MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0324

Kerstvertelling, 7 december 2014

Hoe vertel ik het thuis?

I

Twee dagen geleden stond ik hier ook. Utrecht Centraal, perron 8. Toen alleen. Op zich geen al te opzienbarende toevoeging. Tot vandaag ging ik een weekendje naar huis in mijn hoedanigheid van vrijgezel. Een vriendinnetje meenemen was voor mijn ouders alleen voorstelbaar in geval van een serieuze relatie. Gezien de snelheid waarmee mijn studie vordert, is een serieuze relatie, zeker voor mijn vader, op dit moment echter volstrekt onacceptabel. Eerst maar eens een maatschappelijk bodempje leggen, zo zou je zijn visie kunnen samenvatten. 

Twee dagen geleden stond ik hier ook. Wachtend op een trein die niet zou komen. Mijn trein kwam niet, alle andere treinen evenmin. Dat was twee dagen geleden, de dag voor Kerst. Het was een uur of vijf en ik had intussen meer dan twee uur staan kleumen. Mevrouw Den Beste van de afdeling Vrij Reizen, ze was ook zo maar achter haar bureau vandaan gehaald om gestrande reizigers hun treurige situatie uit te leggen, maakte me duidelijk dat dit wel eens een eenzame Kerst zou kunnen worden. Vadertje Spoor lag languit op zijn rug, in een halve meter sneeuw. Uitgeteld, bewegingsloos. Vervangend vervoer was evenmin opgewassen tegen de omstandigheden. Op laten halen? Kansloos. Er zat weinig anders op: terug naar mijn kamer. Met een tas vol vuile was en kerstgeschenken en met de hoop dat de dooi spoedig zou invallen.

II

De vette vlokken die rond mijn hoofd dansten, gingen een pas-de-deux aan met de meer of minder sombere gedachten die door mijn hoofd dwarrelden. Kerstmis, zo bedacht ik, is toch echt een cocktail van oude en nieuwe vormen en rituelen. Een cocktail die het best tot zijn recht komt in een besneeuwde wereld. Tot groot verdriet van velen was er echter al vele jaren in de kerstperiode geen vlokje meer gevallen. Sommigen vertaalden hun groeiende chagrijn in agressie en sloten zich aan bij politieke bewegingen die allochtonen overal de schuld van gaven. Grote groepen nieuwe Nederlanders hadden volgens deze bewegingen geen enkele boodschap aan een Witte Kerst, laat staan aan een Blijde Boodschap. En al snel klonken er dreigende leuzen dat ze van onze Witte Kerst af moesten blijven. Er doken verhalen op over Afrikaanse gemeenschappen in de Bijlmer die zwerfkatten zouden offeren aan de regengod Nnem Erim om deze te bewegen de luchttemperatuur in de winterperiode niet te ver te laten zakken. Dit werd door autochtone landgenoten opgevat als een vorm van soft terror. Tegenmaatregelen waren dringend gewenst. Maar hoe luister je een regengod af? Er ontstond een onbestemd gevoel in de samenleving dat we hier onbekend en glibberig gebied betraden. 

Worstelend met deze en vergelijkbare vragen ploeterde ik, als een steltloper zonder stelten, terug door een bijna onbegaanbare sneeuwwoestijn. Vermoeiend omdat ik voor iedere stap mijn voeten ongewoon hoog moest optrekken. Maar ik kwam in ieder geval nog vooruit en dat kon je niet zeggen van de auto’s die de straten, wegen, rotondes en tunnels bevolkten en die tegen deze apocalyptische omstandigheden niet opgewassen bleken. De sneeuw was zo massaal en onverwacht gaan vallen dat het verkeersbeeld deed denken aan het Pompeï van 79 n.C.: de vierwielenmens in de tijd gefixeerd. Mijn weekendtas, extra zwaar door de kerstgeschenken, trok een diepe voren door de hoog opgetaste sneeuw. 

