MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0744

24 februari 2018

Bewerking van een artikel dat ik schreef voor de Reünisten Vox van de Utrechtse studentenvereniging Veritas (nr 48, editie april 2008)

De schaamteloosheid voorbij.

Toen ik jong was en wel eens wat wilde, brak de seksuele revolutie uit. Nu ben ik oud en pijnig ik mijn hersens om te achterhalen wat ik toen wilde. En dan besef ik dat het wilde er wel wat af is. Nietzsche concentreerde zich op de wil tot macht, ik worstel nu meer met de macht van de wil omdat de onmacht mij op de hielen zit.

Ook weer niet zo heel erg opzienbarend natuurlijk. Is het niet de weg die wij allen moeten gaan? Veel interessanter: de seksuele revolutie volgt mij op de voet, dat wil zeggen, loopt ook op zijn laatste benen. Sommigen hebben de lach aan hun kont hangen, ik blijkbaar de seksuele revolutie. Blijkbaar, want ik was me dat tot voor kort niet zo bewust. Het schrijven van stukjes opent soms onverwachte deurtjes in de bovenkamer.

De aanleiding voor dit stukje was de locatie van een redactievergadering van de Reünisten Vox, het lijfblad van de Veritijnse reünist, in februari 2008. Kort voor de vergadering was Gerard Smink tot de redactie toegetreden. Het nieuwe redactielid huisde op de Ouwezijdsachterburgwal en had bedacht dat het een goede indruk zou maken als de vergadering bij hem gehouden zou worden. Zo en niet anders kwamen wij samen op deze inspirerende plek midden in de rosse buurt van Amsterdam. Maar in mijn thuisomgeving kon ik daar niemand van overtuigen. Mijn thuisomgeving vreesde dat de redactie haar nieuwe lid vooral geselecteerd had op grond van zijn unieke adres, een dekmantel voor een geregeld bezoek aan de Walletjes. Deze verdachtmaking was geheel onjuist. Maar zelfs de tegenwerping dat Gerard Smink zich inzette voor een andere bestemming van het gebied en ons tijdens een kleine rondgang had laten zien welke hoerenkotten intussen opnieuw waren ingericht om hippe producten aan de man te brengen, maakte weinig indruk.

Wel juist is de vaststelling dat door de ambiance waarin de redactievergadering zich voltrok, het thema van de tijdgeest zich op een natuurlijke wijze aan ons opdrong. En die tijdgeest fluisterde: Wolkers dood, Weg met het Wallenbloot en de Wonderbra in de onderla, kortom de seksuele revolutie waar onze generatie graag de credits voor claimde, leek voorbij. Sterker nog, de contrarevolutie was al geruime tijd gaande.

 Zo tussen 1965 en 1975 gebeurde er een hoop tegelijk. Een aantal maatschappelijke ontwikkelingen spanden samen. Als het om de seksuele revolutie gaat ben ik geneigd om de massale beschikbaarheid van de anticonceptiepil als de belangrijkste aanjager te zien van een nieuwe seksuele moraal. Van belang waren verder de snel stijgende welvaart, in ons land in niet geringe mate gevoed door de Bel van Slochteren, en de massificatie van het voortgezet en het hoger onderwijs. Jongeren kregen geld en tijd (om elkaar te ontmoeten) buiten het directe toezicht van de ouders en een jeugdcultuur te ontwikkelen. En de commercie had het, zoals steeds, snel door. De contacten tussen de geslachten werden makkelijker, vooral ook omdat meisjes minder beducht hoefden te zijn voor een ongewenste zwangerschap. Er was uiteraard nog genoeg om wel beducht voor te blijven. Het woord kuisheid verdween uit het spraakgebruik evenals de ontkennende vorm die ons kinderen van de Roomsche Moederkerk zoveel zondige narigheid had bezorgd. Een nieuwe waardenwind blies alle seksuele taboes omver. De koppeling tussen seks en zonde werd verbroken. De koppeling tussen seks en voortplanting werd verbroken. De koppeling tussen seks en liefde werd verbroken. En iedereen juichte. De wereld als orgastisch lullekkerland. Seks werd een genotmiddel, een consumptieartikel, koopwaar. Een product met kwaliteitskenmerken: goeie seks, slechte seks en van alles daar tussenin en in steeds meer varianten, het bekende patroon van de kapitalistische consumptiemaatschappij. Een product waarvoor handleidingen werden opgesteld. ‘Een optimaal resultaat is alleen verzekerd als u in de goede volgorde en voldoende lang op de plaatsen a, b en c, zie tekening, streelt, drukt, knijpt, draait, tikt, zuigt, bijt, duwt, trekt en daarbij goed op uw ademhaling blijft letten.’ Het beest was uit de fles en de commercie had het, zoals steeds, snel door.  

