MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0614

Columns voor Nootdorp Nu, 2011

                         Nootdorp Nu is een huis-aan-huisblad in Nootdorp dat iedere maand verschijnt. In 2010 kreeg ik het verzoek om iedere maand een column te schrijven. Ik doe dat uit hoofde van mijn functie als voorzitter van de stichting Kringloopwinkel De Wisselbeker. De kringloopwinkel is een inspiratiebron maar ik neem alle vrijheid om over alles te schrijven dat mij bezighoudt en dat hopelijk ook voor de ontvanger van het blad de moeite waard is. Hierna de columns die in 2011 zijn verschenen.


Analoog als het analoog kan

Ik hoop dat de Kerstman een echt boek voor u meebrengt. Er zijn mensen die zich zorgen maken over de toekomst van het klassieke boek. Waarom nog al dat gedoe met papier en karton? Het kost ruimte en het is zwaar. Het kost bomen en het levert flink wat afval. De verlossing is nabij: het E-book. Met duizend boeken op vakantie is nu geen probleem meer. Geheugenruimte kost bijna niets meer. Je kunt je geliefde boek natuurlijk ook gewoon uit de lucht plukken. Met draadloos internet. Een virtuele bibliotheek met miljoenen boeken. Wat wil je nog meer?

Steeds meer zaken die ooit tastbaar waren, veranderen van karakter. Ze worden digitaal. Je kunt ze niet meer vasthouden. Voorbeelden? Neem geld. Je betaalt straks met je mobieltje. Munten en flappen hebben hun langste tijd gehad. Muziek. Ooit was er bladmuziek. Toen moest je zelf achter de piano plaatsnemen om iets te horen. Toen kwamen de plaat, de tape, de cassette en de CD. En nu ligt het geluid dat we zoeken ergens opgeslagen als een verzameling enen en nullen en kunnen we onze favoriete muziek downloaden. Hebben we straks nog wel zin om naar een museum te gaan als we de gedigitaliseerde kunst op ons eigen wandvullende beeldscherm, en naar onze eigen smaak, zichtbaar kunnen maken? En misschien worden we wel  erg gelukkig van al die virtuele, gefotoshopte vriendschappen. Toch een wonderlijk idee dat straks al deze zaken alleen nog maar uit nullen en enen bestaan. De voordelen zijn duidelijk. Maar toch.

De wereld is analoog. En wij zijn analoog. De nieuwe techniek betekent: eerst digitaliseren, dan bewerken, opslaan, versturen, en tenslotte weer terug naar analoge informatie. Al onze zintuigen zijn immers analoog, die horen of zien geen nullen en enen. De weg van analoog naar digitaal en weer terug is complex en daardoor kwetsbaar. Anders gezegd: als de elektriciteit uitvalt, staat alles, maar dan ook echt alles stil. Deze technieken vragen om een samenleving die ook op lange termijn stabiel is. Net zoals kernenergie. Het lijkt me verstandig om voorlopig nog maar niet onze papieren archieven naar het oud-vuil te brengen. De meest betrouwbare vorm van gegevensopslag is nog altijd de microfilm.

Behalve de kwetsbaarheid is er nog een ander bezwaar aan de digitalisering. Ik, en velen met mij, beleven een fysiek genoegen aan een boek dat je vast kunt houden, waar je in kunt bladeren en waar een vormgever iets moois van heeft gemaakt. En wij genieten al evenzeer van het snuffelen in boekwinkels, kringloopwinkels, bibliotheken en boekenkasten. Wij geloven dan ook niet dat het boek gaat verdwijnen. De mensen die niet van lezen houden, gaan ook geen E-book lezen. En als je wel van lezen houdt, gaat er niets boven een echt boek. Muziek downloaden op je iPod en dan naar je head set is toch echt iets anders dan een plaat opzetten (wordt weer populair) of naar life-muziek luisteren. Waar het naar toe gaat? Ik zou zeggen: analoog, waar het analoog kan, en digitaal, waar het digitaal moet. En waar het uiteindelijk naar toe gaat? Naar de kringloopwinkel. Als het analoog is. Zijn het alleen enen en nullen dan blijft het op internet ronddwalen zolang er stroom uit het stopcontact komt.

