MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0137

Kort verhaal, 12 september 2021



Op Zicht - In Schrift

Ik heb de laatste tijd heel wat afgebespiegeld. Ja, dat lees je goed. Talrijke “dingetjes” uit de vedergewichtklasse vroegen bij voortduring om mijn aandacht. Het ene “dingetje” was nog niet vertrokken of het volgende klopte al weer op mijn deur. Er dreigde chagrijn maar juist op tijd bedacht ik dat veel “dingetjes” samen een flink “ding” kunnen worden, sterker nog, niet zelden is het geheel meer dan de som der delen.


Universum


Het heelal is de som van alle delen. Sinds kort zijn we serieus op zoek naar een antwoord op de vraag of wij, bewoners van een nietig hemellichaampje, ergens in de onmetelijke wereldruimte, “verwanten” hebben die met dezelfde vraag worstelen. Hoe uniek zijn wij als intelligente levensvorm die zoveel over heeft voor het antwoord op die vraag? Is het heelal meer dan de som der delen Ongetwijfeld. Wij zijn per definitie (een deel van) het universele brein. Als wij nadenken over het universum dan denkt het universum na over zichzelf. En naarmate wij, en onze verwanten elders in de ruimte, meer te weten komen over natuurwetten en evolutieprocessen, betekent dat dat het universum zichzelf beter leert kennen. De vraag is wel of het universum in staat is met die kennis zijn voordeel te doen. En zijn voordeel hoeft nog niet ons voordeel te zijn…

Kop op, hield mijn vader mij al vroeg voor. Niet om mij moed in te praten. Het was mijn lichaamshouding die hem zorgen baarde. De extreme lengte van mijn bovenlichaam deed mij ongewild voorover hellen. Mijn vader voorzag dat het hellen op termijn wel eens op vallen zou kunnen uitdraaien. Kop op kerel, zie de wereld onder ogen. Kijk omhoog naar de sterren. Straks moet je nog gaan liggen om ze te kunnen zien. Ik dacht aan Sammie. Nu denk ik aan mijn mogelijkheden om overeind te blijven in een tijd dat velen samenspannen om de kleurloze medemens pootje te lichten.

Dat lange bovenlijf zou kunnen wijzen op het voorkomen van een extra wervel. Dat kan. Een goede vriend van me werd een enkele keren tevergeefs aan zijn hernia geopereerd. Totdat een slimme chirurg erachter kwam dat zijn collega’s een paar maal “verkeerd hadden geteld” met als gevolg dat ze bij de verkeerde wervel begonnen waren met snijden…

In strips zag je wel eens iemand liggen die op voorgaand plaatje een knal voor zijn kop had gehad. Boven het uitgetelde hoofd hingen dan sterretjes. Maar dat bedoelde mijn vader niet. Hij wist dat ik gefascineerd was door de oneindige wereldruimte. Het was voor mij een geruststelling toen ik in een oud sterrenkundeboek een plaatje zag van een astronoom die op een stretcher liggend door zijn enorme telescoop tuurde. De kijkerbuis priemend door de sleuf van de geopende waarnemingskoepel. Het kon dus ook liggend. Misschien moest het wel liggend. Wel in de kou. Liefst boven op een berg waar de lucht ijl en koel is. Winterkleding. Vooral geen petroleumkacheltje naast de stretcher. Dat zou de telescoop kunnen vervormen. Tegenwoordig worden die enorme instrumenten door de computer op een interessant object gericht. De astronoom van dienst krijgt in t-shirt de plaatjes in zijn behagelijke werkkamer op zijn beeldscherm, waar ook ter wereld. Hij hoeft alleen maar voor zich uit te kijken.


