MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0775

Innovatie

Een van de domeinen waarin memen actief zijn is innovatie. We zullen innovatie hier gebruiken in de betekenis van een vernieuwing in de meest algemene zin van het woord die economisch en/of maatschappelijk voordeel oplevert en om die reden is ingevoerd, doorgevoerd en/of toegepast. Welbeschouwd is onderscheid maken tussen economische en maatschappelijke voordelen in veel gevallen wat kunstmatig. Innovaties die de welvaart bevorderen zullen vaak ook als maatschappelijk wenselijk worden ervaren. Maar dat is zeker geen natuurwet. Welvaart slaat niet gelijkmatig neer in een samenleving, sterker nog, groeiende welvaart van de een kan ten koste gaan van de ander. En als welvaartsgroei gepaard gaat met negatieve bijeffecten zal het maatschappelijk voordeel ook niet door iedereen op dezelfde wijze worden gewaardeerd.

In onze op competitie gebaseerde economieën is sprake van een doorgaand proces van innovatie. Veel innovaties hebben het karakter van een voortgaande stroom van kleine aanpassingen van een basisobject of -systeem. Men spreekt dan vaak van incrementele innovaties. De vernieuwingen en aapassingen hebben betrekking op hetzelfde basisobject. De auto is in essentie al honderd jaar hetzelfde. Dat neemt niet weg dat in die periode een voortgaande stroom van aanpassingen samen tot ingrijpende veranderingen hebben geleid. Veranderingen die elk voor zich het resultaat geweest kunnen zijn van zogenoemde radicale innovaties. Denk aan de computerisering en sensorisering van het systeem, aan de verbinding met navigatiesatellieten, etc. Een ander voorbeeld is de computer. In wezen nog steeds gebaseerd op de ideeën van mensen als Von Neumann en Türing. Zo bezien kunnen veel veranderingen van deze machine worden beschouwd als incrementele innovaties. Maar ook in dit voorbeeld geldt dat die veranderingen op onderdelen, in hun eigen domein, het resultaat waren van radicale innovaties. Denk aan de beeldschermtechnologie, de technologie voor dataopslag, etc.

Het voortgaande proces van verandering, voortgestuwd door marktcompetitie en soms door maatschappelijke pressie (die elkaar uiteraard niet hoeven uit te sluiten) vertoont opvallende overeenkomsten met de veranderingsprocessen die we in de biologische evolutie tegenkomen. Er zijn mutaties, er is variatie en selectiedruk en er is het streven naar overleven.

Ik kwam in 1977 in dienst van TNO als hoofd van wat toen heette de Informatie- en Documentatiegroep, een onderdeel van de centrale stafafdeling In- en Externe Communicatie. In deze functie opereerde ik voor een deel als de centrale wetenschapsvoorlichter van TNO. Daarnaast werd ik veel ingeschakeld als ghostwriter voor de Raad van Bestuur van TNO. Ik werd geacht een redelijk overzicht te ontwikkelen van de activiteiten van TNO bij voorkeur ook nog geplaatst tegen de voor TNO relevante achtergrond van de  ontwikkeling van wetenschap en techniek in brede zin. Gezien de omvang van het werkterrein van TNO vereiste dat een voortdurende en niet geringe inspanning.

Toen ik in 1977 met mijn academische fysica-achtergrond bij TNO aantrad, was het me al snel duidelijk dat het innovatiefenomeen van wezenlijk belang was voor Nederland in het algemeen en voor TNO in het bijzonder. Het belang van innovatie kwam in de loop van de jaren zeventig steeds meer op de voorgrond te staan in discussies over de opvallende veranderingen in de wereldeconomie. Over de groeiende dominantie van de VS en Japan op allerlei high-techgebieden. De VS waar het ging om de introductie van geheel nieuwe technologiegebieden zoals de micro-elektronica, Japan als partij die met een uitgebalanceerd beleid gebaseerd op effectieve kennisontwikkeling, hoogwaardige kwaliteit en kostenbeheersing een groot deel van de gevestigde Europese (en Amerikaanse) industrie verdrong. Industrie die lange tijd kon vertrouwen op zijn alom erkende superioriteit. Die industrie kon niet langer op de oude voet verder gaan. Het vermogen tot vernieuwing, tot aanpassing, tot innovatie moest aanzienlijk versterkt worden. Het gevolg was een decennium (jaren '70) vol studies, adviescommissies, rapporten, congressen, etc. Het resultaat was een brede bewustwording en een heroverweging van de uitgangspunten van de vernieuwing zoals die tot dan toe was bepleit, bevorderd en gerealiseerd. Kort gezegd, de visie die door Vannevar Bush in 1945 (Science: The Endless Frontier, een rapport, uitgebracht aan president Roosevelt, waarin Bush in grote lijnen zijn voorstellen voor de naoorlogse Amerikaanse politiek ten aanzien van wetenschap en technologie beschrijft) was verwoord: investeer zo ruim mogelijk in R&D, laat duizend bloemen bloeien en vertrouw erop dat er voldoende bloemen tussen zitten die voor nieuwe onweerstaanbare boeketten zullen zorgen. Zo hadden immers de geallieerden de oorlog gewonnen en was de VS als industriël grootmacht gevestigd. Technology-push, meer dan market-pull.

