MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0498


Het Oostlandmysterie, feuilleton in 10 afleveringen (2016)

Als jong en ambitieus literair genootschap ben je voortdurend op zoek naar manieren om in de publiciteit te geraken. In de loop van 2016 kwamen wij tot de conclusie dat een feuilleton in onze lokale huis-aan-huisbladen, de Telstar in Pijnacker-Nootdorp en De Heraut in Lansingerland, onze naam voor eens en voor altijd zou vestigen in deze regio.

Te lang al hadden de kranten volgens ons het feuilleton verwaarloosd. En dan hoeft het ook niet te verbazen dat andere media er met de buit vandoor gaan. Zoals de radio met haar podcasts en de videomedia met hun verslavende series. We moesten opschieten maar het was volgens ons nog niet te laat.

Twee lokale media: De Heraut en de Telstar zagen wel wat in het plan. Ze zouden synchroon opereren om te voorkomen dat er verwarring zou ontstaan over de vorderingen van het drama. Helaas raakte na een aantal afleveringen de administratie van de Telstar van slag zodat De Heraut een aflevering voor kwam te liggen. Gelukkig heeft dat weinig abonnees gekost ook al omdat beide periodieken gratis worden verspreid.

Om het onszelf en daarmee ook de lezer niet al te makkelijk te maken, bedachten we dat we het tiendelige feuilleton door tien schrijfers moesten laten componeren. Op zich al een uitdaging, maar we gingen nog een flinke stap verder. We zouden zonder een  richtinggevend scenario gaan werken. Iedere volgende auteur moest dus maar afwachten wat zijn voorgangers hadden geproduceerd. Onze hoop was dat er na enkele afelveringen een soort convergentie in het verhaal zou ontstaan als gevolg van een dwingend verloop van het verhaal (dat een mysterie moest onthullen; de titel van het geheel was het enige element dat vooraf vastlag).

De eerste schrijver was Theo Akse en van hem werd verwacht dat hij een heldere richting in zou slaan. Die richting zal hij ongetwijfeld in zijn hoofd hebben gehad, maar hij had maar 500 woorden voor een aanzet eindigend in een cliffhanger. De volgende auteur, in dit geval ondergetekende, moest met die 500 woorden verder, etc., etc. Ruggespraak met Theo, laat staan met mijn opvolger, in dit geval Sybren van Wayenburg, was volstrekt uit den boze.

Het zal de lezer niet verbazen dat dit tot verrassende wendingen in het verhaal leidde. Eerlijk gezegd had niemand er nog enig vertrouwen in dat het Dirk Langstraat, de slotschrijver, nog zou lukken de losse eindjes op een geloofwaardige manier aan elkaar te knopen. Ik zou zeggen, voldoende prikkels om aan het lezen te gaan. Veel plezier!





Het Oostlandmysterie

Een feuilleton van Oostland Literair in tien afleveringen


26 oktober 2016 

Het Oostlandmysterie, deel 1

Theo Akse

De koster schoot overeind. Slaapdronken luisterde hij of hij het niet gedroomd had, maar hij hoorde toch duidelijk een klok luiden. En het was onmiskenbaar de klok van zíjn kerk! Verward keek hij naar de rood oplichtende cijfertjes van zijn wekker. Twee uur veertien! Hij kon zijn oren en ogen niet geloven. In het holst van de nacht luidde zijn klok.
‘Wakker worden, vrouw. Hoor toch eens. De klok luidt, de klok luidt!’
Zijn vrouw mompelde iets onverstaanbaars maar was te diep in slaap. De koster sprong uit bed, trok kleding van de vorige avond over zijn pyjama aan en stoof de trap af. Op kousen en zonder jas rende hij de koude nacht in langs de Kunstbreak de Wilhelminastraat op. De klok bleef onverstoorbaar luiden door de uitgestorven straten van Berkel en Rodenrijs.
Bij de achterdeur van de hervormde kerk gekomen, graaide de koster een sleutel uit zijn broekzak. Voor zijn gevoel duurde het opendraaien eindeloos, terwijl hij zich bleef afvragen welke idioot aan het touw stond te trekken.
Binnengekomen rende hij door de zaalkerk naar de torenhal. Op dat moment werd het geluid plotseling minder. Toen hij in de hal kwam, knipte hij het licht aan en keek verbaasd om zich heen. Het touw hing los uit het touwgat, zwierde nog na, maar er was niemand te zien. Hij begreep er niets van. Tot een minuut geleden had iemand hier aan het klokkentouw gehangen.
De koster voelde eerst aan de deur van de torentrap en toen aan de buitendeur. Beide op slot. Hij opende de buitendeur en schrok toen hij recht in de ogen van een politieagent keek met een vervaarlijke snor.
‘Wat bent u hier aan het doen?’ vroeg de agent onmiddellijk.
‘Ik niks! Ik ben de koster. Eén of andere onverlaat was de klok aan het luiden en toen ben ik poolshoogte gaan nemen.’
‘Zo. En waar is die onverlaat dan wel?’
‘Dat weet ik niet. Ik kwam zojuist binnen en er was niemand. En alle deuren waren op slot.’
De agent keek hem peinzend aan.
‘Vreemd. Bij ons kwamen om tien over twee vijf meldingen tegelijk binnen. Gelui van kerkklokken, niet alleen hier in Berkel maar ook in Bleiswijk, Bergschenhoek, Nootdorp en Pijnacker.’
De koster keek verrast.
‘En daar ook alles op slot en niemand te bekennen?’
‘Afgesloten weet ik niet, maar er is niemand aangehouden.’
‘Het is een mysterie. Overal in Oostland, midden in de nacht, kerkklokken die …’
Terwijl hij dat zei viel het oog van de koster op iets wat aan de lege kapstok hing. Hij haalde de puntige muts van de haak, bekeek deze en werd toen lijkbleek.
‘Agent, k-k-kijk! Dat symbool op de rand, dat, dat, dat is…’