Het geworstel van Freud met het beest trok in het begin van de jaren zestig nog onze aandacht, maar al snel hielden we de zwarte kant van het driftleven voor gezien. Er kwamen alternatieve bronnen die, in onze ogen, een veel luchtiger kijk op de zaak uitstraalden. Wolkers, Cremer, Reeve, ze maakten van hun hart geen moordkuil en werkten als belangrijke katalysatoren. Pas veel later leerden we dat hun bevrijding ook niet zonder slag, laat staan zonder stoot, was verlopen. En laten we het frivole filmduo Pim en Wim niet vergeten. Aatje Veldhoen maakte naam met scabreuze tekeningen (waarvan er soms een in het onafhankelijke Utrechtse studentenblad Trofonios werd afgedrukt), Peter Muller droeg bij aan de omwenteling door de uitgave van blaadjes die in de eeuw daarvoor alleen met gevaar voor eigen leven en tegen zeer hoge prijzen onder een smoezelige toonbank door aan de man werden gebracht. En we ontdekten de Kamasutra. Net op tijd, want juist in het domein waar de sterkste vormen van genot zich voordoen, liggen bij toenemende prikkelfrequentie verveling en dwangmatige herhaling op de loer. Nee, die Kamasutra opende net op tijd een wereld van variatie. Dat de daardoor opgewekte experimenteerlust niet zelden leidde tot ernstige vormen van bekkenkanteling, schaambeentorsie, nekafschuiving en heupverstuiking nam onze generatie op de koop toe. Zelfs testisepilepsie en vaginaverkokering, toch niet ongevaarlijk, werden maar al te vaak met de mantel der vrije liefde bedekt. De cultuurshock werd nergens duidelijker zichtbaar dan op de omslagprenten van de damesliteratuur, met name de Bouquetreeks. Alles werd bloter, minder verhullend, je zou bijna zeggen: schaamtelozer. En de commercie had het, zoals steeds, snel door.

Zoals bij iedere revolutie zat een deel van de opwinding in de botsing der generaties. Onze ouders en grootouders, leraren en anderen die geacht werden de goede zeden te bewaken, keken, luisterden en lazen mee. Het was een beetje als met de val van het communisme. Ongeloof, ontreddering, wegvallende zekerheden en een jeugd die zich niet langer liet sturen door gewoonte en traditie. Direct na de Tweede Wereldoorlog lukte het nog net het beest na een paar maanden weer in de fles te krijgen, eind jaren zestig was er geen kurk meer te vinden. Een generatiekloof die nauwelijks viel te overbruggen. Vrijheid werd het toverwoord. Losmaken van oudere generatie is de jeugd eigen. Maar zo radicaal als in die jaren gebeurde, leek me nieuw. Eerder trok het jonge volkje, als het er aan toe was, een tijdje op vrijersvoeten de wereld in om na een paar jaar netjes de leidraad van het ouderlijke bestaan weer op te pakken. Nu zocht men zo jong mogelijk de bijna totale vrijheid en verdedigde die in de jaren daarna met hand en tand. De oudere jongere was geboren. Een samenleving zonder rite de passage. De metamorfose haperde. Het mensenkind bleef steeds langer in het larvenstadium hangen. Eeuwige seks, eeuwige vrijheid, eeuwige jeugd. Je rook Faust al op kilometers afstand. Maar ook wel weer een zekere logica: de steeds hogere eisen van een kennisgedreven samenleving aan opleiding werkte het uitstel van de volwassenwording en de daarbij behorende verantwoordelijkheden in de hand. Wie tegenwoordig kiest voor een carrière in de wetenschap mag hopen dat hij rond zijn veertigste het niveau van het minimumloon is ontstegen.