Opnieuw schoot de naam van de regengod door mijn hoofd. Nnem Erim of niet, de gewone burger snakte naar een Witte Kerst. Ooit kon je nog uitwijken naar een wintersportgebied, maar dat bood tegenwoordig ook nauwelijks nog soelaas. De pistes werden met het jaar groener! Hoe ver reikte die machtige arm van de regengod eigenlijk? Rumoer in lokale Amsterdamse media had de redactie van een veel bekeken late-night show er toe verleid om een gezaghebbende belijder van de Erimcultus uit de Bijlmer uit te nodigen. Een paar dagen geleden was hij op tv en zijn optreden liet zien dat ook in ons land sterk afwijkende wereldbeelden voorkomen. Professor Balthasar, naar eigen zeggen afkomstig uit West-Afrika, aan staten deed hij niet, legde uit dat zijn cultuur ook ons veel te bieden had. Samen met zijn broer, assistant-professor Komanda, en hun gezamenlijke neef prof.dr. Wuku runde hij in de Bijlmer een bloeiende praktijk op het gebied van manuele elixerdiagnostiek en –therapie. In de populaire late-night talkshow mocht professor Balthasar uitleggen dat de machtige arm van de regengod, mits in een goede bui, inderdaad verder reikt dan de gemiddelde Europeaan voor mogelijk houdt. Neef Wuku bevestigde deze visie een paar dagen later in een concurrerende talkshow die ook heel goed bekeken wordt. Naar verluid zorgde het optreden van beide experts voor een grote toeloop bij hun Kliniek voor Polycyclische Totaaltherapie. 

III

Mijn terugkeer, normaal een kwartiertje lopen, kostte nu ruim een uur. Onderweg was duidelijk dat de regengod de controle geheel was kwijtgeraakt. Dit wees op een clash of religions. En het bewees het gelijk van De Positivo’s die zongen: Onze God is toch de beste. Maar niet dan na massale smeekbedes, novenes en pelgrimages naar lokale heiligen zoals de pastoor van Ars en Titus Brandsma. En ook in Dokkum was het drukker dan normaal geweest. Was dit soms de manier om het soft-terrorism aan te pakken? Hoe het ook zij, uiteindelijk had het toch het beoogde effect. Op de middag voor Kerstmis begon het zo onverwacht en genadig hard te sneeuwen dat al snel een Witte Kerst in beeld kwam die vervolgens weer net zo snel uit beeld verdween omdat alles uit beeld verdween. Les: onze God kan veel, dat heeft Hij natuurlijk in het Oude Testament al laten zien, maar je moet er wel wat voor doen. 

Met een zucht van verlichting openende ik de voordeur van het studentenhuis waar ik al weer enkele jaren woonde. En studeerde natuurlijk. Direct achter de voordeur was een ruimte met onder meer een fietsenrek. Er stonden wat oude barrels waaruit je zou kunnen afleiden dat nog niet iedereen was afgereisd. Maar volgens mij hadden de barrels al in geen jaren frisse lucht gehad. Te veel onderdelen die ontbraken. Daar kon ik dus weinig mee. We woonden hier met zijn achten en ik zou echt op inspectie moeten om uit te zoeken wie nog in huis was. Direct achter de stalling was de kamer van G. die blind was en theologie studeerde. De bijbel in braille nam een groot deel van zijn kamer in beslag. Omdat er geen licht brandde, liep ik door naar de trap en hees mezelf omhoog naar de eerste verdieping waar mijn kamer was, een spoor van smeltende sneeuw achterlatend. Veel later realiseerde ik me dat het ontbreken van verlichting in het geval G. geen waterdicht bewijs was voor zijn afwezigheid.