9 november 2016

Het Oostlandmysterie, deel 2

 Gerard van de Schootbrugge

In tegenstelling tot de koster liet de ervaren agent zich niet meeslepen door zijn emoties. Hij had wel heftiger dingen meegemaakt dan de nachtelijke confrontatie met een witte puntmuts met een paar gaten.
‘Is hier gisteren misschien een kinderfeestje geweest?’ wilde de agent weten.
De koster schudde geïrriteerd van nee. Waarom zag deze grote, vriendelijke reus niet dat hier iets bijzonders aan de hand was?
‘Kijk,’ zei de koster, ‘hier, op de rand, ziet u dit insigne?’
‘Ik zie een…..eh……, tja wat zal ik daar nu eens van maken. Een hengeltje misschien? Iets van de visclub?’
‘Niks hengeltje,’ beet de koster de agent toe. ‘Ik zal u zeggen wat dit betekent, mits u er geen ruchtbaarheid aan geeft.’
‘Misschien kunt u beter even gaan zitten,’ zei de agent. ‘U maakt een verwarde indruk. Wat is hier nu helemaal gebeurd? Twee harde feiten: nachtelijk klokgelui buiten de gemeentelijke verordening, wat u op een boete kan komen te staan, en een verdwaalde feestmuts. Er is geen braak. Geen vernieling. Er wordt niets vermist en er zijn ook geen andere sporen van een misdrijf.’
‘Ja, maar, eh, …., het was wel de noodklok die werd geluid,’ zei de koster nog steeds ontdaan, ‘en dat is de afgelopen honderd jaar niet meer voorgekomen.’
‘Ik zal het melden,’ zei de agent, ‘maar erg veel indruk zal het niet maken op de driehoek. Voor nieuwe feiten kunt u zich morgen vanaf half negen melden aan het bureau.’
Juist op het moment dat de koster wilde protesteren tegen deze lakse opstelling van het bevoegd gezag betrad een nieuwe speler de plaats delict. Een lange, magere jongeman met een verwilderde bos haar, een pluizig baardje van een dag of vier en een bril met een oranje montuur die hem een carnavaleske uitstraling gaf. Voor de koster een onbekende, maar niet voor de agent, die hardop zuchtte: ‘O, god, nee hè, als dat Ferdinand Bakeland niet is. Het wordt nu echt tijd dat ik vertrek. Ik zou zeggen, heren, nog een prettige nacht. En maak het niet te laat.’
De agent maakte nog een laatste aantekening en vertrok.
De jongeman stelde zich netjes voor aan de koster en deelde hem mee dat hij leerling-journalist was bij De Bazuin. Berichten op de scanner hadden hem gealarmeerd. Hier leek meer aan de hand dan kwajongenswerk of een stunt van een club Delftse studenten. Terwijl hij dit vertelde, stond de koster nog altijd met die vreemde, witte puntmuts in zijn handen.
‘Heeft die muts iets met deze vreemde historie te maken?’ vroeg de wakkere leerling-journalist.
De koster aarzelde en mompelde half binnensmonds: ‘Ik acht het niet uitgesloten.’
‘En wat kunnen we daar uit afleiden?’ wilde Ferdinand weten.
De koster wees op het vreemde insigne.