Seksualiteit had in onze samenleving lange tijd een dubbele functie: zorgen voor voortplanting en voor stabiliteit in een relatie als er voortgeplant is. Anders gezegd, zowel het verwekken als het grootbrengen van kinderen is zeer gebaat bij goede seks. De seksuele revolutie kende nog wel even de link met liefde (hippies), d.w.z. relatievorming of groepsvorming, maar die koppeling is niet vanzelfsprekend, ligt niet een-op-een verankerd in het menselijk genoom, maar is sterk cultureel bepaald. De jaren zeventig, met allerlei feministische strijdgroepen in het voorste gelid, werden het decennium van de zelfontplooiing, de assertiviteitstraining, het ik-tijdperk, het narcisme, de yup, het eisen van respect, het eisen van, ja eigenlijk van alles. I want it all, and I want it now. Ook wel weer begrijpelijk als het bestaan in essentie zonder betekenis en zonder doel is. Kenmerken van een toenemend urbaan en anoniem leven. In combinatie met aanzienlijke welvaart decadent en hedonistisch. Was het leven bij Remco Campert nog Verrnukkeluk, bij jongere schrijvers als Giphart of Kluun werd het een tragische zoektocht naar permanente extase.

En daar zit een vervelend probleem. Permanente extase bestaat niet. Dat kan het brein gewoon niet aan. Je kunt met een handvol pillen een weekend doorfeesten, en met wat extra peppers kun je op maandag ook nog de afterparty meepikken, maar op een bepaald moment komt de kater, het zwarte gat, de depressie. Nog meer pillen en poeders zijn dan het begin van het einde. Het leven is niet alleen maar leuk, hoezeer we ook ons best doen om onze kinderen dat gevoel mee te geven. Het resultaat is dat hele cohorten peuters al na drie jaar geherprogrammeerd moeten worden omdat ze menen het middelpunt van het universum te zijn en het daarbij behorende gedrag vertonen.

Alles leuk, of extatisch, het is een doodlopende weg. Het leidt tot de ultieme extase: de dood. Niemand heeft dat indringender beschreven als de supernihilist De Sade. Lees een boek als Juliette en je ziet waar de pornoficatie op uitdraait: op snuff movies, moord en doodslag, kannibalisme. En de commercie had het, zoals steeds, snel door. De mens staat nu eenmaal voor de opgave om drift en ratio met elkaar in balans te houden. Dat noemen we met een bijna vergeten woord: beschaving. Het is niet anders. En niet alleen drift en ratio, maar ook individu en groep, man en vrouw. Daar horen taboes en schaamte bij. Taboes omdat ze verwijzen naar zaken die heilig zijn, onaantastbaar, schaamte omdat zonder schaamte normen en waarden geen betekenis hebben en uiteindelijk niets heilig is. Een samenleving waarin eigenbelang, zelfzucht en eigen gerief domineren, is op termijn niet levensvatbaar. En die levensvatbaarheid begint en eindigt daar waar kinderen worden voortgebracht en grootgebracht, in het gezin. Een van de grote missers van de seksuele revolutie is het gemak geweest waarmee het gezin aan de kant werd geschoven. Gelukkig heeft niet iedereen zich gek laten maken. Zij bleven vertrouwen op het  gezonde boerenverstand. Maar de spraakmakende elite treft wel degelijk een verwijt. Het idee dat een langdurige, stabiele relatie van wezenlijk belang is voor een harmonieuze ontwikkeling van kinderen is te makkelijk als conservatief en hinderlijk voor individuele ontplooiing afgedaan. Dat het misschien niet goed is voor kinderen om tussen ruziënde ouders te leven, daar is in te komen. Maar dat je dan maar beter uit elkaar kunt gaan, in plaats van hard te werken (is niet leuk) aan een relatie die harmonieus blijft (gaat niet vanzelf), dat wil zeggen offers brengen en jezelf soms een beetje wegcijferen (ouderwets), dat is in mijn ogen een hele grote misvatting geweest in de afgelopen decennia.