December 2011


Nooit meer dood

Er zijn heel knappe mensen, die voorspellen dat we over een tijdje misschien wel duizend jaar oud worden. Ik schrik van zo'n voorspelling. Wil ik dat wel? Nou zij wel, want zij zijn van mening dat de mensheid daar erg gelukkig van wordt. Ouder worden is ook niet altijd even leuk. Je haar valt uit en je tanden. Je zakt uit, groeit krom, wordt stijf en doof. Het eeuwige gevecht tegen het verval lijkt in een nieuwe fase te komen. Tot nu toe hadden we vooral pillen, drankjes en zalfjes waarmee we onszelf voor veel geld voor de gek hielden. Maar ja, je moet wat. Oud worden betekent in onze cultuur overbodig worden. We hechten namelijk niet zo veel belang meer aan wijsheid. Die komt met de jaren en heeft te maken met het echte leven, met alles wat mensen kan overkomen en wat mensen tot mensen maakt. Wijsheid kun je niet even downloaden of via twitter oppikken. In onze clip-, gadget- en hypecultuur is wijsheid op zijn best oninteressant en op zijn slechtst een spelbederver. Dus daar sta je dan met je onderkin, je buikje en je wijsheid. Je staat in de weg meneertje, zo simpel is het. Je doet niet meer mee, je begrijpt het niet. Ik kan me bijna voorstellen dat mensen bereid zijn hun ziel aan de duivel te verkopen in ruil voor de eeuwige jeugd.

Duizend jaar. Fantastisch! En als je de mens zover voorbij zijn natuurlijke leeftijd kan brengen, voor de mens zo'n 115 jaar, dan is het eeuwige leven niet ver meer. Je moet de zaak wel grondig aanpakken. Mel zalfjes ga je het niet redden. Er zijn twee wegen, of de schade door veroudering radicaal herstellen, of de biologische verouderingsprocessen uitschakelen. In beide richtingen wordt gewerkt. Zo kunnen we steeds meer falende lichaamsdelen vervangen door nieuwe. En we weten intussen ook waarom cellen na een tijdje stoppen met delen en sterven. Maar ja, als cellen nooit stoppen met delen krijg je weer andere problemen. De grootste fanaten gaan nog flinke stap verder. Die beweren dat het uiteindelijk om het brein gaat. Als je dat in stand houdt en blijft voeden met nieuwe indrukken heb je dat onhandige lijf niet meer nodig.

Ik vind het eng. Laten we nu eerst eens al die kinderen die hun eerste levensjaar niet eens halen, betere kansen geven. En dan? Je laatste 800 jaar bingo-en omdat je het op je 200-ste allemaal niet meer kunt bijsloffen? En dan ben je 950. Van hoeveel kinderen, kleinkinderen, etc. moet je de verjaardagen, de namen en de gezichten onthouden? Of zijn er geen kinderen meer omdat er niemand dood gaat? Het gaat natuurlijk niet gebeuren. We gaan ons namelijk dood vervelen en dat begint al boven de honderd. Hoe gaan we een vijfhonderdjarig huwelijksfeest noemen? En moeten we dan Wembley afhuren? De verveling gaat ons redden. Dat is pas wijsheid.