‘Kijk, hier. Het teken van de Geselbroeders. Ze zijn terug. En dat voorspelt weinig goeds.’


16 november 2016 

Het Oostlandmysterie, deel 3

Sybren van Wayenburg

Na de nachtelijke ontmoeting met de koster en de agent kreeg Ferdinand Bakeland het gevoel dat dit verhaal hem wel eens in de landelijke pers kon lanceren. De koster had hem weinig kunnen of willen vertellen over de Geselbroeders maar Ferdinand was niet voor één gat te vangen. Een echte journalist doet aan ‘factchecken’ en gedegen achtergrondonderzoek. Googelen naar witte puntmutsen en geselen zou hem wel niet de gewenste resultaten opleveren maar gelukkig had hij de muts weten mee te smokkelen. Op de rand zat het insigne en aan het uiteinde de bol zo groot als een tennisbal. Gek genoeg kwam dat teken hem vaag bekend voor. Wat zou hij graag als echte journalist undercover willen gaan! Waar, bij wie en hoe moest hij nog uitzoeken, maar in gedachten zag hij zichzelf al op de redactie terugkeren na zijn opzienbarende publicatie: zijn collega’s zouden staand applaudisseren. Bij het koffieapparaat zou de hoofdredacteur hem z’n koffie latte macchiato met kaneel aangeven en hem amicaal op de schouder kloppen. Ondanks zijn bedarende handgebaren zou het applaus aanhouden. Langzaam ging het geluid van applaus over in dat van regen. Dikke druppels haalden hem terug naar de realiteit. Zeiknat liep Ferdinand door de verlaten Kerksingel naar zijn fiets. Net als bij zijn vorige scoops, had hij geen flauw idee wat hij moest gaan schrijven en die scoops waren op niets dan ellende uitgedraaid. Hij rilde toen hij dacht aan de schadeclaims van zowel het “courgette forfait” als het “Dahlia Drama”. Vurig wenste hij dat hij zelf ooit eens zo’n catchy kop verzon en vooral dat hij niet nog eens zelf het onderwerp zou zijn van een voorpagina-artikel. Thuis aangekomen hing hij zijn natte kleren en de witte puntmuts over de verwarming, zette zijn raam op een kier en kroop terug in bed. Nog maar net in slaap werd hij gewekt door een krassend geluid dat door merg en been ging. Half duizelig kroop hij uit bed. Het geluid kwam uit de bol aan de muts en ineens begreep hij het: dit was geen puntmuts, maar een schepnet en de bol was een fuik! Hij opende de bol en keek in de grote ronde ogen van een schattig klein. Toen een druppel uit zijn natte haren op zijn linker hand viel, klom het dier uit de bol, rende naar de druppel en likte hem op. ‘Je hebt dorst, hè?’ zei Ferdinand hardop en liet nog een paar druppels op z’n hand vallen. Plotseling hoorde Ferdinand een klap en werd het schepnet uit zijn rechterhand gerukt. Geschrokken klampte de hagedis zich met zijn klamme pootjes vast aan Ferdinands linker ringvinger. Het duurde even voor Ferdinand begreep wat er was gebeurd. Iemand had met een zweepslag de puntmuts door het half geopende raam naar buiten getrokken. Het hagedisje maakte van de verwarring gebruik, liet zich vallen en ging er vandoor.