Schriftjes

De dag kruipt weg achter de horizon. De hop, een mooie vliegende sloddervos die niet toevallig de bijnaam drekhaan heeft gekregen, hipt niet meer en laat zich niet meer horen. Hij heeft weer een dag lang de hoge muren van het Fortresse de Chinon afgestroopt op zoek naar lekkers. Ik zit in de buurt van de imposante burcht op de omloop van een mooie woning op een mooie plek in Frankrijk. Eigendom van een goede vriend die ook een dagje ouder wordt en ons gezelschap op prijs stelt. Met mijn voeten op de balustrade laat ik de schemering op me af komen. Op mijn knieën een schoolschrift, ’s middags aangeschaft bij de lokale Aldi.

Ik viel weer eens voor de verleiding. Een pakje van drie schoolschriften, Franse schoolschriften. Niets is meer schriftopwekkend dan een onbeschreven blad. De Franse schoolschriften hebben het karakter van een kasboek. Vakjes en lijntjes die je ongemerkt op sleeptouw nemen.

Met opgeheven hoofd schrijven? Daar word je volgens mij geen goede schrijver van. Pas als ik het hoofd laat hangen kan ik zien hoe de Stabilo point 88, fine 0,4, ook van de Aldi, in het Aldi-schriftje van vakje naar vakje beweegt. Ik was het toetsenbord even zat. Lekker schrijven in een Frans schriftje met de voeten op een Franse balustrade. Een gelukzalige ervaring. Het schrijfwonder kwam snel op gang. Mijn letterbeeld was nog redelijk stabiel. De gedachten en invallen lijken te genieten van hun vrije uitloop.

Ik heb in de loop van de tijd veel schoolschriftensetjes aangeschaft. In de meeste heb ik enkele bladzijden volgeschreven. Meestal drie, soms vier. Dan is voor mij de ban van de onweerstaanbare maagdelijkheid gebroken en kruip ik maar weer achter het toetsenbord. Ik beken dat het een symptoom van karakterzwakte is. Thuis, op mijn zolderse werkplek, ben ik omringd door schriftjes met aanzetjes en opzetjes. Ik benijd mijn biograaf geenszins. Het zal een heel gepuzzel worden om al die kronkels recht te trekken.

De tekstverwerker heeft een radicale invloed gehad op de manier waarop wij tegenwoordig tot een min of meer samenhangend betoog komen. De productiviteit ging omhoog. Zeker. En toen ook de vervaardiging van een brochure, bundel of boek emancipeerde, was het hek echt van de dam. In schrijverskringen gaat de weinig opwekkende verzuchting rond dat er tegenwoordig meer schrijvers dan lezers zijn. Als iedere schrijver gemiddeld vijftig zelfbetaalde boeken aan de man weet te brengen, al is het maar in geschenkvorm, dan komen we waarschijnlijk aan respectabele jaarcijfers, maar het zijn wel vreemde cijfers gebaseerd op een homeopathische auteursverdunning. Schrijven is misschien soms een leuke bezigheid maar het leidt vroeg of laat wel tot weinig opwekkende existentiële vragen.


Waartoe op Aarde?

“Waartoe zijn wij op Aarde”, zo luidde de eerste vraag van de catechismus, die wij, uiteraard met het correcte antwoord, in onze jeugd geacht werden uit het hoofd te kennen. Het juiste antwoord op die eerste vraag luidde: “Om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn”. Helder. Eén Boek was voldoende. En dat was al lang geleden geschreven. Een wat saaie situatie, dat wel. Zelf god worden, al was het maar in het diepst van je gedachten, dat bleef een onweerstaanbare optie. Zelfs na een paar stevige waarschuwingen in Het Boek, de Heilige Schrift. In het Paradijs ging het direct al mis. Eerder zelfs, toen een groep streberige engelen een greep naar de macht deed. Ook de Toren van Babel ontsnapte niet aan de Goddelijke afkeuring, maar er ontstond wel een nieuwe markt voor vertalers. Het Gouden Kalf, ook zo’n dingetje. We pronken er nu mee maar dat komt omdat we onze klassieken niet kennen.

