bekend maar met ons eigen kleine, knusse Europa gaat het niet echt lekker. Na de instorting van het Sovjetimperium meenden de Europese leiders dat ze de unieke en nogal onverwachte gelegenheid moest benutten om de kaart van Europa opnieuw in te kleuren. Dit was de kans, want vroeg of laat zou Rusland zijn macht weer gaan opbouwen en doen gelden.

Beide is gebeurd. De voormalige Oostbloklanden hebben zich aangesloten bij de Europese Unie en Rusland begint weer op te krabbelen als grootmacht. Vanuit een zeker euforie en in het besef dat ze het momentum moesten benutten hebben de landen van EU grote stappen gezet naar een sterkere eenheid. In ruil voor hereniging accepteerde Duitsland de euro. Er moeten ook in Duitsland al economen hebben rondgelopen die dat geen geweldig idee vonden. Die hebben beseft dat vroeg of laat de zwakke economieën bij Duitsland op de stoep zouden staan met een beroep op de Europese solidariteit. In ons land werd gewezen op het gevaar voor ons pensioensysteem.

Solidariteit. Studenten, arbeiders en kunstenaars scandeerden het in de jaren zestig en zeventig: Dit is het begin. Wij gaan door met de strijd. Internationale solidariteit. Maar solidariteit heeft zijn grenzen. Mensen willen elkaar wel helpen, maar die hulp moet ook wat opleveren. Onzinnige projecten en bodemloze putten ondermijnen de solidariteit. Dat geldt in het klein en in het groot.  We naderen een belangrijk jubileum: mei 1968, nu bijna 45 jaar geleden. Studenten en arbeiders in Frankrijk kwamen in verzet tegen kapitalisme, imperialisme, uitbuiting en onderdrukking. Gevoed door zeer linkse filosofen en economen die weliswaar hun twijfels hadden bij de wijze waarop de Sovjet-Unie meende de heilstaat dichterbij te moeten brengen, maar die bijvoorbeeld in China een nieuwe rode dageraad zagen gloren. De Culturele Revolutie leek een nieuwe weg die bewondering wekte en menig aankomend intellectueel, ook in ons land, naar het Rode Boekje van Mao deed grijpen. Berichten over massamoorden in China en later ook Cambodja werden pas veel later geloofd.

Het was allemaal nogal over de top, hyperidealistisch, een kruistocht in spijkerbroek, losgezongen van de werkelijkheid, maar wie de betogen en artikelen van de opstandige jeugd uit die jaren leest, komt regelmatig passages tegen die te denken geven. Teksten waarin, in navolging van Marx, gewezen wordt op het zelfdestructieve vermogen van een ongebreideld kapitalisme. Er wordt verwezen naar de grote beurskrach van 1929 en naar het cyclische karakter van de economische ontwikkeling. We hebben in Cyprus, in het klein, gezien dat 1929 en Weimar nog steeds mogelijk zijn. Hoeveel dreigender moet het nog gaan worden voordat in de Europese hoofdsteden de klinkers uit de straat worden gesloopt? Regeren is vooruitzien: dus versneld asfalteren zou mij advies zijn.

April 2013


De grote, zwarte dondervogel

Gisteren was ik in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. U weet wel, rechts naast het Paleis op de Dam als je voor het paleis staat met de blik gericht op het bordes. Vanuit de positie van de onderdaan zal ik maar zeggen. Vanuit het paleis ligt de Nieuwe Kerk natuurlijk links, maar dat is voor ons gewone mensen niet belangrijk. Des te meer echter voor onze nieuwe koning. Als die straks op 30 april, geplaagd door spanning en drukte, in opperste verwarring rechtsaf slaat, verdwijnt hij richting Kalverstraat. Ooit een koninklijke winkelstraat, nu een weinig glorieuze route naar de enige winkel die ik persoonlijk nog de moeite waard vind: De Slegte. Maar als het de nieuwe koning daar om te doen is, kan hij net zo goed een keer naar onze kringloopwinkel komen. Minstens zo veel boeken en daarnaast nog heel veel meer gedragen cultuurdragers.

Nu even serieus. Ik was dus in de Nieuwe Kerk om een tentoonstelling over de cultuur van de Noordamerikaanse indianen te bezichtigen. De historie van de indianen is te triest voor woorden. Wij Europeanen hebben weinig heel gelaten van de mensen en hun gewoontes en tradities. Er was geen begrip en er was geen respect. Een les voor iedereen die vindt dat onbelemmerde migratie alleen maar voordelen biedt. Hoe het ook zij, de indianen hebben zichzelf weer een beetje aan hun eigen haren uit de ellende omhoog getrokken en ze hebben hun tradities en kunst weer ontdekt. Oude verhalen, symbolen en rituelen in een nieuwe verpakking.