23 november 2016 

Het Oostlandmysterie, deel 4

Marguerite de Ruijter

Met een schok werd Ferdinand wakker. Had hij nu alles gedroomd, of was het toch gestommel dat hem uit zijn visioen van de felbegeerde Pulitzerprijs had gehaald? Hij wreef in zijn ogen en keek half slaperig naar het donkere scherm van zijn inmiddels op stand-by gesprongen laptop. Nee, hij hoorde het nu toch echt. Een enorm kabaal in de gang van de woning die hij samen met een aantal TU-studenten bewoonde. Het gekrijs dat daarop volgde, ging bijna door merg en been. ‘Een muis!’ hoorde hij een meisje gillen. ‘Een rat!’ riep een ander angstig uit. ‘De hagedis!’ schoot het door Ferdinand heen, die snel – veel te snel – van zijn bureaustoel wilde opstaan en meteen door zijn linkervoet zakte, die blijkbaar nog steeds in de slaapstand stond. Geschrokken bleef hij een aantal seconden op de grond liggen, tot de deur plotseling openging en Nathalie Wildschot naar binnen vloog. Nee hè, niet dat kreng, dacht Ferdinand nog, terwijl hij opeens bemerkte dat de muts uit de kerk inderdaad van de verwarming was verdwenen. Had hij het dan toch niet gedroomd? ‘Is dit een grap of zo,’ zei Nathalie streng, terwijl ze met een vies gebaar een beest aan een staart voor Ferdinands neus heen en weer slingerde. Gek genoeg paste het beeld perfect bij haar punky uiterlijk. ‘Ik weet dat je van grappen houdt maar dit gaat toch wel een beetje te ver, vind je ook niet? En wie kon het beest uit Liza’s bed halen? Nou? Ik natuurlijk. Trouwens, wat moet je er eigenlijk mee? Je weet toch dat we hier geen huisdieren mogen houden? En geloof me Ferdinand, met zulk soort smerige grappen krijg je nooit een meisje! Niet dat iemand iets met jou wil krijgen, maar toch!’ Ze gooide met een theatraal gebaar de geschrokken hagedis in Ferdinands schoot, wilde zich al omdraaien toen ze zich plotseling bedacht en hem met een vreemde blik aankeek. ‘Of was dit weer een van je zogenoemde onderzoektechnieken? Kijken hoe vrouwelijke studenten reageren op vreemde huisdieren of zoiets. Of nee, een sensatieverhaal over de opkomst van de hagedis in Oostland! Net zoiets als die koffers die plotseling door heel het dorp waren te vinden. Wij maar denken dat een of ander geheimzinnig genootschap erachter zat, maar nee hoor. Het was onze eigen plaatselijke journalist in spé die een scoop had bedacht en het kofferverhaal in scene zette. Nu ik erover nadenk…’ Plotseling stopte Nathalie met praten en keek ze verbaasd naar het open raam dat in de wind stond te klapperen. ‘Waarom staat je raam wagenwijd open? En wat doe jij eigenlijk op de grond?’ Ze stak haar hand uit om hem omhoog te helpen, waarbij een klein stukje van haar onderarm zichtbaar werd. Ferdinand keek ernaar en verbleekte. ‘Wat is dat teken op je pols?’


30 november 2016 

Het Oostlandmysterie, deel 5

Jennifer Zuniga – De Jong

Nathalie probeerde tevergeefs haar hand los te rukken uit de greep van Ferdinand. Hij schoof haar mouw omhoog, zodat het teken zichtbaar werd. Het was een stempel, dezelfde driehoek met de gesel als het teken op de puntmuts. ‘Ja, ik was in De Flagellant, nou en?!’ Nijdig trok Nathalie haar arm terug. Ineens wist Ferdinand waarom het teken hem bekend voorkwam. Het was ook het teken van De Flagellant, een kleine, obscure discotheek in Delft. Poppodium was misschien een betere omschrijving, want de bandjes en DJ’s die er optraden, waren niet echt bekend bij het grote publiek. Er hing een duistere sfeer en het was niet het type tent waar Ferdinand zijn vrije tijd doorbracht. ‘Die stempel, dat is hetzelfde teken als op die feestmuts en…’. Ferdinand werd ruw onderbroken door Nathalie. ‘Jij altijd met je complotten. Dat dat teken ook op die capirote staat is toeval!’
De raderen in Ferdinands brein draaiden op volle toeren. Iedereen mocht hem gek vinden, maar hier was iets mysterieus gaande. De reactie van Nathalie was ook niet normaal. Zij was altijd behoorlijk cool, maar nu gedroeg zij zich als een kat in het nauw en sloeg als een wilde tijger om zich heen. Capirote? Ze was blijkbaar goed op de hoogte. ‘Nathalie, het is toch vreemd dat dat teken op de muts staat die is gevonden, midden in de nacht, in de kerk, vlak na het luiden van de noodklok?’ probeerde hij nog eens. ‘Je ziet spoken Ferdinand, laat het los. Het teken van de gesel, de oproep van de klokken, het is allemaal ver gezocht’. Opgewonden liep Nathalie naar de deur. ‘Echt Ferdinand, laat het los, bemoei je er niet mee, dat is echt beter.’ Even keek zij hem angstig aan en trok toen de deur achter zich dicht, weg was ze.
Ferdinands hart klopte als een bezetene. Hij was iets op het spoor, zeker weten. Hoe meer Nathalie probeerde het te verbergen, hoe meer hij zich realiseerde dat er iets niet in de haak was. Hij pakte zijn laptop en begon te googelen. Wat was er bekend over De Flagellant? Wat had die te maken met de lugubere puntmuts, hoe noemde zij het ook alweer… capirote, ofzo. Had het iets te maken met de noodklok? Ineens zat Ferdinand rechtop. Toen hij van de noodklok had gesproken, had Nathalie het woord oproep gebruikt. Een oproep! Waarvoor? Zijn laptop piepte, de zoekopdracht had het volgende opgeleverd:

Flagellanten, ook geselaars, geselbroeders of kruisbroeders genoemd, waren in de 13de tot 15de eeuw dweepzieke lieden die in troepen door het land trokken en door zichzelf in het openbaar te geselen Gods barmhartigheid wilden afsmeken. Het Concilie van Konstanz (1417) veroordeelde deze tochten. Naast de tekst stond een afbeelding van zo’n flagellant, hij droeg een witte puntmuts…


7 december 2016 

Het Oostlandmysterie, deel 6

Nick Steenkamp

Ferdinand liep bij zijn geboorte al tegen de veertig en zou die leeftijd altijd houden, beweerden sommigen. Een wijs man, veel op straat lopend, in het openbaar vervoer zittend en altijd rustig om zich heen kijkend, inwendig al het bizarre noterend dat zijn jachtige medemens ontging. Ferdinand kwam in zijn vrije tijd graag in het dorpscafé van Berkel. Hij werd gedreven door de reconstructie van zijn jeugd en de triestheid van het vergaan van de tijd. Hij had een alter ego, maar niemand wist welk. Vermoedelijk was het in het niets opgelost, ergens onderweg van de ene straathoek naar de andere.
“Creatieve verbeelding is essentieel voor de ware wetenschapper”, was een bekende uitspraak van hem. Hij stoorde zich aan de kwaadaardige eigenschappen van de mens, zoals hebzucht, zinnelijke lust, werelds verlangen en ijdelheid. Wie zijn trots verwerkt en erboven staat, zo merkte hij weleens op, hoeft zich niet van zijn waardigheid te ontdoen.
Ferdinand verliet zijn huis en haastte zich in de stromende regen naar zijn stamkroeg. Het liep al tegen de avond. Koud was het niet, maar de vochtigheid was al kort na de neerslag in zijn lijf gekropen.
Hij ging het etablissement binnen en zag hoe de hele clientèle zich omdraaide. Het was een fraai, robuust café, planken op de vloer, donkerbruine lambrisering tot heuphoogte overgaand in glanzend behang in de kleur van oud goud. Velours gordijnen voor de ramen, glas in lood in de bovenlichten. Aan de wanden oude zwartwit foto’s uit een voorbije eeuw. Ook het verval droeg bij aan het patina, dat het café zijn glans gaf. Hij zag de blik van de kastelein, doordringend, vol mededogen en niet-begrijpend.
‘Zeker weer hetzelfde?’ zei de kastelein, die Ferdinand goed kende. Ferdinand knikte, het leek wel of hij in gedachten was verzonken. De kastelein vulde een groot glas met bier en zette dat op het café buffet. Ferdinand nam een ferme slok en zei: ‘In de late middeleeuwen, met zijn hongersnoden en pestepidemieën, waren er charismatische flagellantengroepen die door het land trokken, ondertussen zichzelf geselend en klaagzangen zingend, om mensen op te roepen tot berouw, boetedoening en bekering. De pest werd namelijk beschouwd als straf van God. Die jongens rosten zich niet voor niets af. Toen was het om de pest af te wenden. En nu? Wat zijn onze catastrofes? Er zijn de laatste tijd aanslagen, oorlogen en andere vreselijke dingen. Er heerst een klimaat van angst en woede. We moeten met elkaar geïnspireerd raken om in vrede samen te leven!’
‘Stop ermee!’ riep een man die achter in het café zat. ‘Je bent bedwelmd door je ijdelheid, stop met die opstandigheid’. Maar Ferdinand ging onverstoorbaar verder: ‘Probeer je frustraties los te laten’. De man liet zich niet overtuigen en beet Ferdinand toe: ‘Ga toch weg, je bent een slaaf van het uiterlijk vertoon.’
Opeens klonk geschreeuw en gevloek, en gerinkel van glaswerk. Even later vielen de stemmen stil, tot iemand een hartgrondige vloek liet horen en de hele bende weer in een liederlijk gebrul uitbarstte.
Voor de duivel, wat een toestand. Ferdinand zag een man met een capirote. Hij herkende de stentor, de zeer luide stem van… ja van wie? Dit is niet het moment om er met de huifkar tussenuit te gaan, dacht hij, want nu gaat alles veranderen.