IV

Eenmaal terug op mijn kamer gaf ik de kachel een slinger om vervolgens alles eens rustig op een rijtje te zetten. De eerste vraag was of ik alleen in huis was. Ik liep het huis door en checkte de zes andere kamers. Alleen de kamer van P. was op slot, maar dat begreep ik. Hij was intussen afgestudeerd, stond twintig uur in de week voor de klas om verpleegstertjes bij te spijkeren in scheikunde. Als man in beginnende bonus had hij het afgelopen jaar wat waardevolle zaken aangeschaft. Voor de tweede keer. In de zomervakantie had een vaag vriendje van onze al even vage huisgenoot R., die een tijdje bij ons bivakkeerde in een soort inloopkast, zijn dure audio-installatie het huis uit gesmokkeld. De andere kamers stonden, bij gebrek aan courante handel, gewoon open. Om bij de kamers van T. en F. te komen moest ik een van de twee zolders oversteken. De zolder waar we nachtenlang pingpongden als we eens geen zin in toepen hadden. Van achter de deur van T. bereikten mij de klanken van een pianoconcert van Mozart. Toch nog gezelschap in de Stille Nacht! Helaas, de kamer was leeg en enigszins opgeruimd. Achtergelaten voor een wat langere afwezigheid. Alleen het indrukwekkende Revox-tapedeck met zijn enorme spoelen draaide. T.’s trots. Elke band was goed voor uren en uren Mozart. T. was een Mozartfanaat. Even verbaasde ik me over het draaiende tapedeck. Maar toen herinnerde ik me dat Mozart voor hem zo heilig was dat hij uit eerbied nooit een muziekstuk zo maar voortijdig afbrak. Blijkbaar moest hij op een zeker moment vertrekken voordat de muziek was beëindigd. Uiteraard liet ik de muziek doorlopen. De band zou wel een keer stoppen en niemand had last van de hemelse muziek. Ook de andere kamers waren uitgestorven en wekten niet de indruk dat er de komende dagen nog iemand gebruik van zou maken.

Waar ik al bang voor was, kwam dus uit. Ik was alleen in dit grote huis dat normaal 24 uur per dag vol leven was, maar dat de komende dagen ongetwijfeld weinig gezelligs te bieden had. Ingesneeuwd. Van de buitenwereld afgesloten. Als een alpinist halverwege hangend tegen de wand van de Eiger. En ook op feestelijk burengeluid hoefde ik niet te rekenen. Geen doodskreten van door onze buurman, de oude paardenslager, illegaal achter zijn huis geslachte paarden. En ook geen doodskreten van de jonge bloemenkoopman die door zijn vader, de oude bloemenkoopman, met een groot snoeimes werd bedreigd. Op het binnenplaatsje achter mijn kamer begon het tweetal iedere ochtend om zeven uur hun kar op te laden. Maar de ouwe kwam er meestal na een kwartier al achter dat hij bloemen te kort kwam. En hij wist ook de oorzaak: gejat door zijn zoon en voor eigen gewin verkocht. Dat er tijdens de genadeloze rondjes om de bloemenkar nooit iets ergs was gebeurd, was geheel te danken aan de grotere snelheid van de zoon die zijn vader zo lang een halve kar voor wist te blijven dat deze, gekweld door oplopende, lichamelijke ongemakken uiteindelijk altijd weer de strijd moest staken. 

Na de kamerinventarisatie liep ik de basisvoorzieningen na. Ik voorzag toch een survivaltraject. Stel je voor dat je hulp nodig had. Hulpdiensten konden geen kant op. En het sneeuwde nog steeds. Ik stelde vast dat er geen verstoppingen, bevriezingen en lekkages waren. De geiser was uit. Dat was wel een tegenvaller omdat ik geen idee had hoe ik dat ding weer aan de gang moest krijgen. Ongetwijfeld het werk van huisoudste H. Veiligheid. Op zich prima, maar nu zat ik er mooi mee. Verlichting oké. Radio nog werkend. Telefoon? Niet echt. Shit. Maar ja, wie moest ik bellen? Misschien toch wel mijn ouders. Later nog maar een keer proberen. Voor hoe lang was er voedsel? Zelf had ik helemaal niks meer, op een paar noodrantsoenen na (bruine bonen, maar hoe kreeg ik dat atoombombestendige blikje in godsnaam open?). Ooit gejat bij een vriendje thuis wiens vader hoofd van de plaatselijke BB was geweest. Zijn schuurtje lag BBomvol. Beleid. Leidinggevende BB-ers moesten een kernoorlog kunnen overleven anders was de chaos niet te overzien. In onze gemeenschappelijke ijskast trof ik wat restjes oude kaas aan, een stukje Vocking leverworst met een bedenkelijke kleur, wat eieren en een aangebroken bakje yoghurt. Niet genoeg voor een feestmaal, maar voldoende om te overleven. Op een van de kamers had ik wat fruit ontdekt. En ik wist waar H. zijn crackers bewaarde.