November 2011 

Een boek dat voorbij ging

Van oude dingen, de mensen die voorbij gaan. Wie kent niet deze beroemde titel van een boek van Couperus? Ik. Want Louis Couperus heeft dit boek nooit geschreven. Wat hij wel schreef was: Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan. Bent u er ingetrapt? Is niet erg, want het zijn allebei mooie uitdrukkingen. In ieder geval passen ze heel goed bij onze kringloopwinkel. De kernwoorden kloppen: oud, dingen, mensen. De nep-titel zegt dat het om oude dingen gaat en om mensen die voorbij gaan. Schappen vol oude spullen waar mensen spiedend langs lopen om te zien of er iets van hun gading bij zit. Bij de echte titel zijn de mensen oud en gaan de dingen voorbij. Dat roept het beeld op van een leven waarin dingen komen en gaan. En als de mensen oud zijn, der dagen zat of nog erger, laten ze de dingen langzaam maar zeker los. Onthechting. Niet meer belangrijk. Het omgekeerde komt ook voor: de dingen geven het in de loop van de tijd op. Ze maken zich los van de mens en staken hun diensten. Wat natuurlijk ook gebeurt is dat dingen gedumpt worden omdat ze beginnen te vervelen of omdat er betere dingen beschikbaar komen. Soms wordt deze losgezongen dingen via onze kringloopwinkel een tweede leven gegund.

 Deze bespiegelingen hebben eerlijk gezegd bar weinig met het boek van Couperus te maken. De dingen uit het boek van Couperus waren dingen die gebeuren in het romanleven van mensen. Liefde en bedrog, moord en doodslag. Winkels waarin dergelijke dingen te koop zijn, bestaan niet. Zelfs niet in onze kringloopwinkel. Maar wat bij ons op het schap ligt en staat heeft wel een leven achter de rug. Het zijn geen steriele producten die zo van de fabriek komen. Ze weten soms heel goed wat er in het leven te koop is. Ze hebben namelijk dingen meegemaakt. Sommige misschien wel dingen die Couperus heeft beschreven. We weten het niet. We hebben alleen onze vermoedens.

Couperus is voorbij. Hij heeft een aantal mooie boeken achtergelaten. Enkele zijn succesvol verfilmd. Maar het lezen en kijken is voorbij. Er komen in onze winkel grote hoeveelheden boeken binnen. Couperus zit er niet meer tussen. Geen leuke constatering. Als een groot schrijver als Couperus al zo snel voorbij is, wat hebben wij middelmatige stumpers dan nog te verwachten? Hoe snel zijn wij straks vergeten? Ik vrees heel snel. Blijvende roem wordt zeldzaam. Moderne kunstenaars voelen dat intuïtief aan. Die hebben de ambitie om iets onvergankelijks te scheppen laten varen. En ook de minder getalenteerden, zoals wij, hebben hun conclusies getrokken. Die gaan voor het kwartiertje eeuwige roem dat intussen onofficieel deel uitmaakt van de universele rechten van de mens. Liefst op tv, desnoods op YouTube. Gebakken lucht die bij de eerste hap vervlogen is. Voorbij. Maar kun je dat nog steeds een ding noemen dat voorbij gaat?

Oktober 2011


Happen naar lucht

Zo, de winkel is weer aan kant. De grote schoonmaak zit er weer op. We kunnen onze klanten weer met opgeheven hoofd ontvangen. Er is geboend, geveegd, gestoft, gepoetst en gezogen. Alles is opgepakt, alles glimt weer, niets plakt meer (behalve de prijsstickers) en er is ruimte geschapen. Ruimte voor nieuwe kringloopspulletjes.

Dat kon alleen door dingen weg te gooien. Dat druist wel in tegen onze aard. Daar hebben we moeite mee. Daarvoor zijn we niet op aarde. Iets definitief afschrijven, dat voelt als een nederlaag. De dingen hebben voor ons altijd nog wel een zekere waarde. We hebben altijd nog wel een vaag gevoel dat er ergens in de wereld iemand op zoek is naar het ding dat dan toch met het vuil mee moet. Maar ja, als zo iemand in Lapland woont of in Patagonië dan houdt het een keer op. Dus is het goed om één keer per jaar over deze aarzelingen heen te stappen, diep in te ademen en dan, desnoods met de ogen dicht, zo maar iets weg te gooien. Dat gaat niet vanzelf, daar moet je een moment voor creëren. Welnu, dat moment valt bij ons eind juli en duurt zo’n week of twee. In die periode groeien ook onze meest fanatieke bewaarders toe naar hun eigen weggooimoment. Die voelen dan ook ineens dat een gezonde ademhaling gebaat is bij lucht. We scheppen ruimte en we scheppen lucht.