14 december 2016 

Het Oostlandmysterie, deel 7

Willem de Vreede

Ferdinand sprong van zijn barkruk maar de man liep met grote passen naar buiten al schreeuwend: ‘Slaapt door, gij goddelozen, slaapt maar door!’ Zijn stem verdween in de nacht en toen Ferdinand nog geen twee seconden later buiten stond, was er geen spoor meer van hem te bekennen. Op dat moment voelde hij zijn telefoon trillen in zijn broekzak. Onbekend nummer zag hij. ‘Ferdinand.’ Het bleef even stil en toen een aarzelende stem. ‘Met de koster, jij bent toch die journalist van gisteravond?’ ’Jazeker.’ ‘Voor wat het waard is, wil ik je toch vertellen wat ik weet over flagellanten die hier ooit in Oostland leefden. Het waren er een paar en die stonden onder leiding, of invloed, van ene Johannes in ’t Veen. Een bijnaam. Niemand weet wat zijn echte naam was. Een zonderlinge man die hel en verdoemenis predikte en als veenwerker in zijn onderhoud voorzag. Vlak bij zijn huis werd op een dag een lijk gevonden, een vrouw met in haar arm het symbool van de flagellanten gekerfd.’ Ferdinand moest even slikken en dacht aan het stempel op Nathalies arm. ‘Voor de baljuw van Delft was het voldoende bewijs en zonder vorm van proces werd Johannes opgehangen. De flagellanten gingen ondergronds en verdwenen.’
De koster zweeg even. ’Tot gisteren.’ Ferdinand voelde de opwinding stijgen, hij rook een scoop die regio-overstijgend was. ‘Hoe weet u dit allemaal?’ ‘Interesse jongeman, interesse in de geschiedenis van deze kerk. Dit is wel het meest vreemde verhaal dat ik ben tegengekomen. En nu lijkt het waarachtig na al die eeuwen een vervolg te krijgen. Doe je best jongeman.’ Voordat Ferdinand kon reageren hing de koster op. Ferdinand dacht snel na en kwam tot de conclusie dat Nathalie hier meer van moest weten. Het was een gevoel, maar hij moest haar vinden. Zo snel mogelijk. Hij haastte zich naar hun gemeenschappelijke onderkomen en probeerde haar te bellen. Ze nam niet op. Eenmaal thuis vloog hij naar binnen de huiskamer in. Drie huisgenoten keken verveeld naar de tv. ‘Waar is Nathalie?’ Bas was de enige die reageerde. ‘Ze is net weggegaan, hoezo?’ Ferdinand negeerde zijn vraag. ‘Waar is ze heen?’ ‘Hallo gast, ik ben haar vader niet, maar ze zal wel naar die discotheek zijn, je weet wel.’ Ferdinand was al weer weg, rende de straat uit. In de verte zag hij een fietser, het silhouet van Nathalie, in het licht van een lantaarnpaal. ’Nathalie!’ brulde Ferdinand. De fietser leek even stil te staan en vervaagde toen weer. Een kille windvlaag kroop door zijn jas, hij rilde. Even later werd het beeld weer duidelijker. Het was Nathalie. Geen twijfel meer. Langzaam maar zeker loste ze op in de duisternis.


