MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0169

Kort verhaal, 29 september 2013

Mijn bijdrage aan een schrijfwedstrijd op Literair Werk onder de titel: Voorlezen maakt alles van waarde kwetsbaar


De Bazuin


Dorpsgezicht, Louis Soonius


1.

Het ging niet goed met ons dorp dat enkele jaren geleden, samen met enkele naburige dorpen degradeerd was tot dorpskern. Voorzieningen verdwenen, de jeugd trok weg. Bedrijven zochten hun heil elders en de  De Bazuin was verworden tot een periodiek met een gestoorde frequentie. En als het bestuur van de Oranjevereniging nog net voldoende energie heeft om de nieuwjaarsreceptie van de gemeente te bezoeken, mag je toch wel stellen dat in ons dorp de fut eruit is. Er moest iets gebeuren om het tij te keren. 

Het rommelde al wat langer. Het gemeentebestuur zat er geweldig mee. De toenemende bezorgdheid had intussen al een wethouder de kop gekost omdat hij in een vlaag van openhartigheid de verslaggever van De Bazuin had laten weten dat het met de drie andere dorpskernen eigenlijk nog slechter ging. Daar werd nu, zoals hij het formuleerde, prioritair beleid op gezet. Nu staan wij bekend als godsvruchtig en gezagsgetrouw, maar dit schoot onze kern volstrekt in het verkeerde keelgat. Voorlezen maakt alles van waarde kwetsbaar, wierp de wethouder nog tegen, machteloos zwaaiend met De Bazuin. Het mocht niet baten. Hij kon gaan. 

De gemeente dreigde te desintegreren en de problemen van onze kern kwamen geen stap dichter bij een oplossing. Wij begrepen dat we verder op hulp noch sympathie van de gemeentebestuurders hoefden te rekenen. We stonden er alleen voor. Niet leuk. Veel spanningen. Achter de voordeuren van onze kern. Maar als we elkaar op straat tegenkwamen, keken we elkaar aan. Alleen maar kijken. Geen woord. Hooguit even de lippen samengeperst. Het was een en al vastberadenheid. Sterker nog, het was groeiende vastberadenheid. Na een paar dagen vol stille, vastberaden blikken waren we mentaal waar we wezen wilden. Bij de Belg! 

De Belg was een vreemde eend in onze bijt, ik zeg het maar eerlijk. De Belg heette eigenlijk, Constant van Driepikkel , maar met zo’n naam hoef je bij ons al helemaal niet aan te komen. Wij zijn een hechte gemeenschap met de kerk op de Brink als zichtbaar maar meer nog als spiritueel centrum. Daar laven, of beter laafden, wij ons wekelijks aan de krachtige woorden van onze dominee, daar zingen we de liederen van de vaderen, daar bezegelen we de grote gebeurtenissen uit een mensenleven. Zowel de kerk als het gebouw waar de Belg zijn diensten verleent, stammen uit tijden van voor de Reformatie. De kerk heette toen nog Mariakerk en café-restaurant De Brink was ooit een herberg. Het was de tijd van de afgoderij en de handel in aflaten. Zo werd het ons op de zondagsschool geleerd. De Belg had De Brink gekocht nadat het etablissement lang had leeggestaan. Dat had hem bij de mensen wat krediet opgeleverd. Maar verder werd hij toch met het nodige wantrouwen bejegend. Per slot van rekening kwam hij uit een echt papenland en papen waren nu eenmaal niet te vertrouwen. Zo leerden wij dat op de zondagsschool.


2.

Wij zaten in het zaaltje achter het café. Vastberaden mannen en vrouwen, bereid om tot het uiterste te gaan als het ging om de redding van ons dorp. Niks te kernen. Gewoon dorp. De voorzitter van de Oranjevereniging leidde de bijeenkomst. Iemand moest het doen. De correspondent van De Bazuin was de toegang geweigerd. Hij stond buiten klaar met zijn bloknootje. Veldwachter Geutjes stond schuin achter hem en hield hem scherp in de gaten.

De bijeenkomst begon met de rapportage van de verkenners die in een eerdere fase op pad waren gestuurd om bij vergelijkbare dorpen te achterhalen waarom het daar zoveel beter ging. Welke oplossingen elders waren gevonden om de neergang een halt toe te roepen. De belangrijkste uitkomst was dat er overal malaise was en dat de acties om de malaise te lijf te gaan weinig of niets hadden opgeleverd. 