Dat gaat ten koste van onze winkeldochters. Het leven van een winkeldochter is altijd triest. Dat geldt in overtreffende trap voor het winkeldochterbestaan in een kringloopwinkel. Dan ben je al een keer gedumpt door je eerste bazinnetje, dan is je waarde al gedaald tot een fractie van de nieuwwaarde, dan zat je al een paar keer in de half-geldactie, en dan lig je daar nog steeds. Niemand die je wil. Dan ben je een winkeldochter van de kringloopwinkel. En dan komt eindjuli langzaam dichterbij. Het einde nadert. En dan beland je tenslotte in de bestelwagen van onze Jan voor je laatste reis naar de AVALEX.

Triest, maar er is weer wat ruimte gemaakt. Het offer is niet voor niets geweest. Er is ruimte gekomen voor nieuw spul op jaren. Wij kunnen weer spullen aannemen en uitstallen en onze klanten blij maken omdat ze nieuwe avonturen kunnen beleven in de winkel. Avonturen die soms zelfs kunnen eindigen in een wereldvondst die tijdens een uitzending van ‘Tussen Kunst en Kitsch’ bekend wordt gemaakt. En vervolgens groeien we langzaam maar zeker weer dicht. Meestal is alle ruimtewinst na een maandje wel weer verloren gegaan. De rest van het jaar moeten we dan weer happen naar het beetje lucht dat nog over is. Een soort luchtgevecht met beide benen op de grond. Is dat erg of vervelend? Nee, dat is een uitdaging. En we worden er nog rijk voor beloond ook. Want er is niets mooier en bevredigender dan anderen te kunnen helpen die dat beetje lucht in hun leven nog veel harder nodig hebben.

September 2011


Verliefd op een wonderding

Soms kun je er niet omheen en moet je toegeven dat je een dagje ouder wordt. Nog niet zo lang geleden zat ik met mijn vrouw op een terras van een heerlijke maaltijd te genieten. Voor wie het weten wil, het was bij ‘Tante Sjaan’ in Vierhouten. Een culinaire aanrader. Een tafel naast ons zat een stelletje dat elkaar nog niet zo lang kende en regelmatig even lichaamscontact zocht. Kortom, ze waren verliefd en konden niet van elkaar afblijven. Het eeuwenoude verhaal. Prachtig. Waar ze echter ook niet van af konden blijven, en dat was voor mij niet alleen nieuw maar ook wel onthutsend, waren hun smartphones. Die lagen als een soort bestek naast hun bord en werden geen minuut met rust gelaten. Er werd voortdurend op geloerd, soms samen naar dezelfde, soms elk naar zijn eigen mobieltje. Er was voortdurend contact met de rest van de wereld, al etend, knuffelend en babbelend. Even overwoog ik de mogelijkheid dat ze met elkaar aan het chatten en SMS-en waren, maar dat leek me wel een erg bizarre mogelijkheid. Maar ik kon het ook niet helemaal uitsluiten gezien de totale verslaving aan de wonderapparaatjes die ze toonden. Jongeren, maar de leeftijd schuift op, lijken behoorlijk verslingerd aan de schermpjes waarop ze iedere twee minuten even moeten checken of er nog iemand van hun 360 Facebook-vrienden of 13.000 Twitter-volgers is die aan ze heeft gedacht. Als je er op let zie je overal om je heen hetzelfde obsessieve gedrag. Ik heb intussen ook al mensen gezien die aan één iPhone of Blackberry niet genoeg hebben. Die staan permanent op twee schermpjes te loeren.