21 december 2016 

Het Oostlandmysterie, deel 8

Shirley-Ann Benda

Ferdinand hoorde het gedempte geluid van een autoportier dat dichtsloeg. De mist slokte de meeste geluiden op. Terwijl hij alle eindjes aan elkaar probeerde te knopen hoorde hij een auto wegrijden. Hij blies zijn wangen bol en liet de lucht ontsnappen terwijl de raderen in zijn hoofd overuren maakten. Ineens was hem alles duidelijk. Hij moest naar De Flagellant, nu direct. Een onbestemd gevoel welde op in zijn buik. De opwinding was verdwenen en had plaats gemaakt voor een vreemde onrust. Iets zei hem dat hij beter naar bed kon gaan en alles vergeten. Maar hoe kon hij Nathalie aan haar lot overlaten? Hij besefte ineens dat haar extravagante en soms promiscue seksleven haar wel eens fataal kon worden. Had de koster het niet over een vermoorde vrouw gehad?
Tegen zijn instinct in, rende hij naar binnen en griste Bas zijn autosleutels uit een schaal vol sleutels. Snel rende hij weer naar buiten en trok het portier van een oude deux chevaux open. Bas deed zijn ouwe eend nooit op slot. Hij ging er vanuit dat niemand zijn sloopauto zou willen stelen. De wagen zag er inderdaad niet uit. De portieren en de motorkap hadden allemaal een andere kleur. Het uiterlijk van het voertuig interesseerde Ferdinand echter weinig. Als het gevaarte hem maar naar Delft bracht! Met trillende handen startte hij de auto en reed zo snel het eendje toeliet naar Delft. Zijn hart klopte wild in zijn magere borstkas. Het beeld van Nathalie. Haar nerveuze reactie en de angst in haar ogen. Zou ze weten wat haar te wachten stond? Waarom had ze niemand om hulp gevraagd? Tientallen vragen tolden door zijn hoofd. Vragen waar hij geen antwoord op had. Het enige wat hij wel wist, nou ja, wat hij vermoedde, was dat Nathalie ongewild in de klauwen van een geheimzinnige groep terecht was gekomen. Misschien wel een sekte van geloofsfanaten.
In de binnenstad van Delft een parkeerplek zoeken was natuurlijk een ramp. Ferdinand weigerde echter om over de gevolgen van een parkeerboete na te denken en parkeerde zo dicht mogelijk bij De Flagellant. Hij ademde diep in en stapte uit. Zo rustig mogelijk liep hij naar de ingang. Hij wilde geen argwaan wekken. Hij nam de omgeving goed in zich op. Het was rustig. Er daalde een fijne motregen neer. Bij de ingang van het poppodium stonden twee jongemannen te praten. Hun kleding was zwart en sober. Toen hij zo nonchalant mogelijk langs hen heen naar binnen liep, ving hij flarden van hun gesprek op.
’… best zwaar. Die voortdurende pijn …’ klaagde de eerste.
’Je moet volhouden,’ onderbrak de tweede. ’Je weet wat je beloning is.’
Wat Ferdinand niet kon zien, was dat de eerste jongen ter hoogte van zijn dij een natte plek had rondom zijn been. Als hij had geweten, dat de jongen een cilice droeg, was zijn onzekerheid over deze missie zo mogelijk nog verder toegenomen.


28 december 2016 

Het Oostlandmysterie, deel 9

Rianne Sie

Eenmaal binnen liep Ferdinand naar de bar en bestelde een biertje. Met zijn biertje liep hij naar een tafeltje in de hoek van het zaaltje van waaruit hij een goed zicht had op het hele gebeuren. Ondertussen keek hij de zaal rond of hij Nathalie zag, maar van haar was geen spoor te bekennen. Wel van de alom aanwezige lugubere sfeer. Overal hingen capirotes en waar die niet hingen, leek de muur behangen met afbeeldingen van gesels. Hij voelde zich niet erg op zijn gemak en dat was zo’n enorm understatement dat hij bijna om de ironie moest lachen. Om hem heen liepen mensen onrustig heen en weer. Het was wel duidelijk dat er vanavond iets bijzonders ging gebeuren. Hij wist alleen nog niet precies wat, maar dat het iets met Nathalie te maken had, stond als een paal boven water. Door de deuropening zag Ferdinand de verwarde man uit het dorpscafé binnenkomen. Met grote passen stormde hij op Ferdinand af, die op zijn beurt probeerde om de woedende blik van de man te ontwijken. Tevergeefs, want de man stond al voor zijn neus. Ferdinand kon zweren dat er stoom uit zijn neusgaten kwam en alweer moest hij bijna lachen; ditmaal van de zenuwen. De man brieste: ’Wat mot jij hier?’ Ferdinand stamelde: Ík kom voor Nathalie, zij zei dat het hier zo leuk was.’ ‘Ik ken geen Nathalie en zoals je ziet, is ze hier niet.’ ‘Okay, ik ben al weg,’ zei Ferdinand en hij struikelde over zijn eigen benen richting de uitgang. De twee jongens die eerder buiten stonden, keken hem venijnig aan. Eén spuugde zelfs naar hem. Ferdinand was blij toen hij eindelijk buiten was. Eenmaal terug in de auto zette hij alles nog eens op een rijtje. De man had gezegd dat Nathalie er niet was en ook dat hij haar niet kende. Dat kon niet veel goeds betekenen. Hij moest terug! Maar hoe? Nu ze wisten hoe hij eruit zag, lieten ze hem natuurlijk nooit meer binnen. Ferdinand stapte uit en keek in de koffer, misschien had Bas nog wel wat kleding in de kofferbak liggen. Mazzel! Er lag nog een afgetrapt colbertje en een oude spijkerbroek met gaten en klodders verf. Er lag zelfs een bolhoed met indianenveer. Ferdinand trok de kleding aan en liep terug naar De Flagellant. Even nonchalant als net loodste hij zichzelf naar binnen. Hij ging direct op zoek naar verborgen deuren of ruimtes, maar nog voor hij die gevonden had, zag hij Nathalie tussen de mensen. Ze was in het wit gekleed. Door de stof heen was bij haar dij een rode plek zichtbaar. Vanuit een hoek zag Ferdinand de man uit het café aan komen lopen; een gesel in zijn hand. Hoe ontspannen Nathalie er net nog uitzag, toen ze de man zag, nu schoot de paniek in haar ogen. Ze keek wild om zich heen en haar blik ontmoette die van Ferdinand. Hij zag dat ze iets gebaarde en las ‘help’ van haar lippen. Dit ging fout aflopen, maar wat kon hij nu nog doen…?