V

Het nieuws van zes uur was weinig hoopgevend. De sneeuw was volgens De Bilt het gevolg van een meteorologische anomalie, een extreme situatie die niet in de modellen voorkwam. Het KNMI bereidde een vlokkentest voor. Was dit serieus of probeerde men met een flauwe grap het landelijke kerstgevoel op een acceptabel niveau te houden? Ik kan een flauwe grap meestal wel waarderen, sterker nog het kan mij niet flauw genoeg zijn, maar hier en nu vond ik het misplaatst. Er was nota bene een soort van noodtoestand uitgeroepen. Alle verloven van relevante overheidsdiensten waren ingetrokken. Een soort van omdat het Ministerie van Moeilijke Zaken geen idee had hoe iedereen op zijn mobilisatiebestemming moest komen. Terloops meldde de nieuwslezer nog een curieus feit. Terwijl het hele land bezweek onder een verpletterende sneeuwmassa, had men in de Bijlmer nergens last van. Recht boven de Gliphoeve zat een opvallend gat in de bewolking. Het bericht was me in alle emoties bijna ontgaan.

Om de eerste honger wat te stillen nuttigde ik twee van H. geleende crackers (ik liet een excuusbriefje achter) met een half plakje kaas ertussen. Daarna ben ik blijkbaar in slaap gesukkeld wat na de voorgaande inspanningen en emoties niet geheel onbegrijpelijk is. Ik schrok wakker omdat op mijn deur werd geklopt. Ik zag op de wekker naast mijn morsige bed dat het al negen uur was. Na een teken van leven van mijn kant werd de deur voorzichtig geopend en stak G., de blinde theoloog, zijn hoofd om de hoek van de deur. Je kunt je voorstellen dat ik enigszins verrast was. Er was dus toch nog iemand in huis.  

‘Er zijn bezoekers voor je,’ meldde G. nadat hij mij een vredevolle kerstnacht had gewenst.

‘Ik kom naar beneden. Slordig van me dat jij helemaal naar boven moest om mij tot leven te wekken. Ontzettend bedankt. Ik wip morgen wel even langs. Gedeelde smart is halve smart, niet waar?’

Terwijl ik me uit de oude fauteuil hees waarin ik al zoveel mooie uren in volstrekte ledigheid had doorgebracht, stapte achter G. langs iemand mijn kamer binnen die mij zeer bekend voorkwam maar die wel de laatste was waar ik op zat te wachten.

‘Ja, surprise. Ik ben het,’ klonk het absurd opgewekt gezien de omstandigheden. Daar stond D. een goede bekende die ik liever zag gaan dan komen.

‘Sorry,’ kon onze blinde theoloog nog net uitbrengen. ‘Ik kon ze onder deze omstandigheden toch niet buiten laten staan?’ En toen stommelde hij zoekend en tastend weer richting de trap omlaag.

Terwijl D. al bezig was zich van zijn besneeuwde jack te ontdoen, zat ik nog even met een vraagje: Ze?

VI

D. was geen vriendje, en zeker geen studievriendje, maar een vage kennis die soms, en altijd onverwacht, op de stoep stond op zoek naar onderdak annex onderduik. D. was voortdurend op de vlucht voor ex-zakenpartners en anderen die nog geld en/of goederen van hem te goed hadden of die hij anderszins een oor aan had genaaid. Een parasiet was het. Een sluipwesp. Verder was het, als geboren oplichter, een buitengewoon charmante verschijning met theaterpotentie en met verhalen waar ik elke keer weer intrapte. Ook nu. D. draaide zich half om en wenkte naar het zwarte gat van de deuropening. Tot mijn verbijstering verscheen er een prachtig, donker meisje dat hartverscheurend huiverde. ‘Dit is Maria,’ zei D. ‘Ze zoeken haar. Ik kwam haar tegen bij het station. Radeloos. Ze kon niet weg. Ze smeekte me haar te helpen. Ik heb in ieder geval vannacht een plekkie nodig. En toen dacht ik gelijk aan jou, ouwe dibbes. Ik dacht, in die herberg is vast nog wel een plekkie voor ons.’