Het Opperwezen kon onze gedachten lezen. We hoefden ze niet aan het papier toe te vertrouwen. Niet eens hardop te verwoorden. Maar denk nu niet dat we intussen bevrijd zijn van dat almachtige, alwetende Opperwezen. Het oude Opperwezen was misschien fictie, het nieuwe zeker niet. We zijn op weg naar een wereld waarin onze gedachten niet alleen steeds subtieler gemanipuleerd worden, maar waarin men (?) ze ook kan uitlezen. Wat nou, privacy! En de argumenten zijn zoals steeds zeer hoogstaand en onweerspreekbaar. Het is toch geweldig als mensen die hun gedachten niet meer kunnen uiten, met ons kunnen communiceren? Ja.


Tekstverwerking

Laten we maar snel terugkeren naar de vraag of de beschikbaarheid van tekstverwerkers, printing-on-demand en alle andere vormen van computersteun, gepaard zijn gegaan met kwaliteitswinst. Meer competitie en meer goede boeken? Ik heb mijn twijfels. Uitgevers worden bedolven onder manuscripten, moeten ook leven, en kiezen niet zelden voor de veilige weg: kookboek, biografie wielrenner of vertaling buitenlandse bestseller. Begrijpelijk. Maar intussen zit de uitgeefwereld al net zo op slot als de huizenmarkt.

Ik heb de overgang van papier naar beeldscherm van nabij meegemaakt. Wie in het analoge tijdperk een tekst wilde of moest creëren, begon met nadenken over de inhoud en de compositie. Wat is de boodschap en hoe bouw ik het betoog op? Gelegenheid om eindeloos te “pielen” was er niet. De handgeschreven of uitgetikte tekst ging naar een secretaresse of een typiste die er iets leesbaars van maakte. Versie 1 ging terug naar de auteur die er nog eens stevig mee aan de slag ging (de kunst van de correctietekens!) waarna de dame achter de typemachine voor de definitieve tekst zorgde.

Met de komst van tekstverwrkingsprogramma’s ging het schrijversleven er ineens geheel anders uitzien. Je begon gewoon een aardig idee uit te werken, bedacht een vervolg of een aanloop, gooide de zaak om, knipte en plakte, en frommelde er zo hier en daar wat tussen aan nieuwe vondsten en nieuwe inzichten. Spellen, vertalen, het werd allemaal op een dienblad aangereikt. Wie dit leest ziet met eigen ogen wat daar van komt.

Maar kunstmatige intelligentie is ook intelligentie die door het groeiende heelalbrein in dank wordt aanvaard. Karakteristiek is ook dat de moderne schrijver de neiging heeft om bij iedere volgende werksessie weer te beginnen met het oppoetsen van het reeds geproduceerde. De tekstverwerker lijkt zich te verzetten tegen een werkwijze waarbij eerst een complete, ruwe versie wordt geproduceerd om daar vervolgens mee aan de slag te gaan. Het vergroot de kans dat er nooit een afgeronde versie verschijnt.

Ik sprak hiervoor van heelalbrein. Het brengt me op een van de meest fascinerende ideeën die ik ooit ben tegengekomen: “Boltzmann Brains”. Als je klikt kom je in een vrij technisch, filosofisch verhaal terecht. Misschien is het beter om maar gewoon verder te lezen.