Ik weet echt wel dat deze superslimme alleskunners ook allerlei uiterst nuttige functies hebben. En dat is al lang niet meer alleen het telefoneren. Fotograferen en filmpjes maken is leuk en wordt veel gedaan, maar essentieel is toch dat je permanent en overal toegang hebt tot internet. En daarmee tot een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid informatie en tot allerlei sociale media die bedoeld zijn om voortdurend te bevestigen dat je geliefd, interessant en aantrekkelijk bent. Dat dit voor onzekere pubers heel verleidelijk is laat zich raden, maar in een tijd waarin iedereen het volwassen worden zo lang mogelijk probeert uit te stellen, vertonen ook oudere jongeren hetzelfde gedrag. Het eigenaardige en in mijn ogen ook wel zorgwekkende is natuurlijk dat deze permanente verbinding met de rest van de wereld via internet zeer ten koste gaat van de lijf-tot-lijf-contacten van mens tot mens.

Dat kleine mobieltje is, zonder dat we dat in de gaten hadden, zo geavanceerd geworden dat het steeds meer ons doen en laten gaat bepalen. Voor steeds meer mensen is het intussen een onmisbaar hulpmiddel geworden, een eerste levensbehoefte. En hoe snel is dit niet gegaan! En hoe snel zal het voortgaan? Ik denk dat het mobieltje alleen maar belangrijker gaat worden. We weten dat de thuiscomputer zijn langste tijd heeft gehad. Alles gebeurt straks op internet. Daar zit straks onze computer en daar slaan we onze gegevens op. En daar kunnen we dan alleen nog maar bij met dat wonderdingetje waar steeds meer mensen verliefd op zijn.

Juni 2011



Oefening van Geloof

Terwijl ik dit schrijf, kijk ik met een half oog naar de beelden uit de Westminster Abbey. Daar voltrekt zich een eeuwenoud ritueel in een eeuwenoud bouwwerk vol fraai geklede vrouwen. Er zijn ook mannen, maar alleen de mannen met eeuwenoude uniformen kunnen qua aandacht wedijveren met de dames. Mannen in eeuwenoude priestergewaden, spreuken die ontelbaar vaak zijn uitgesproken, en een bruid die wordt weggegeven door haar vader. Waarom vinden we dat mooi? Waarom vind ik dat mooi? Omdat we er in geloven. Willen geloven. Waarin? In het sprookje. In het ultieme geluk. En omdat we houvast nodig hebben. Omdat we niet kunnen leven in een wereld zonder structuur, zonder herkenning, zonder betekenis, zonder geheugen. Ik geef toe dat het allemaal erg heftig klinkt voor een kolommetje over onze kringloopwinkel, maar als de gelegenheid er is moet het toch maar weer gezegd worden. Natuurlijk weet ik ook wel dat de uren voorafgaand aan de plechtigheid voor veel genodigden een hel moeten zijn geweest. Je kunt je nauwelijks voorstellen wat er allemaal mis kan gaan tijdens de aanloop naar zo’n gebeurtenis waar de halve mensheid naar zit te kijken, inclusief RTL Boulevard. Denk aan al die kappers die hun zenuwen niet in bedwang hebben, aan de make-up die tot het laatste moment moet worden bijgewerkt, aan de nylons, panty’s en steunkousen die niet recht zitten, jeuken, verkleurd blijken of ladderen. De ontbijten die niet goed zijn gevallen, de losgesprongen knoopjes, de verdwenen broches, de spontane TIA’s, het bladderende goud, de opkomende kaakontsteking, de kriebelhoest, de bloeddruk en niet te vergeten de geknapte elastiekjes. Maar de elite heeft dat allemaal voor ons over en weet er mee om te gaan. Op het moment suprème, als de uitverkorenen voor het gewone volk hun opwachting maken, als alle camera’s zoemen, stralen ze. En stralen ze uit dat de wereld misschien snel verandert maar dat dat niet voor alles en iedereen geldt. Het volk hoeft niet te wanhopen, sommige dingen zullen het zelfde blijven. Sterker nog, sommige dingen zullen waardevoller worden naarmate ze langer het zelfde blijven. Het is een onuitgesproken contract: als jullie van ons blijven houden, zullen wij zorgen dat jullie dromen niet verstoord worden. Wij zullen zorgen voor stabiliteit en continuïteit. Wij zullen zorgen dat jullie ergens bijhoren wat jullie vertrouwd is.

