MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

2012, 2 april

De kunst van het voorlezen.


Een tijdje geleden vroeg een goede kennis van me of ik het leuk vond om voor te lezen tijdens een soort paasmarkt op het landgoed Zuylenstein in Amerongen. Het was op 1 april dus ik vroeg even bedenktijd. Het is toch een aparte datum. Maar het was geen flauwe grap dus zei ik ja. Mijn goede kennis had gul geïnvesteerd in aandelen Zwerg en dan moet je ook eens wat terug willen doen.

 Voorlezen is een vak apart. Het klinkt zo simpel. Iedereen leest wel eens voor. Als je kleine kinderen hebt, of als je iets bijzonders aantreft in de krant. 'Zeg, moet je nou eens horen wat ze hier schrijven.....' En dan wordt er een stukje voorgelezen. Maar geloof me, goed voorlezen is een kunst.

 Op de eerste plaats moet je niet te veel fouten maken. Dus: lezen wat er staat. Maar je moet ook vooruit kunnen lezen. Halverwege een zin moet je al zien waar die eindigt. Dan kun je daar met de toon van de woorden rekening mee houden. Het laatste woord van een zin gaat bij ons meestal in toon naar beneden. Als je daar niet op let, wordt het een raar verhaal. Dan bots je onverwacht tegen een punt aan en ben je kwa toonhoogte nog niet laag genoeg. Bij een vraagteken is het anders, dan gaat de toon van het laatste woord omhoog. Als je dus niet goed oplet, worden de punten een soort vraagtekens en klink je als een Fransman die verdwaald is.

 Maar dat is nog maar het begin. Als je voorleest, moet je het publiek ook regelmatig aankijken. Dat is op zich leuk: al die ogen die op je zijn gericht. Als ze open zijn tenminste. Wij voorlezers zeggen dan: je moet regelmatig even opkijken. Niet echt moeilijk, maar er zitten twee akelige addertjes onder het gras. Allerleerst moet je natuurlijk gewoon doorpraten terwijl je opkijkt. Je moet dus heel snel een stukje tekst uit je hoofd leren. Het enige geluk is dat de luisteraars meestal niet precies weten wat er in het boek staat. Dus je mag een klein beetje sjoemelen.

 Er is nog een probleem. Na het opkijken komt onherroepelijk het neerkijken. Je moet weer verder met de tekst in je boek. Waar was je verdomme ook al weer gebleven? Even paniek. Je weet dat de toehoorders onrustig worden als je verhaal niet soepeltjes doorloopt. Vroeger, op school, hield je je vinger bij de regel. Tot de juf zei: nu zonder vinger. Een grote vent, en ik ben enorm groot, die zijn vinger bij de regel houdt, nee dat is volkomen kansloos. Zonder vinger. Het is niet anders.

Dan maar niet opkijken? Nee, dat is nog kanslozer. Dan zit het gezelschap een kwartier lang tegen een kalende schedel aan te kijken. Gevolg: als de kalende schedel klaar is en voor het eerst opkijkt, is de zaal leeg. Is iedereen heel zachtjes weggeslopen. Die halfkale zag toch niks! Nee, opkijken, aankijken. Belangrijk. Durven ze er in ieder geval niet stilletjes tussenuit te knijpen.

 En dan is er nog iets dat ik graag met jullie wil delen. Als je goed wil voorlezen moet je een goeie ademhalingstechniek hebben. Op het goeie moment een verse hap lucht nemen. En ook stevig uitademen, anders word je na een tijdje bedwelmd door je eigen uitlaatgassen die in je lijf blijven hangen. Als je dat niet goed doet, word je zo suf als een kikker in de winter. Toen ik nog een jonge vader was en ik iedere avond voorlas aan onze tweeling, had ik daar nog wel eens last van. Froukje links, Brechtje rechts naast me en ik met Jip en Janneke, of Pinkeltje, of De Vijf, of De Zeven, of De Dolle Tweeling, of Dr. Seuss, of noem maar op. Terwijl het eigenlijk de bedoeling was dat ik die twee langzaam voorbereidde op hun nachtrust, viel ik regelmatig zelf in slaap. Ik las mezelf in slaap omdat ik niet op mijn ademhaling lette (en een drukke dag had gehad en de nacht ervoor weer had doorgewerkt). Ik werd dan door een simultane, tweezijdige por van de tweeling ruw gewekt. Dan waren ze echt boos omdat mijn laatste woorden niets meer het verhaal te maken hadden gehad. Ze waren om volstrekt onbegrijpelijke reden uit mijn onderbewuste slaapgeheugen omhoog geborreld.

Wat ik maar zeggen wil, voorlezen is niet zo makkelijk als vaak wordt gedacht. Zeker niet voor kinderen, want dan is er nog een extra moeilijkheid. Als je voor een groep kinderen zit, moet je er niet bij zitten als zo'n creatieve jarenzevenigzitzak. Je moet meebewegen met het verhaal. Je handen en armen moeten wapperen, je hoofd moet schudden, je schouders schokken. Allemaal heel leuk, maar als je dat niet beheerst, ligt je boek voortdurend op de grond. En dan heb je echt een probleem.

Daarom kun je het beste voorlezen als er niemand in de buurt is. Het klinkt raar, maar het is echt zo.

 Weet je wie heel goed konden voorlezen? Dat waren ooit de hoorspelacteurs. De luisteraars zaten thuis, bij de radio die weer bij de kolenkachel stond. Of nu degenen die de voorleesboeken inlezen. Hun lezers zitten in de auto. Die zetten een CD met een voorleesboek op als ze een flinke rit voor de boeg hebben. Uitstekende voorlezers. Maar voorlezen op de Paasfair van landgoed Zuylestein, met een groep kinderen tussen de drie en detien jaar op strobalen voor je, is wel even andere koek.

 De eerste sessie was een succes. Eerst een gedicht van Annie M.G. Schmidt over een koning die er helemaal geen zin meer in heeft, en toen een verhaaltje van Hans Andreus over Meester Pompelmoes die ineens als pompelmoeswolk tussen de wolken hing.

De tweede sessie was anders. Op grond van een snelle inschatting van het gehoor koos ik voor een verhaal van Els Pelgrom over de zwerver Kwint die na zeven jaar bij zijn vader terugkomt. Niet goed ingeschat, hoewel. Naarmate het verhaal vorderde, verlieten steeds meer kinderen het strobalententje. Totdat er nog drie wat oudere jochies over waren. Die hingen aan mijn lippen. Sterker nog, ze bedankten me na afloop voor het mooie verhaal. Volgens Gemma, mijn vrouw, had ik duidelijk het verkeerde verhaal gekozen. Maar die constatering was me net iets te makkelijk. Ik had drie knullen vast weten te houden. Van dezelfde leeftijd als de doelgroep van Zwerg: 10 plus. Ooit heb ik geroepen dat ik het een uitdaging vond om deze jochies weer lol in lezen te geven. Deze drie hadden in ieder geval lol in luisteren getoond. Dat lijkt me een bemoedigend begin.