Pen en Papier

Nog even over het schrijven als activiteit. Het fysiek scheppen van een tekst met pen (of potlood) en papier (vaak een schriftje) activeert op een geheel eigen wijze het brein. Ouderwets schrijven is een daad, in drie dimensies. Een ambacht dat op verschillende niveaus vaardigheid vereist. Schrijven in een schrift heeft veel voordelen boven het werken met een tekstverwerker. Het geeft het schrijven handen en voeten, ook in het brein. Alleen al het fysieke overzicht. Bladeren. Vergelijk het maar met de introductie in de jaren tachtig van de digitale klok van onze Japanse vrienden met zijn verspringende cijfers. Het leek de ondergang te worden van de klassieke uurwerkindustrie waar Zwitserland wereldfaam mee had verworven. Maar ziet, de analoge mens wilde er niet aan. Een cijferplaat met wijzers bood hem zoveel meer, impliciete, informatie. We zien hetzelfde gebeuren met de e-Reader. Een prachtig concept. High-tech. Handig. Maar er ontbreekt iets aan. Het voelt niet lekker. Ja, de computer kan natuurlijk ook gewoon voorlezen. Maar wat raken we dan kwijt?

In de afgelopen decennia hebben we ons laten meeslepen door de technologische rattenvangers. Waarom kinderen nog leren reken, lezen en schrijven, sinds mensenheugenis de essentie van het onderwijs? Zo’n 35 jaar geleden besloot de juf van groep 8, waartoe ook mijn dochter behoorde, weer schrijfles te gaan geven. De leerlingen waren op weg naar de puberteit hun schrijfvaardigheid vrijwel compleet kwijtgeraakt. Mentale erosie door gebrek aan praktiseren. Ze hadden bijna allemaal een soort van individueel beeldschrift ontwikkeld waar met veel moeite letters en woorden in waren te ontdekken. Dat schrijven ook nog eens heel goed is voor de ontwikkeling van de fijne motoriek is in zo’n ontwikkeling niet meer dan een terzijde. Maar wel belangrijk!


Chinon

De contouren van de Burcht van Chinon, gefotografeerd vanaf ons "vakantiehuis", waar op 4 februari 1429 Jeanne d'Arc haar opwachting maakt.

Weten jullie nog hoe ik op de omloop van de woning in Chinon, met de voeten op de balustrade en met gebogen hoofd, en met een schrift van de Aldi op mijn knieën in een schemertoestand verzonk. Ik schreef en ik zag het gebeuren. Een beetje oplichten van het hoofd bracht onder me een zwembadje in beeld gevolgd door de zondempende tuin. Rechts onstuitbaar opschietend bamboe dat onlangs was geplant om een afscheiding te creëren. Daar doet bamboe graag aan mee onder het motto “ergens bamboe overal bamboe”. En de ruimte-tijdaanvulling: “eenmaal bamboe, altijd bamboe”. Bamboe, ooit een geschenk voor de visliefhebber. Maar die wil tegenwoordig een klein dingetje met een molentje en bamboe is groot en groeit op zonder molentje. De vooruitgang heeft de bamboe teruggeworpen op zijn elementaire functie in het universum: de vermenigvuldiging.

Naar links draaiend verschijnt een andere afscheidingsoptie: een ijzeren hekwerk dat “ons” territorium scheidt van dat van de burgemeester van Chinon. Afpalen en begrenzen, we hebben het door schade en schande geleerd. Langs het hek staan op enige afstand kleine rozenstruikjes die over enige tijd het weinig opwindende hek moeten verbergen achter een behang van fraai verpakte doornen.

Links in de hoek van het perceel de oude ceder die ik al eens eerder bevrijd heb van een wurgende klimopaanval. Het is al lang moeders mooiste niet meer, maar wie ben ik om hem om zijn stakige uiterlijk te beschimpen. Talrijk zijn de zijtakken die in de loop van de tijd zijn bezweken onder de last van storm, naalden, ijs en andere vormen van overbelasting. We hebben hem een paar dagen geleden weer eens verlost van lokaal ondraaglijk lijden door dor hout weg te halen. Brandstof voor de open haard mits op maat gezaagd. Mijn goede vriend had daar een nuttig hulpmiddel voor: een motorzaag. Terwijl hij enkele dagen luid vloekend bezig was het monster aan het ronken te krijgen, met forse maar vergeefse rukken aan een kabel, zaagde ik de cederdelen met de hand in moten. Een forse klus (een zaag die heel snel vastliep zodat ik met wiggen moest gaan werken) waarbij ik voortdurend vreesde dat de motorzaag toch nog een keer aan zou schieten, quod non, wat mijn handwerk in een klap onbezonnen gemaakt zou hebben. Gelukkig voor mij bleef het motortje voortdurend verzuipen. Het bleef trekken aan een dood paard. Elementaire techniek had gewonnen. Maar voor hoe lang?

