MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0389

Kort verhaal, 14 november 2013

Ga Voorheuvel

 

Wie met de dood verkeert, loopt kans er door besmet te raken. De dood kan in je botten gaan zitten en kruipt dan naar je kop. Zoals bij Gert Voorheuvel die lang geleden in het Utrechtse een bloeiende begrafenisonderneming leidde. Het was de bloei van zijn bedrijf die hem op de been hield. De diensten die hij leverde gaven professionele bevrediging maar brachten verder weinig levensvreugde. En omdat de heer en mevrouw Voorheuvel weinig hadden dat hen aan huis bond, zat het stel met grote regelmaat bij Arie op de Brug, als je binnenkwam rechtsachter in de hoek. Wij kwamen nog wel eens binnen omdat er eerder op de dag iemand ‘Tien over de rooie’ had geroepen wat zoveel betekende als: biljarten bij Arie. Het kwam maar zelden voor dat de Voorheuvelhoek leeg was als wij arriveerden. Arie op de Brug was een bekende kroeg boven de Oude Gracht. Arie was de eigenaar en de brug was het fundament waarop zijn etablissement rustte. 

De Voorheuvels maakten deel uit van een vaste club gelijkgestemden. Een ervan was broer Sjaak die in het oud ijzer zat. Om die reden spraken wij ook wel over de Dood om Oud-ijzer Groep (de DOG-troep). Men consumeerde vanuit een gedeelde overtuiging dat iedere avond bij Arie de laatste kon zijn. Arie zelf deed geen enkele moeite om deze fatalistische levenshouding te corrigeren. Deels omdat die goed was voor de omzet, maar belangrijker nog was de levenshouding van Arie zelf. Arie was een a-typische kroegbaas. Zijn talent om een vrolijk sfeertje neer te zetten was minder dan nul. Arie was geen uitbundig type, zullen we maar zeggen. Maar zijn bier was goed en op zijn tapwerk was weinig af te dingen. Vooral het aftappen, vaak onderschat, beheerste Arie als geen ander. Een halve eeuw later had hij er een goeie boterham mee kunnen verdienen.  Vaste tafelgasten van de Voorheuvels waren onder meer Oe Tand, vernoemd naar de toenmalige secretaris-generaal van de VN omdat hem nog slechts een tand restte. Voor het bier geen probleem, de beker met nootjes liet hij meestal aan zich voorbijgaan. Gert hield hem regematig voor dat hij 'zoiets' voor geen goud in een van zijn kisten wilde vervoeren. Hij zou zonodig persoonlijk bij het afleggen het bruine fossiel verwijderen. Maar als Oe Tand naar concurrentie uitweek, deste beter. De vergoeding van de gemeente was toch armoe. Oe Tand lachte dan binnensmonds om Gert niet onnodig te prikkelen. Hij wist dat na zo'n betoog Arie vers bier moest brengen. Behalve Oe Tand wast ook de Badmuts een vaste tafelgenoot. De Badmuts had zijn koosnaam te danken aan het feit dat bij hem de hoofdbeharing ontbrak. Oe Tand had in ieder geval nog een tand, de Badmuts was kaal. Ook de Badmuts zag Gert liever niet in een van zijn kisten. Na het overlijden bleef, volgens Gert, het haar nog een tijdje doorgroeien. Zelfs de Badmuts zou dan wat dons op zijn knikker krijgen. Gert had in zijn lange doodgraversbestaan al de gekste dingen meegemaakt, maar het vooruitzicht van de Badmuts met dons op zijn kop was onverdraaglijk.

Wat had een vrolijk troepje studenten in zo’n omgeving te zoeken? Op de eerste plaats een prima biljart waar we ons naar hartenlust op konden uitleven. In combinatie met een rondje toepen en een goed tapje was het leven bij Arie zo beroerd nog niet. En zonder wat ontspanning was het met ons waarschijnlijk niet goed afgelopen. Volgens R., de medicus van het stel, kon je het brein opblazen als je niet regelmatig even gas terugnam. Wie waren wij dat we hem durfden tegen te spreken? Wij waren G., geoloog in opleiding, E., jurist in opleiding, en B., fysicus in opleiding. 