Een jaarlijks kapellenfestival joeg de jeugd weg en hield de bejaarden uit hun middagslaapje. Elders had men met allerlei beloften een projectontwikkelaar bereid gevonden om de plaatselijke voetbalclub te sponsoren. Toen de club drie keer achter elkaar promoveerde vond de sponsor het tijd worden zijn projecten te gaan ontwikkelen. De gemeente had het nakijken. Er was een dorp dat het recht op een universiteit claimde. Men was vast begonnen met een klasje allochtonen. Toen die na een paar jaar een titel eisten, hebben ze die maar gauw gegeven en het initiatief vervolgens snel de nek omgedraaid. De betreffende gemeente zit met een grote groep hoogopgeleide inwoners die navenante financiële steun eisen, alsmede een gratis OV-kaart.

En zo ging het nog even door. Het ene plan nog gammeler dan het andere met steeds weer als uitkomst de constatering dat men nog verder was weggezakt in het drijfzand van de overmoed. De litanie was niet om aan te horen. Toen de laatste verkenner zijn deprimerende verslag had afgerond, een enorme ondergrondse garage waar nooit iemand kwam en die nu onder water stond omdat de elektriciteit was afgesneden en de pompen dus niet meer werkten, toen werd het stil in het zaaltje. Er moest iets gebeuren, maar wat. 

De Belg die achterin had meegeluisterd, doorbrak het tergende zwijgen van de mannenbroeders en vrouwenzusters door een consumptie aan te bieden. Op zijn kosten. Het begin van … Tja, van wat eigenlijk? Ik ben er nog niet uit. Maar laat ik niet op de zaken vooruit lopen. 

De Belg nam de bestellingen op, kwam kort daarna met zijn opspraak makende serveerster terug om de drankjes uit te serveren en vroeg toen het woord. De serveerster die naar de naam Maria luisterde, stond naast hem. Als de Venus van Botticelli met een wit schortje voor. De zaal luisterde naar de Belg en verslond Maria. De combinatie was adembenemend. 

De Belg vertrouwde ons toe dat hij net als wij zeer begaan was met het lot van ons dorp. Het was ook zijn dorp. Hij had het geworstel van nabij meegemaakt en het had hem pijn gedaan. We moesten af van de voor de hand liggende oplossingen. Ze werkten niet, we hadden het net gehoord. Het moest anders, heel anders. En hij had een idee. Ze moesten hem niet kwalijk nemen dat het uit zijn vaderland kwam. En ze moesten vooral niet schrikken. Als je in België een dorp op de kaart wilde zetten moest je zorgen dat er een wonder gebeurde. Zo had men het altijd gedaan. 

Het was alsof er een bom insloeg. De groep veranderde in een explosief mengsel van agressie, weerstand, ontkenning, zelfs verstandsverbijstering. De Belg pauzeerde en maakte bezwerende gebaren. De voorzitter nam het woord en trachtte te verwoorden wat er in de groep omging. Er was in Europa honderd jaar gevochten om de ideeën van de Reformatie ingang te doen vinden. Honderdduizenden waren gesneuveld omdat ze niets wilden weten van wonderen, heiligen, relikwieën, en noem die hele poppenkasterij maar op. En dan moest juist hier en nu een wonder de zaak redden? Of de Belg zelf ook niet begreep dat hier een grens werd overschreden? In alle opwinding en een dipje in de waakzaamheid van veldwachter Geutjes had de correspondent van De Bazuin kans gezien de deur op een kier te zetten. Maar de voorzitter had het door. 

De Belg liet zich niet zomaar afschepen. Hij meende het goed met het dorp. Juist in zo’n omgeving als hier een wonder, dat zou indruk maken. Niet in zo’n onbetrouwbaar Rooms nest vol kwezelende vrouwtjes, nee hier temidden van de rechtlijnige mannenbroeders en vrouwenzusters. Daar kon niemand omheen. Dat zou wereldwijde roering geven. Men zou het willen zien. En velen zouden zich hier willen vestigen. Op deze heilige grond. De economie zou een enorme versnelling krijgen. Lourdes hield hij ons voor en Fatima, Roccamadour en al die andere plaatsen waar de hemel en de aarde elkaar hadden geraakt. Gekust. 

We waren onthutst. Dit ging in tegen alles waar we in geloofden. Het verzet begon zich te organiseren. Maar de voorzitter greep in. De Belg mocht doorgaan. Hij verlegde de verdediging naar een zwak punt in onze geloofsovertuiging. De onvoorwaardelijke predestinatie. De voorbestemming. Misschien lag het wel vast, zo hield hij ons voor, dat dit wonder zou gebeuren. Dan was verzet bij voorbaat vruchteloos. Daar had de Belg een punt. We zaten klem en iemand adviseerde om nu toch ook dominee Galesloot er maar eens bij te halen. De voorzitter wist dat de dominee voor theologische bijscholing een aantal dagen in Kampen zat. Dus dat ging niet lukken. Het leek hem het beste de bijeenkomst te beëindigen zodat er tijd voor bezinning was. Dan kon ook dominee Galesloot zijn mening geven. En dan konden we ons over een week misschien uitspreken over het opzienbarende idee van de gastheer.