Cultuur is wat mensen tot een gemeenschap maakt. Cultuur is taal, historie, verhalen en symbolen. Daar moet je zorgvuldig mee omgaan, tenzij je natuurlijk als exponent van het ik-tijdperk, van de losgezongen liberale levensovertuiging, geen boodschap hebt aan een gemeenschap. Wie cultuur gaat ontleden zoals een bioloog een sprinkhaan ontleedt, eindigt met een handjevol onnozelheden: een raar taaltje (waarom geen Engels?), een paar rare verhalen over vroeger, een raar kleurtje (oranje), wat klompen en haring. O ja, en dan ook nog een koning. Wat een kinderlijke, irrationele poppenkast. Als je het zo bekijkt: inderdaad. Als je de symboliek en de taal niet verstaat, ja. Als je niet begrijpt dat mensen meer gevoel dan verstand zijn, meer samen dan alleen, ja. Maar de eenheid met de verhalen achter de verhalen, verbonden, doorgegeven, verbasterd, opgepoetst en geëvolueerd, bepaalt wie we zijn, waar we ons thuis voelen en hoe we met elkaar omgaan.

De indianen mochten van ons, verlichte geesten, geen contact meer zoeken met de grote, zwarte dondervogel. Daarmee viel de bezieling van hun wereldbeeld weg. Wat restte was alcohol, vuurwater. Prins Pils wordt koning. Wie er zo tegenaan kijkt heeft een paar dingen slecht begrepen. Die haalt het boek dat wij samen schrijven, dat zichzelf schrijft, waar stukjes van bij De Slechte liggen en in de kringloopwinkel, dat boek haalt hij omlaag. Jammer. Een beetje dom ook.

Februari 2013


De crisis en de killer-wesp

Nu even pijn lijden, maar dan komen we straks sterker uit de crisis. Met deze simpele boodschap worden we al weer een tijdje opgewekt toegesproken door hen die wij gekozen hebben om ons te leiden en die kijken alsof zich verbazen over hun eigen woorden. Het is waar dat een economische crisis een ideale gelegenheid is om, zoals ze bij mijn oude bedrijf zeiden: het dorre hout te kappen. Dan gaat het voedsel weer naar die takken die levenskracht bezitten. Die optimaal profiteren van de geboden mogelijkheden.

Dor hout moet het hebben van goede tijden. De blik is vooruit gericht, naar buiten, de kansen moeten worden gegrepen, de ballast is niet hinderlijk als ze maar in het hok blijft. Tijd en energie om de ballast aan te pakken is er niet of gunt men zich niet. En wie het wel doet, merkt al gauw dat er tegenpartijen zijn die met claims komen waar je niet zo maar onderuit komt. Want er wordt goed verdiend en dus is er geld voor sociale plannen en afvloeiingsregelingen. Maar in de crisis is het goedkoop saneren.

Dat alles betekent natuurlijk niet dat men op een crisis zit te wachten. Liever niet. Maar als het dan toch zover is dan hoor je tegenwoordig nogal eens de uitdrukking: ‘You don’t ever want a crisis to go to waste.’ Laat een crisis niet onbenut voorbij gaan! Een crisis biedt kansen om belangrijke hervormingen door te voeren waar je anders met een boog omheen zou zijn gelopen. Kortom, een beetje waardering voor de crisis, maar als het zonder kan dan graag.

Hoge koorts kan een kritieke situatie opleveren. Die kan een gevaarlijke virusinfectie een halt toeroepen. Maar wordt de temperatuur een fractie hoger dan legt de patiënt zelf het loodje. Hetzelfde geldt voor saneren en bezuinigen. Het pad is smal en de bewegwijzering laat vaak te wensen over. Een mooi voorbeeld uit de bijenwereld is de nogal vijandige relatie tussen de honingbij en de hoornaar, een reusachtige killerwesp. Een paar van die massamoordenaars zijn in staat een compleet bijenvolk uit te moorden. Dat wil zeggen, in onze streken. In Japan leeft een neef van onze honingbij die met een ongelooflijke truc de hoornaar wel de baas kan. Dringt zo’n knaap binnen in een nest dan storten de Japanse bijen zich in een soort groepsharakiri op de hoornaar, maken een kluwen van honderden bijen, die vervolgens door spierarbeid warmte gaan produceren. De temperatuur loopt in het centrum van de bijenbal dan zo hoog op dat de hoornaar de geest geeft. Een halve graad meer, en de bijen zelf zouden het ook niet kunnen navertellen.

De Japanse bijen zijn ooit sterker uit een crisis gekomen. Vraag niet te koste van wat. Dat doen ze zelf ook niet. Wij vragen het wel. Terecht. Maar het werkt wel verlammend. De grote vraag is: benutten wij onze crisis voldoende?

Januari 2013