De grijns ging moeiteloos over in een vette knipoog. Ja, zo kende ik hem weer. Ouwe dibbes, zo waren wel meer glibberige avonturen met D. in de hoofdrol begonnen. En altijd eindigden ze in chaos. 

Toen ik van de eerste verbazing was bekomen, werd me langzaam duidelijk dat ik niet alleen ingesneeuwd maar ook ingepakt was en dat ik nu zat opgescheept met die halve of hele crimineel van een D. en met Maria, nota bene een Afrikaanse die door D. beschermd moest worden, mogelijk tegen een groep nietsontziende pooiers die ongetwijfeld naar haar op zoek waren, maar dat bedacht ik zelf. Gezien de sneeuwval maakte ik me over een spoedig bezoek van de nietsontziende pooiers overigens niet direct de meeste zorgen, maar de link met Afrika gaf natuurlijk wel te denken gaf. Hoeveel toeval kan een mens verdragen? 

Nee, ik zat eerder met de vraag wat ik van D.’s verhaal moest denken. Het waarheidsgehalte van zijn beweringen kwam zelden boven de tien procent uit. Maria leek in shock en deed de rest van de avond geen mond open. D. had een heupflesje met whisky bij zich. Na lang aandringen, ‘take ik sweetheart, it will warm your soul’, nam ze een slok uit de volgeschonken dop. Volgens D. sprak ze een beetje Engels. Hoewel ze met opgetrokken knieën en met ingetrokken hoofd in haar jas, een lange duffelse legerjas die tot op de grond reikte, verstopt bleef zitten, was het onmiskenbaar een heel mooi meisje. Een paar keer betrapte ik haar op een schichtige blik in mijn richting. Wat ze te betekenen hadden ontging me. Onder de lange legerjas droeg ze kleding die een zonniger weertype veronderstelden. D. wilde me niet te veel ontrieven, zei hij, en gaf op een bepaald moment te kennen dat hij aan één bed voorlopig genoeg had. Voorlopig? De kamer naast die van T. (van de Revox) leek me het beste. De bewoner was een relaxte gast die Rechten studeerde, een discipline die bekend stond om zijn lange kerstvakanties. Zo kon het gebeuren dat ik even later, in de Heilige Nacht, met twee verschoppelingen over de slecht verlichte pingpongzolder liep om ze naar hun kamer te brengen. Uit de naburige kamer klonk geen Mozart meer. De band was blijkbaar afgelopen. Ik liet het tweetal achter en had moeite mijn puberale fantasie en een lichte jaloezie naar D. toe te onderdrukken. Maria was echt betoverend mooi.

VII

Het leek me beter om ook mijn bed maar op te zoeken. Maar de slaap vatten lukte niet. Er spookte van alles door mijn hoofd. Kerstavond, ingesneeuwd, in gezelschap van D. en een bloedmooie Afrikaanse. Zou ze met die legerjas aan onder de dekens gekropen zijn? Zou D. nu bezig zijn om die jas uit te krijgen? En dan? Het werd me warm te moede. Mij was het in ieder geval nog niet gelukt een meisje te verleiden met mij het bed te delen. Zelfs niet met winterjas aan. Natuurlijk wilde ik niets liever. Ik zag er echt niet slecht uit, had een goed gevoel voor humor en mijn maatschappelijke vooruitzichten waren, als ik binnenkort even gas gaf, ook niet echt beroerd. Maar er was ook een bijna panische angst voor de magie van de grote liefde. De totale overgave. Het eeuwige verbond. Als het eropaan kwam blokkeerde ik totaal. Niemand begreep mijn liefdesleven, of liever het ontbreken daarvan. Ik zelf nog het minst. 