Zo hier en daar zie je bezinning ontstaan. Ik bespeur signalen van een trendbreuk. Misschien is contrarevolutie nog iets te sterk. Maar de uitspraak dat leren niet altijd leuk hoeft te zijn, dat de beloning pas komt bij het kunnen en kennen, geeft hoop. Kinderen opvoeden is evenmin altijd leuk, en ook een langdurige relatie goed houden vraagt aanzienlijke inspanning. Maar het kan als we elkaar daarbij helpen. En de uiteindelijke beloning is groter dan alles wat het moderne egoïsme ons te bieden heeft. En verder zou ik er voor willen pleiten dat we weer leren uitstellen, dat we weer leren verlangen en dat we ons soms gewoon weer kunnen schamen. Dan zullen we wel de commercie een beetje op afstand moeten houden.

 

P.S. Februari 2018.

Dit alles werd geschreven lang voor het #MeToo oproer.

Ik neem de lezer nog even mee naar een column van Berthe Meijer in de Folia van 28 april1984 waarin ze een voorval beschrijft uit een eerdere fase van haar leven. Het is het eerste deel van een geschiedenis die nogal tragisch eindigt. In 1984 kraaide er geen haan naar dit stukje. Hoe zou het in onze dagen ontvangen worden? Het is een boeiend maar grillig fenomeen, die tijdgeest.

Don Juan geveld

Voor het gemak zullen we hem maar Bas noemen. Jaren geleden kwam ik tijdens een etentje tegenover hem te zitten. Hij was nogal aangeschoten en niet direct het type waar ik op val. Lang, donker, macho-achtig en naar het leek niet rijk gezegend met intelligentie. Ik had zojuist een twaalf jaar durende relatie verbroken met een getrouwde professor in Engeland en voelde me opgelucht. Ik voerde een gezellig soort conversatie met mijn tafelheer en lette in het geheel niet op Bas. Bas wel op mij, zo bleek al snel. Ik hoorde hem aan iemand vragen wie ik was. Een lekker stuk vond hij mij. Hij liet er geen gras over groeien. Wie schetst mijn verbazing toen ik even later in het damestoilet oog in oog stond met deze lange slungel. Voor ik kon zeggen dat hij de deur ernaast moest hebben, greep hij mij ferm onder de rok en bij de borsten. 'Wat krijgen we nu toch?' riep ik verbaasd uit. Ik hoorde hem iets grommen van lekkere toeten, lekkere kont, lekker wijf en ik dacht, 'ach waarom ook niet.' Hij rook lekker en er zat veel smakelijk uitziend vlees aan hem om te pakken.

Nu hou ik helemaal niet van vluggertjes en zeker niet op een koude onhandige plek als het damestoilet. Het bleef dus bij een beetje voelen en kussen. Terug aan tafel vroeg hij mijn telefoonnummer en adres, waarop ik meldde dat ik dat doorgaans niet aan wildvreemde heren gaf. Wie schetste mijn verbazing toen de volgende ochtend om acht uur de telefoon ging. Het was Bas. Hij wou me zien. Hij had een van mijn vriendinnen mijn telefoonnummer ontfutseld. Doortastend type.

Dus stond 's avonds om acht uur Bas op de stoep in een nerveus gesneden pak, dat al snel op het tapijt lag en ik ook. Hij riep nog iets van vrijheid blijheid en dat hij zich niet binden wilde, waarop ik meldde dat ik dat nogal voorbarig vond. Eerst maar eens laten zien wat je kan en dat zien we wel verder. Bas bleek er wel pap van te lusten, van dames met royaal uitgevoerde flanken en boezems zoals ik. Van een vriendin die hem ook eens haar gunsten had geschonken vernam ik dat Bas zo ongeveer de halve stad al aan zijn machtige zwaard had geregen. Afgezien van deze bijzondere eigenschappen was deze meneer er in het gewone leven een Uitstekend ontwerper en eigenlijk, daar kwam ik al snel achter, een heel lieve jongen.

Berthe Meijer, Folia, 28 april 1984