Dit sociale contract is belangrijk. Morgen gaan we er in eigen land ook weer aan werken. Dan is het koninginnedag. Het is eigenlijk net als met Sinterklaas. Als je er in gelooft is het fantastisch, als je roept onzin, kinderbedrog, dan sta je al heel snel met lege handen. Of zoals Godfried Bomans ooit uitlegde over het spel dat gespeeld wordt tussen kelner en klant: als beiden dat spel verstaan, verhoogt het de feestvreugde, als vanuit een verkeerd soort flinkheid het theater verandert in onbeheerste botheid, is de betovering weg en hebben we alleen maar verliezers. Zonder spelregels kun je het wel vergeten. Maar de kunst is wel om er met zijn allen voor te zorgen dat de spelregels niet gaan knellen. Zo nu en dan mag er een elastiekje knappen.

Mei 2011


Bezieling

Het geloof dat niet alleen mensen, maar ook dieren, planten, ja alle dingen bezield zijn, komt in onze streken niet veel meer voor. Het Christendom moest er niets van hebben en heeft het idee stevig aangepakt. Elders in de wereld heeft dit zogenoemde animisme nog altijd veel aanhangers. Wij zijn nogal trots op ons moderne wereldbeeld waarin geen plaats meer is voor magie. Wij benaderen de dingen als dingen. Voor ons zijn ze zielloos, dood. Maar als je goed oplet dan gedragen we ons lang niet altijd conform onze rationele pretenties. En dat is ook een onmogelijke opgave. Wij zijn namelijk vooral emotie. Dat logische verstand mag zo nu en dan iets slims zeggen, maar als het er echt om gaat, heb je er weinig aan. En waar de emoties heersen, gedijt het animisme, de magie. Daarom geven we onze fiets een rotschop als hij op het verkeerde moment een lekke band heeft. Hij zal het voelen. We gooien onze laptop door het raam als er een belangrijk document verdwenen is. De schuldige moet gestraft worden. We zijn verliefd op een Jaguar E-type. Op de maalzolder horen we de molen krakend verhalen vertellen. De zee fluistert. De wolken zijn hemelcartoons. We omarmen de eik om zijn kracht te ontvangen. We slaan onze keu kapot als die trekstoot over drie banden net mislukt. We hebben op onze, vaak wat lompe manier, contact met de dingen als er emoties in het spel zijn. Als de dingen niet doen wat wij willen, of als ze ons ontroeren en uit de ellende helpen.

Er zijn ook mensen die beweren dat ze dingen, apparaten kunnen beïnvloeden, alleen door geestelijke inspanning. Als dat waar is, zou je kunnen zeggen dat onze geest direct contact maakt met de geest van het ding. Vermakelijk in dit verband zijn de wonderbaarlijke verhalen die over de beroemde theoretisch natuurkundige en Nobelprijswinnaar Wolfgang Pauli (1900 – 1958) de ronde deden. Als Pauli een laboratorium bezocht, ging er gegarandeerd van alles stuk, zonder dat de arme Wolfgang ook maar iets aanraakte. In de loop van de tijd kreeg dit verschijnsel zelfs een eigen naam: het pauli-effect. De collega’s van Pauli vertoonden allerlei bezwerend gedrag (bijgeloof) en in een aantal gevallen werd Pauli de toegang tot een lab zelfs geweigerd. En het aardige is dat Pauli er zelf ook in begon te geloven. Natuurkundigen zijn blijkbaar ook maar gewone mensen zijn. Een troostrijke gedachte.