Zo lag ik te piekeren, mezelf te beklagen en te luisteren of er onthullende geluiden van de zolder kwamen. Aanvankelijk was het stil maar net toen ik half in slaap dreigde te sukkelen hoorde ik rumoer: schreeuwen, gillen. Er viel een stoel om. Ik had het kunnen weten: vroeg of laat ontstond er altijd shit als D. in de buurt was. Deze keer al vroeg. Het werd weer stil. Stille Nacht? Niet echt. Na een tijdje begon het gedonder opnieuw. Na nog een paar scènes waarvan ik alleen het begeleidende geluid meekreeg, begonnen de kerkklokken te luiden. De nachtmis. Maar hoe moest het kerkvolk de kerk bereiken? Ik had medelijden met al die pastoors en hun versierde, lege kerken. Stille Nacht. Terwijl de klokken nog luidden, hoorde ik de voordeur met een klap dichtslaan. Ik was klaar wakker. Wat had dat te betekenen? Was G. op weg naar de kerk? Dat kon je je toch nauwelijks voorstellen. Was er dan toch nog een huisgenoot thuisgekomen, waar dan ook vandaan, maar in ieder geval lopend. Ademloos wachtte ik af. Het bleef stil.

VIII

Ik ontwaakte half, of nog minder, uit mijn eerste slaap toen er tegen me werd aangeduwd dat zich vervolgens naast mij vlijde. Ik stak een wat onbeholpen hand uit en voelde de zware stof van een winterjas. Onwillekeurig schoof ik op naar de ijzeren rand van mijn eenpersoons ledikant om ruimte te maken. Heel traag drong het tot mij door dat het Maria moest zijn. Ze trilde, maar nu niet van de kou, ook niet van de opwinding, maar van de angst. Ze vertelde me in gebrekkig Engels, fluisterend, dat ze ruzie had gemaakt met D. Ik had mijn vermoedens maar ik hield mijn mond. Uiteindelijk was D. uit bed gestapt en vertrokken. Dat was dus de deur die ik had gehoord. Maar de beproeving van Maria was nog niet voorbij. Net toen ze weer wat was ingeslapen, werd ze gewekt door muziek uit de kamer naast haar. Mooie muziek, maar in haar toestand ook iets om bang van te worden. Omdat ze niet meer kon slapen was ze uiteindelijk uit bed gestapt om haar buurman te vragen de muziek zachter te zetten. Maar in de kamer naast haar was het donker en leeg. Er was alleen die muziek, die betoverende muziek. Wie had die muziek aangezet? En toen werd ze bang, heel erg bang. Paniek. Ze was weggerend en had mijn kamer weer teruggevonden. God zij dank. Ik moet toegeven dat ik ook even perplex was. Maar toen, ineens, wist ik de oplossing. De auto-reverse-instelling. De band was niet helemaal vol en had nog een tijd, misschien wel een uur, zonder geluid doorgelopen. Vervolgens was de draairichting omgeschakeld en was de muziek weer begonnen. Ik bewaarde de uitleg voor eerste kerstdag, of misschien de tweede.

Om de magie van het moment niet te verstoren liet ik Maria praten en tot rust komen. Zij kroop tegen me aan, legde een pand van haar geopende soldatenjas over mij heen, pakte mijn hand en legde die rond haar middel. Ik kuste haar, in een soort roes, voorzichtig op haar voorhoofd. Ze zuchtte diep en kroop nog wat dichter tegen me aan. Het kon haar niet ontgaan dat ik zeer wakker en zeer opgewonden was. Ze tilde haar hoofd op en fluisterde in mijn oor: ‘Not now. Tomorrow, you’ll understand.’ Toen draaide ze zich voorzichtig om en sliep in.

IX

Het is de dag na Kerstmis. En wat voor Kerstmis. Ik heb geleerd dat honger goddelijk kan zijn. Ik ben terug op Utrecht Centraal, perron 8. Met mijn tas vol nog meer vuile was en overtijdse kerstgeschenken. En met een nieuw kerstgeschenk. Vadertje Spoor is opgekrabbeld. Vanuit de Bijlmer heeft de dooi zich over het land verspreid. Maria heeft me haar verhaal verteld. Ze is inderdaad op de vlucht. D. probeerde daar misbruik van te maken. Dat lukte hem niet. Sindsdien ben ik haar redder. En haar vriendje. Ik ben wel benieuwd  naar de reactie van mijn ouders. Maar ik had geen keus. Zij wordt gezocht. En ik heb het gevonden: de grote liefde.