4 januari 2017 

Het Oostlandmysterie, deel 10 (slot)

Dirk Langstraat

Rennend naar de uitgang belde Ferdinand 112. Even later stopte een politiewagen met loeiende sirenes voor de deur. Twee agenten sprongen uit de auto en stormden achter hem aan de discotheek binnen. Stoelen en tafels lagen omgegooid. Op de dansvloer werd de man van het dorpscafé hevig spartelend door twee jongemannen tegen de grond gedrukt.
‘Wat is hier aan de hand, laat die man los,’ baste de oudste van de twee wetsdienaren.
Terwijl zijn jongere collega aanstalten maakte om het slachtoffer te bevrijden, sprong Nathalie tussenbeide.
‘Niet doen,’ riep ze, ‘hij is gevaarlijk, sla hem in de boeien!’
Geen wilde of angstige blik meer; ze straalde een en al zelfvertrouwen uit.
De jongere agent aarzelde niet. Binnen enkele seconden was de man geboeid. De twee jongemannen trokken hem overeind en hielden hem stevig tussen zich in.
De oudere collega rechtte zijn rug. Nu zou hij zijn gezag laten gelden, een eerste verhoorronde ter plaatse zou helderheid verschaffen. Hij schraapte zijn keel en wilde net beginnen toen zijn oog op Ferdinand viel.
‘Wat doe jij hier, oranjebrillemannetje?’
‘Als ik 112 niet gebeld had, was hier misschien wel een bloedbad ontstaan,’ antwoordde Ferdinand giftig.
De agent gromde, berustend in zijn ongelijk, ‘maar wat is hier eigenlijk aan de hand?’
En opnieuw sprong Nathalie tussenbeide.
‘Deze man gelooft dat het bespotten van flagellanten schreeuwt om wraak en hij is de wreker. De meeste mensen weten niet dat wij punkers door onze uitdossing willen spotten met zelfkastijding. Wij zijn anarchisten, wij erkennen geen hogere macht en wij zijn de tegenpool van flagellanten. Alles, ook de zelfkastijding, is door ons in scène gezet om aandacht te vragen voor wat punk nu echt is: vrijheid, zonder regeltjes van de overheid. Zag je bloed? Nee, tomatensap! Ferdinand, moest ons publiciteit leveren. Vandaar ook het klokkenluiden. We wisten dat hij erin zou trappen.’
‘Zo …,’ bromde de agent, ‘en …’
Plotseling zag hij zijn zoon tussen de punkers staan.
‘Wat voor de donder doe jij hier?’
‘Ik ben het zat het brave zoontje van de politieman te moeten spelen,’ schimpte hij. ‘Hier begrijpen ze me en ik doe met ze mee. Bij jou op het politiebureau hingen de sleutels van alle kerktorens in de omgeving voor noodsituaties. Ik heb ze “geleend” en laten kopiëren.’
Koud zweet brak bij de diender uit. Dit moest in de doofpot. Alleen die gek arresteren.
‘Kom, neem die man mee naar het bureau en jij, journalistje, publiceert niets hierover!’
Hij kan me wat, dacht Ferdinand, en zag de kop al voor zich: “Uit de hand gelopen grap eindigt met afvoeren van verwarde man”. Geen landelijk nieuws maar mooi genoeg voor de Bazuin. Daar hadden de punkers recht op. Hoe mooi kon de toekomst van een leerling-journalist zijn. Het was al laat toen Ferdinand Bakeland terugkeerde in Berkel. Breaking news, mompelde hij. Stop de persen.