Er is nog een andere manier waarop de dingen een ziel krijgen. Dat gebeurt als ze oud worden en geleefd hebben. Als ze een historie hebben. Als er verhalen aan kleven. Dingen beginnen hun bestaan meestal als een onbeschreven blad. In de loop van de tijd raken ze steeds meer verbonden met mensenlevens. Via die omweg krijgen ze een historische, vaak emotionele betekenis. En met die dingen staat onze kringloopwinkel vol. Dingen die er al een of meer levens op hebben zitten. Dingen met een verhaal. Ze hebben geen stem, maar ze kunnen wel vertellen. Als je ze liefdevol aanraakt en je verbeelding de ruimte geeft, komen de verhalen vanzelf bij je binnen. Zonder woorden. Van ziel naar ziel.

Maart 2011


Kringloopknuffel

Er zijn woorden waarvan de klank een relatie heeft met de betekenis. Voorbeeld: sissen. Of slurpen. Een slurper maakt een geluid dat klinkt als het woord slurpen. Taalkundigen noemen zo’n woord een onomatopee. Weer wat geleerd. Nog wat voorbeelden: fluisteren, gakken, gillen, knetteren, murmelen, piepen, plonzen, ritselen, tikken, tjilpen zoemen. De koekoek en de kieviet horen er natuurlijk ook bij.

Waar ik heen wil? Ik wil naar de knuffel en misschien wel naar de kringloopknuffel. De knuffel is volgens mij ook zo’n woordje dat zingt zoals het gebekt is. Je zou het eigenlijk eens moeten vragen aan een buitenlander: waar denk je aan bij het woord knuffel? Maar dan natuurlijk in het buitenlands. “Was verbinden sie mit dem holländisches Wort knuffel?” Duitsers hebben zelf het woord Knuddel, dus daar komen ze wel uit. De Engelsen kennen het woord cuddly. Een knuffelbeest is een cuddly animal. Klinkt heerlijk knuffelig, als je het mij vraagt. En wat te denken van de Fransen? Die hebben, zoals altijd, het mooiste knuffelwoord: nounour. 

Knuffels en knuffelbeesten zijn belangrijk. Belangrijker dan veel mensen denken. Knuffelen is belangrijk. Contact met iets levends. En als dat niet voor handen is, met iets dat in de buurt komt. Een knuffelbeer. John Naisbitt is een befaamde Amerikaanse toekomstonderzoeker. Hij voorspelde al in de jaren negentig een belangrijke trend die hij als volgt formuleerde: High tech, high touch. Daarmee bedoelde hij dat de behoefte aan contact met natuurlijke materialen en objecten belangrijker wordt naarmate de mens meer in een kunstmatige, door de techniek gedomineerde wereld terecht komt. Je moet de volwassen single-vrouwen de kost geven die nog steeds tussen hun kinderknuffels liggen. Hoe het bij mannen is, durf ik niet te zeggen. Zelf had ik als kleuter niet een knuffel maar een tod. Een morsige lap waar steeds meer geuren in samenkwamen en die ik in bed als een lijmsnuiver onder mijn neus hield. Toen ik een keer bij mijn oma logeerde is de tod in de wastobbe terechtgekomen. Dat was het einde van mijn tod- en knuffelhistorie. Ik was wel lange tijd van slag.

Bij de kringloopwinkel worden grote hoeveelheden knuffels aangeleverd. Ook hier is blijkbaar sprake van overconsumptie. Sommige kinderen hebben zoveel knuffels dat de stelling van Naibitt de andere kant op gaat werken. Als die naar bed gaan is het alsof ze in het ballenbad van Ikea verdwijnen.