3.

Die week was het onrustig in het dorp. Het idee alleen al dat zo’n beetje de hele spirituele basis van de gemeenschap moest worden opgeofferd aan een bizar, zeer ongewis reddingsplan, zorgde voor slapeloze nachten. Het probleem was dat niemand een beter idee had. Sterker nog, er was helemaal geen ander idee. Het dorp was mentaal verlamd. En dat had ingrijpende gevolgen. Er ontwikkelde zich een vreemde vorm van kokervisie. Twijfelaars liepen nog eens bij de Belg langs die met steeds mooiere voorbeelden kwam. De hele Adriatische kust was door Sint Nicolaas gered van Turkse overheersing. Wat we daarvan dachten. En de directe nabijheid van de levend Maria bleek uiteindelijk voldoende om ook de laatste spoortjes twijfel weg te glimlachen. Uiteraard werd ook dominee Galesloot ingelicht. Ondenkbaar, was zijn reactie. Zaken doen met de duivel, wat dacht die schenner wel. Maar het was al te laat. Er was iets in onze geest geslopen, ja ook bij mij, ik geef het toe, dat zichzelf alleen nog maar liet versterken. Het ging zo slecht met het dorp dat de Goede God blijkbaar zijn handen al eerder van ons af had getrokken. Zaten we überhaupt nog wel op zijn lijn? Zou een wonder niet het bewijs zijn dat het weer goed was gekomen tussen ons en de Hemelse Vader? Met zulke gedachten liepen wij rond. Het maalde in onze hoofden. Alleen de Belg bleef de rust zelf. Die hele week werd er tussen vijf en zes gratis getapt. Trappistenbier. We zouden het vroeger nooit gedronken hebben, maar nu konden we er geen genoeg van krijgen. Het ging zelfs zo ver dat dominee Galesloot de deur van de kerk die zondag gesloten hield. Zijn kudde was van het rechte pad geraakt, zijn herderlijke invloed was uitgewerkt. 

Maar onder aanvoering van de Belg, en aangemoedigd door zijn Maria, wisten wij de deur te openen en stroomden wij naar binnen. De Belg voorop met een groot beeld van Moeder Maria, gehuld in een lange blauwe mantel en met het Jezuskind op haar arm. Ademloos en ontroerd keken wij toe hoe het beeld op de katheder van de preekstoel werd geplaatst. We waren in extase. Door een hoog raam in de linker beuk viel een straal licht op de verstilde Moeder Gods. De Belg wees ons op haar smartelijke gelaatstrekken. Het was geen blijde moeder. Het was een bedroefde moeder. Kijk hoe ze lijdt, zei de Belg. Nu al, omdat ze weet dat haar kind straks op een vreselijke manier zal sterven. Naast de Belg knikte de serveerster Maria. Zij droeg voor deze gelegenheid een hoofddoek. 

De Belg moedigde ons aan om in stilte haar hulp te vragen. Zij liet niemand in de steek. Het was geheel tegen alles wat we op de zondagsschool hadden geleerd. Maar we lieten ons meevoeren met deze stroom van spirituele emoties. Er ging een schok door de kerk toen er ineens een felle lichtflits door de ruimte schoot. Velen sloegen de handen voor de ogen, bang dat het einde der tijden nabij was. Maar het was de flits van het fototoestel van de correspondent van De Bazuin. De rat was ongemerkt binnengeslopen. Hij rook groot nieuws. En dat was er. De kerk rook voor het eerst sinds eeuwen weer naar wierook. 


4.

De opschudding bleef bestaan. Dagelijks bezochten we de kerk en legden we onze problemen aan Maria voor. Opmerkelijk hoe snel we de nieuwe vormen en gedachten omarmden. Maar de grote schok kwam op woensdag, op het eind van de middag, toen De Bazuin op de mat viel. Waar normaal allerlei geneuzel de voorpagina vulde, stond nu over de hele pagina een kleurenfoto van het Mariabeeld. Met, o wonder, in de hoek van haar linker oog een traan. Onmiskenbaar. Wij hadden geen traan gezien, terwijl er toch bijna permanent mensen in de kerk waren geweest om te voorkomen dat dominee Galesloot het Godshuis op slot zou gooien. Maar op de voorpagina van De Bazuin huilde Maria. 

Het is allemaal nog vers, maar de eerste plannen voor een ondergrondse garage onder De Brink zijn al door de gemeenteraad goedgekeurd. Zelfs dominee Galesloot heeft eieren voor zijn geld gekozen. De Bazuin wint altijd. Hij bidt nu iedere avond om zeven uur in een volle kerk de rozenkrans,ookal staat het huilen hem nader dan het lachen.

Espunt,,  29 september 2013

Bijdrage aan LW-wedstrijd Voorlezen maakt alles van waarde kwetsbaar