Achter de oude cypres gaat het terrein stapsgewijs omlaag richting het dal van de Vienne, een zijrivier van de Loire. Het beeld wordt nu bepaald door wijngaarden die aan de basis staan van de veelgeprezen Chinonwijn. Helaas zag die basis er dit jaar niet erg florissant uit. Water was geen probleem geweest, zon wel. Kleine druifjes, een soort jeneverbessen, waar weinig uit te persen valt. Maar regels zijn regels. In de klassieke wijncultuur moet de natuur zijn loop hebben. Geen manipulatie in kassen of fabrieken. Niet vals spelen. Niet bijmengen. Geen massaproduct met vooraf gedefinieerde kenmerken. Ieder jaar anders. Ieder jaar weer hopen en bidden.

De burcht van Chinon, gezien vanaf de overzijde van een weinig watervoerende Vienne.

Achter de bomen gaat de oude stad Chinon schuil.



Jeanne d'Arc

Chinon ligt aan de Vienne. Het stadje wordt gedomineerd door een burcht met een historie. Vanuit “ons huis” zien we de noordkant van de machtige ommuring, zo’n 500 meter verderop. Boven alles uit prijkt de klokkentoren. Het imposante bouwwerk neemt een bijzondere plaats in in de Franse geschiedenis en is verbonden met de naam van Jeanne d’Arc.

Jeanne d’Arc werd rond 1412 geboren in een klein plaatsje in Lotharingen. Zij eindigde haar opmerkelijke, negentienjarige leven op de brandstapel. We zitten dan in de laatste fase van de Honderdjarige Oorlog (1337 -1453), de strijd om de Franse kroon tussen de huizen van Valois (Frans) en Anjou (Engels). Als Jeanne zich meldt bij de Franse kroonprins Karel VII, die zich heeft teruggetrokken in Chinon, hebben de Engelsen met behulp van hun bondgenoten de Bourgondiërs een groot deel van Noord-Frankrijk in handen gekregen. Het ziet er niet goed uit voor de rest van het land.

De ontmoeting tussen Jeanne d’Arc en Karel VII was van cruciaal belang voor de geschiedenis van Frankrijk. Karel had de hoop op het heroveren van zijn troon op de Engelsen vrijwel opgegeven. Jeanne hoort sinds haar tiende stemmen die haar vertellen dat ze Frankrijk moet redden. Ze besluit om Karel VII haar diensten aan te bieden.

Op 2 februari 1429, ze is dan 17 jaar, komt Jeanne aan in Chinon. Twee dagen later wordt ze door de kroonprins ontvangen. Jeanne kondigt vier gebeurtenissen aan: de bevrijding van Orléans, de kroning van Karel in Reims, de bevrijding van Parijs en de vrijlating van de hertog van Orléans die bij Azincourt was gevangengenomen door de Engelsen. Hierop wordt Jeanne door de kroonprins naar Poitiers gestuurd voor een onderzoek naar haar fysieke en psychische gesteldheid. De geleerden zijn zeer lovend. Het charismatische, jonge meisje krijgt een leidinggevende rol in de krijgsmacht. Het leger krijgt weer zelfvertrouwen. Orleans wordt bevrijdt en niet lang daarna wordt Karel VII op 17 juli 1429 in de kathedraal van Reims tot koning van Frankrijk gekroond. In aanwezigheid van Jeanne d’Arc.