Veel knuffels hebben recht op een tweede leven waarin ze de aandacht krijgen die ze, door de overdaad, in hun eerste leven moesten missen. Dat tweede leven mag kort en intens zijn. Het gaat om de aandacht. Bijvoorbeeld van de teckels van onze Bep.

Een mooi toeval is dat wij de komende jaren Antoinette Thermoshuizen gaan helpen met de bouw van een snoezelruimte in Bangladesh. Om de motoriek van gehandicapte kinderen te verbeteren. Snoezelen, ook zo’n onomatopee.

Februari 2011


Het Jaar van het Konijn

Er is dit jaar in ons land voor 68 miljoen euro aan vuurwerk afgestoken. En uit pure vreugde is er verder voor een onbekend bedrag aan vernielingen aangericht. Kortom, blijheid alom. Een feest dat we niet graag zouden willen missen. Wat ik me soms wel eens afvraag, is wat al die blije mensen nou precies vieren. Opluchting dat ze weer een jaar zonder al te veel kleerscheuren de crisis zijn doorgekomen? Dankbaarheid misschien voor al het goeds dat hen dat jaar ten deel is gevallen? Opwinding wellicht vanwege de nieuwe kansen die het nieuwe jaar ongetwijfeld gaat bieden? Als je er goed over nadenkt is er nogal wat te vieren. Dan is 68 miljoen bijna een schijntje. Maar soms, in een sombere bui, bekruipt mij wel eens de gedachte dat al dat gesis, gespetter en geknal niet veel meer is dan een wanhopige poging om de leegheid van ons bestaan te camoufleren. Zoals op house-feesten en dance-parties de snoeiharde beats ons eerder verdoven dan opwekken. Als je maar genoeg herrie maakt, hoef je niet te praten en als je niet hoeft te praten hoef je niet na te denken en als je niet hoeft na te denken ben je gelukkig. Het gaat niet meer om de inhoud, het gaat alleen nog om de vorm. Onze feesten raken steeds meer losgezongen van hun betekenis. Daarom maakt het ook niets uit als we bijvoorbeeld het Pinksterfeest inruilen voor het Suikerfeest. De keukenshows worden echt niet anders.

Onze grote feesten worden langzaam maar zeker gereduceerd tot commerciële ankerplaatsen. Zo’n beetje als bij de omroepen. Bij de publieke omroep maken de reclames de programma’s mogelijk, bij de commerciële omroepen is het net andersom. Zo gaat het ook met onze feesten omdat we niet meer geïnteresseerd zijn in de inhoud.

Het vuurwerk hebben we ooit uit China meegenomen. Het is interessant om te zien hoe de Chinezen de jaarwisseling beleven. De kringloop van de tijd. De kringloop van de aarde om de zon en van de maan om de aarde. Het Chinese nieuwe jaar begint op de tweede nieuwe maan na de zonnewende. Een mooi ouderwets woord: zonnewende. Het belangrijke moment dat de zon ‘terugkomt’ van haar reis naar het Zuiden. Het moment dat de dagen weer gaan lengen, 21 december. Het nieuwe jaar wordt Yin of Yang, een van de vijf elementen staat centraal en er wordt een van de twaalf dieren uit de Chinese dierenriem aan gekoppeld: Rat, Os, Tijger, Konijn, Draak, Slang, Paard, Schaap, Aap, Haan, Hond en Varken. 2011 wordt het jaar van het Konijn. Over twaalf jaar komt het Konijn terug. Je kunt het middeleeuws bijgeloof noemen, je kunt het ook symboliek noemen. Dat klinkt al weer wat positiever. Je kunt er in ieder geval een verhaal aan ophangen, waarvan de inhoud verder gaat dan het aantal decibels en uitgebrande auto’s. De beste wensen voor het nieuwe jaar. Zonder mijn jeugdheld Coen Moulijn, dat wel.

Januari 2011