De Japanners lieten zien dat het ook anders kan. Slimmer, effectiever. Jarenlang was het Japanse ministerie van Internationale Handel en Industrie (MITI) de regisseur van 'het Japanse wonder'. Langzaam maar zeker drong ook hier het besef door dat het onderhouden van velden met bloeiende bloemen niet langer haalbaar was. Wetenschap en techniek ontwikkelden zich over een snel groeiend gebied en kennis en knowhow was steeds minder af te schermen. M.a.w. autonomie op het gebied van wetenschap en techniek werd steeds meer een illusie. In de wetenschap was dit uiteraard al veel langer het geval, maar het ging ook gelden voor de techniek.

Ook in eigen land werd in de jaren '70 vastgesteld dat herbezinning op de relatie tussen wetenschap, techniek en samenleving noodzakelijk was. Herbezinning op industrie-, technologie- en wetenschapsbeleid. Herbezinning op nut en noodzaak van de spelers in dit veld: de universiteiten, de Grote Technologische Instituten waaronder TNO en de corporate R&D-labs van de multinationals. Op 23 oktober 1979 kon Ton van Trier, minister van Wetenschapsbeleid (ook een vernieuwing) namens zijn collega's van Onderwijs en Wetenschappen en van Economische Zaken,  de nota voor  het beleid inzake techno-logische vernieuwing  in de Nederlandse samenleving, kortweg  de lnnovatienota aan het Parlement aanbieden. Op dat moment lagen ook de plannen klaar voor een ingrijpende reorganisatie van TNO met het doel de organisatie aan te passen aan de (innovatie) eisen van de tijd. Op innovatiegebied moest het anders en vooral beter en TNO werd gezien als een belangrijk instrument in het innovatiebeleid. Maar dan wel op een nieuwe leest geschoeid! De innovatie van TNO kreeg zijn beslag op 1 januari 1981. De start van een lange weg bezaaid met voortdurend nieuwe aanpassingen.

Wat voor Nederland gold, gold ook voor de rest van Europa. Rond de millenniumwisseling stapte ik over van de wetenschapsvoorlichting naar de wereld van innovatie op EU-niveau en werd ik op voor TNO de corporate de coördinator van TNO's activiteiten in Brussel, meer in het bijzonder van de betrokkenheid van de organisatie bij het EU Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie. Op dat moment was nummer 5 gaande. Nu (eind 2017) loopt nummer 8 getiteld Horizon 2020 (2014-2020, budget 80 miljard euro). Tijdens mijn Brusselse jaren zakte de aandacht voor Japan wat weg. China kwam ervoor in de plaats. Maar op het punt van innovatiekracht bleef de VS veruit de meest prominente benchmark.

Hieronder vijf korte notities die ik rond 2005 schreef over een opvallende ontwikkeling: de innovatie van innovatie. Nieuwe opkomende ideeën over andere manieren van innovatiebevordering. Noem het meta-innovatie.

- Innovatie van Innovatie 1, Inzicht in innovatie evolueert

- Innovatie van Innovatie 2, Open innovatie moet efficiency innovatieproces vergroten

- Innovatie van Innovatie 3, 'Phantasie ist wichtiger als Wissen'

- Innovatie van Innovatie 4, Aanpassen gaat van Au!

- Innovatie van Innovatie 5, De waarde van innovatieprogramma's