Daarna krijgt het succesverhaal een heel akelige wending. De verwikkelingen waarin Jeanne terechtkomt, zijn niet in enkele woorden samen te vatten. De Bourgondiërs nemen haar gevangen en “verkopen” haar aan de Engelsen. Ze wordt door de Inquisitie berecht en schuldig bevonden. Jeanne wordt neergezet als een schismatieke, afvallige, leugenares, zienster, verdachte van ketterij en godslaster. Haar visioenen worden afgedaan als falsificaties, “omdat Jeanne niet is aangekondigd in de heilige schrift en omdat ze geen wonderen heeft verricht”. De enige “zonde” die haar echt kan worden aangerekend is het dragen van mannenkleding.

Op 29 mei wordt Jeanne tot ketter verklaard en een dag later in Rouen levend verbrand.

De Honderjarige Oorlog bleek later het startpunt te zijn van eeuwenlang wantrouwen en haat tussen Frankrijk en Engeland.

In 1909 wordt Jeanne d’Arc zalig en elf jaar later (1920) heilig verklaard. De Kerk had veel goed te maken! Overigens had paus Calixtus III het vonnis al in 1456 nietig verklaard.

Jeanne d’Arc geldt in Frankrijk als nationale held. Haar feestdag wordt jaarlijks gevierd op 30 mei.


Tankdenk

1918. WO I. De FT17. Vroeg tankmodel van Renault.


Ik hoop dat jullie het me niet kwalijk hebben genomen dat ik even wat langer stil ben blijven staan bij het wonderbaarlijke verhaal van Jeanne d’Arc. Zelfs in het vredige, bijna slapende stadje Chinon is de oorlog steeds voelbaar. Want de Honderdjarige Oorlog was niet de laatste oorlog waar Frankrijk in terecht kwam. Na het gedonder met de Engelsen werd ook de relatie met de Duitsers bij tijd en wijle problematisch. In het naburige Saumur is in het Musée des Blindés te zien waar dat zoal toe kan leiden. Het kostte nog even moeite om te achterhalen dat het hier een tankmuseum betreft. En niet zomaar eentje. De verzameling is enorm, de grootste ter wereld. En dan te bedenken dat een tank niet een echt handzaam verzamelobject is. Maar in Saumur staan ze zo’n beetje allemaal, te beginnen met de eerste generatie ondingen uit de Eerste Wereldoorlog, die tot aan het uitbreken van de Tweede De Grote Oorlog werd genoemd.

Gedonder tussen Frankrijk en Duitsland met als aanleiding het bezit van Elzas-Lotharingen, de streek van Jeanne d’Arc (maar dit terzijde). Historisch gezien eerder een streek met Duitse dan met Frans wortels. Maar de Fransen wisten in de loop van de 17de en 18de eeuw hun grondgebied steeds verder oostwaarts tot aan de Rijn uit te breiden. In de 19de eeuw werd Duitsland sterker en in 1870 sloeg de vlam in de pan: de Frans-Duitse Oorlog met een voor Frankrijk desastreuze afloop. Resultaat: Elzas-Lotharingen werd Duits. De Fransen zonnen op wraak. In 1914 moest het gebeuren. En het gebeurde ook, maar er was wel een wereldoorlog voor nodig. Het gebied werd weer Frans. Nu lag het revanchisme bij de Duitsers. In 1940 pakten ze het grensgebied weer terug. Maar ook nu trokken ze uiteindelijk aan het kortste eind. Een opmerkelijk relikwie van het eeuwenlange, wederzijdse landjepik is het besluit om het Europese Parlement eens per maand in Straatsburg te laten vergaderen. Met als consequentie een bizarre verhuizing vanuit Brussel. En dat alles om de lieve vrede. Iedereen wil van het verhuiscircus af. Behalve de Fransen…