Na enige tijd raakten wij on speaking terms met de DOG-troep. Dat wil zeggen dat er zo nu en dan een biertje doorkwam zonder dat er op een tegenprestatie werd gerekend. Behalve dan de adviezen die onze medicus in opleiding om niet verstrekte. Gert Voorheuvel was een man van vele kwalen en het was voor de behandelende artsen blijkbaar niet zo makkelijk om Gert ervan te overtuigen dat hij niets mankeerde. Gert ontwikkelde in de loop van de tijd een hechte vertrouwensband met onze arts in opleiding R. Direct na zijn proppen was R. zich gaan profileren als een alwetend medicus, een houding waar hij het uiteindelijk nog redelijk ver mee heeft geschopt. Vraag me niet hoe het brein van een doodgraver werkt, maar R. werd een vertrouwenspersoon.

Als wij bij Arie binnentraden, daarbij dreigend roepend dat er afschrijvers waren, hees Gert Voorheuvel zich moeizaam omhoog vanachter zijn stamtafel en wenkte R. Er kwamen vervolgens uit allerlei zakken doosjes, potjes en flesjes met pillen, poeders en drankjes die ten doel hadden een eerzaam doodgraver in leven te houden. Of de dokter, R. dus, aan de hand van de collectie geneesmiddelen kon afleiden wat voor een vreselijke kwalen er blijkbaar bestreden moesten worden. Dat was voor Voorheuvel een permanent vraagteken te meer omdat hij blijkbaar iedere week een ander arsenaal kreeg voorgeschreven. Het toneelstuk dat dan volgde was kostelijk door zijn eenvoud. R. schoof aan aan de stamtafel waar vervolgens een diepe stilte viel en wachtte op bier. R. bestudeerde intussen quasi-aandachtig de teksten op de etiketten, nam zo hier en daar een bijsluitertje door, en beet dan alleen even op zijn onderlip terwijl hij tegelijkertijd zijn wenkbrauwen fronste. Na korte tijd lagen er enkele stapeltjes op tafel van geneesmiddelen die een synergetische samenhang suggereerden. Drie stapeltjes betekende drie ernstige kwalen. Het aantal stapeltjes varieerde in de loop van de tijd. Je zag dan de eerzame doodgraver van pure ellende verschrompelen, niet in staat tot enige vraag om toelichting. Hij begreep dat het ernstig was, dat het niet lang meer zou duren. Precies dat wat nodig was om het bestaan aan de stamtafel in gepaste somberheid betekenis te geven. Een week later herhaalde de klucht zich met een pakket andere medicijnen. 

Nog weer wat later raakte R. in zodanig goede doen dat hij zich een herdershond kon permitteren. Hij realiseerde zich dat een ondeskundige keuze later tot veel teleurstelling kon leiden, en bemoeide zich dan ook intensief met de selectie van de pup. Kort daarna werd duidelijk dat het beestje weliswaar een goed karakter bezat maar ook een zeer lage intelligentie. Met veel geduld lukte het uiteindelijk hem een kunstje te leren. Het kunstje had direct te maken met het leven bij Arie op de Brug. Toen wij, met de jonge herder, binnentraden onder het uitroepen van ‘afschrijvers’, was het niet alleen gezellig druk maar was ook de DOG-troep aanwezig. Geen verrassing. De begroeting was hartelijk, de nieuwe hond werd bewonderd en bepoteld en R. vertelde vol trots dat het intelligente beestje reeds op jeugdige leeftijd een bijzonder kunstje beheerste. 

Er werd een kring gemaakt en Gert Voorheuvel werd vriendelijk verzocht, om zijn eigen bestwil, te gaan zitten. Arie zette de tap op hold en de muziek ging uit. R. bevond zich met zijn hond in het midden van de kring. Het kostte even moeite om het beestje van de ernst van de situatie te overtuigen. Maar toen was er dan toch contact tussen dompteur en dier. Op dat moment klonk het bevel “Ga Voorheuvel”. Het volgende moment stortte de jonge, zwakzinnige herder met een doffe klap en kwispelend ter aarde. Gejuich en applaus alom. Alleen in de Dood om Oud-ijzer Groep bleef het nog lang stil. Het kost soms even tijd om een studentengrap te waarderen. 

Espunt, 14 november 2013