Tijdschrift




Als we in Chinon zijn, benut ik de gelegenheid altijd om even rond te neuzen in een boekhandeltje aan de kade van de Vienne. Een groot land heeft meer armslag om interessante tijdschriften uit te geven dan een klein land. En dat geldt in de overtreffende trap voor tijdschriften over de historie, de oorlogen (en ook over wetenschap en techniek). Ik ga altijd weer met een stapeltje naar huis. Dit keer: L’Histoire des Vikings (die in weinig gelijken op de superfeminiene Scandinaviërs van tegenwoordig), Archives de la Guerre Mondiale (de Tweede). Nr. 37, en Les Enigmes de l’Univers. Na een bezoek aan de naburige Emmaus Communiteit, voor mij als voorzitter van onze Nootdorpse Kringloopwinkel een “Guilty Pleasure”, kon ik aan mijn stapeltje Frans leesvoer een interessante Franse studie over de Tempeliers tijdens de Kruistochten, ook niet echt een rustige periode, toevoegen. Ik had voor alle zekerheid uit Holland al twee boeken meegenomen die ik in Putten op de kop had getikt. Daar bleek een paar maanden geleden een mooie winkel met tweedehands boeken te zijn geopend bedoeld om inkomsten te genereren voor de Historische Vereniging Putten. Jammer dat Martin Ros, die in Putten woonde, dat niet meer heeft meegemaakt. Een prachtige uitgave van Robinson Crusoë van G.B. van Goor Zonen, volgens een inscriptie ooit eigendom van Dick de Groot, 1935. Eén van mijn lievelingsboeken waarvan ik vrees dat het op de lijst van verboden boeken zal komen als de Woke-Community eenmaal van de inhoud kennis heeft genomen.

Misschien nog aardig om toe te voegen dat ik in dezelfde Puttense winkel ook een boek over een eigentijdse Robinson Crusoë aantrof. Een fotoboek van Brand Overeem met tekst van Bert Paasman gewijd aan het leven van Evert Bouw uit Voorthuizen. Een van de talrijke door Overeem in de loop der jaren vereeuwigde kleurrijke bewoners van de Veluwe. Ook Evert Bouw was, gelijk Robinson Crusoë, in staat zich als alleenstaande boer zeventig jaar lang in leven te houden met de opbrengst van zijn stukje land, met enkele eenvoudige hulpmiddelen en met een bewonderenswaardige levenslust en ijver. Zijn technische vernuft maakte het hem mogelijk om zonder elektrische apparaten en motoren zijn boerenbedrijf draaiend te houden.

Ook Een Geschiedenis van Propria Cures, 1890 – 1990 (Lucas Ligtenberg en Bob Polak) zat in de bagage voor Chinon. Cultuurhistorie van een rebellenclub en hun Amsterdamse studentenblad. Heerlijk. De vonken spatten er nog steeds vanaf. Van al die schenen waar zo ongenadig hard tegenaan is geschopt. Ik hoop dat het archief brand- en kogelvrij is. Het was namelijk een uiting van een woke-vrije academische wereld. Pijnlijk maar verfrissend. Een wereld die in deze tijd aan alle kanten wordt bedreigd, ik zeg het nog maar eens. Ook zo’n “dingetje”, dat ik in een iets andere uitvoering in de jaren zestig van nabij heb meegemaakt: de gedachtenpolitie van extreemlinkse en anarchistische jongeren, de zelfverklaarde redders van de wereld. De zelfverklaarde autoriteiten die hun docenten en verder alles wat riekte naar gezag achteloos opzij schoven. Misschien met uitzondering van Karl, Mao en Fidel, maar daar noem ik er ook wel een paar zeg. Dus eigenlijk niets nieuws onder de zon. Maar we weten ook dat de historie zich nooit exact herhaalt. Voor een schrijver misschien wel een troostrijke gedachte. Laten we de ontwikkeling van het mensdom voorlopig maar houden op een Processie van Echternach. Die komt wel degelijk vooruit.


Espunt, 12 september 2021