MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0066


Praatje, 16 januari 2019


Een deel van deze tekst stamt uit 2001. In januari 2019 heb ik aanpassingen c.q. uitbreidingen gepleegd.

Hoe Lang Nog Leve The Sixties?

Is de historie nu echt begonnen?

 

 

Het grote afbranden van de jaren 60 is begonnen (2001)

Johannes Paulus II, het Hoogste Gezag in rk-kringen. In onze streken liep dat gezag in de Sixties diepe brandgaten op en daarna werd het alleen maar slechter.


Paus Johannes Paulus II vond in 2001 dat het afgelopen moest zijn met kerkelijk gezang in de moedertaal. De Kerk had immers maar één moedertaal en dat was het Latijn. Een van de dwalingen van het Tweede Vaticaans Concilie moest hiermee worden rechtgezet. De pauselijke correctie paste naadloos in een algemene trend die je zou kunnen omschrijven als het grote afbranden van de Jaren Zestig.

De spin-off van de jaren zestig, zeker, ook mijn jaren zestig, liepen in 2001 op hun eind. De zelfbenoemde voorhoede uit het veelbesproken decennium had zijn wilde haren af laten knippen en de broek van een spietje voorzien. Voorzichtig begon de voorhoede uit te kijken naar de welverdiende rust waar zo lang voor was gespaard. En intussen werd de protestgeneratie door volgende generaties tegen het licht van de historie gehouden. Wat was er eigenlijk terechtgekomen van al die idealen? Die grote woorden? Soms ordinaire arrogantie. Was het achteraf gezien wel zo bijzonder geweest? Waren wij wel zo bijzonder geweest? Of waren die luid bejubelde jaren zestig niet anders dan een natuurlijk vervolg geweest op de jaren vijftig omdat de loop van de geschiedenis nu eenmaal niet in hapklare brokjes kan worden opgediend? Waren wij ook niet, net als al die andere generaties, een speelbal geweest van het lot? Van toevalligheden? Van coïncidenties? Omdat de dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan en omdat daar geen lieve vader of moeder iets aan kan veranderen. Zoals ook onze ouders de veranderingen die er wel degelijk waren, grote veranderingen zelfs, niet konden tegenhouden. Hadden wij het zelf eigenlijk wel gekund? Als we gewild hadden. Niet zo boeiend, want we wilden niet. Daarvoor sloot de tijdgeest te nauw aan bij wat een jongeling van binnen voelde en ongetwijfeld nog altijd voelt: behoefte aan vrijheid, aan afzetten tegen, aan spanning en opwinding, aan verbinding met andere jongelingen, aan kansen krijgen, aan afstemmen op nieuwe vibraties.

In 2018 verscheen een omvangrijke historische verkenning van de jaren 60 van de hand van de Utrechtse hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Geert Buelens, getiteld De jaren zestig. Wat was de erfenis? Buelens voert Veronika Groenegaard op uit de Deense serie The Legacy. Zij zou symbool kunnen staan voor die periode: enerzijds energiek en excentriek, anderzijds onuitstaanbaar en onverantwoordelijk. De jaren zestig waren het volgens hem allemaal: verfrissend en narcistisch, inventief en ontluisterend. De jaren zestig waren zo zelfbewust dat ze zich volgens Buelens al de geschiedenis in schreven voordat ze afgelopen waren. Hij verwijst naar het bekende boek Goodbye Baby & Amen. A Saraband for the Sixties (1969).Peter Evans schrijft in het voorwoord:

'The Sixties were not so much a decade, an era, an epoch, as a very long happening. Its personality was vibrant, brash, moody. young and perhaps pathetically transient.'

Maar er waren ook toen al andere visies waarin naast erkenning van een bijzondere episode een veel negatievere balans werd opgemaakt. Een periode van massaal protest en van drugsgebruik. Hedonisme. Een decennium vol geweld en decadentie. In de VS rassenoorlog en een poltie die de greep op de misdaad was kwijtgeraakt. De vrije exploitatie van seks, ook harde porno. En ook de reactie werd al zichtbaar: een hange naar nieuwe autoriteit, naar autoritaire leiders. Voor de Amerikaanse literatuurwetenschapper Ronald Berman (America in the Sixties: An Intellectual History, 1968) betekenden de ideeën achter de tegencultuur een aanval op de Verlichting. De fascinatie van linkse jongeren voor het onderbewuste (en dus het seksuele) en hun absolutistische vrijheidsdrang hadden volgens Berman weinig uit te staan met democratische waarden. Het gescherm met guerrillero's en ondemocratische leiders uit derdewereldlanden gaf volgens hem blijk van westerse zelfhaat en een verontrustende hang naar gewelddagige oplossingen. Met die zelfhaat, het weg-met-ons-denken, hebben we nog steeds volop te maken.


Wat er aan vooraf ging

Zorgen over het afwijkende gedrag van de jeugd was niet nieuw. Ook de jaren vijftig gingen er onder gebukt. Jongeren, veelal uit de arbeidersklasse, die niet wilden deugen, die zich asociaal gedroegen. In GB noemde men ze Teddy Boys, In Frankrijk Blousons Noirs of Tricheurs, in Duitsland Halbstarken, in Zweden Raggare, in Australië Bodgies, Zuid-Afrika sprak van Ducktails of Eendsterte (ongetwijfeld vanwege het kapsel met het onmisbare kippenkontje), De Japanners hadden het over Taiyo Zoku, de Russen hadden hun Stiljagi, de Polen hun Chuligans. Etc. En in eigen land hadden we natuurlijk de Nozem (en de Non). Er werd wereldwijd op gestudeerd en over geschreven. Conclusie: het is een gevolg van een razendsnel veranderende wereld, industrialisatie, waardoor sociale structuren ontwricht worden. De jeugd verveelde zich, voelde zich onbegrepen en had vaak weinig inspirerende baantjes. En ze kregen wat geld te besteden voor brommers, schoenen, cola, plaatje, bioscoopje, stripboekje, de basis van een jeugdcultuur waar de commercie wel raad mee wist. Zoals in de bioscoop, waar in 1955 Blackboard Jungle furore maakte en kort daarna Rock around the Clock.  En laten we maar eerlijk zijn, de muziek uit die tijd werkt nog steeds.  Kijk hier maar eens.

Ik weet nog goed hoe onthutst mijn vader was nadat hij was ingezet bij het bewaren van de orde in een van Hilversums bioscopen waar Rock Around the Clock speelde. Het was 1956 en de Russen hadden net de opstand in Boedapest met veel tanks de kop in gedrukt. Voor de vetkuiven een buitenkansje. Was het eerder nog zo dat alleen het bioscoopmeubilair er wereldwijd aan moest geloven, nu kon men na afloop nog even langs bij de kiosk van het communistische dagblad De Waarheid om wat straatstenen door de raampjes te keilen. Een en al onthutsing, maar voor mijn vader toch wel het meest het soort muziek dat werd gespeeld en de opwinding die er kennelijk door werd veroorzaakt. Ik heb er eerder al eens wat over opgeschreven. Lees het hier.

Ook in de vrolijke setting van een ouwejaarsavondviering in de jaren vijftig komt het thema terug. Lees hier: Nog net op tijd voor Wim Kan.

 

Veritas, 1967, Paul Schnabel

Grote maatschappelijke veranderingen. Een kolfje naar de hand van een Paul Schnabel om daar duiding aan te geven. Ik noem hem om verschillende, deels persoonlijke, redenen. Paul meldde zich in 1967 bij de toen nog rooms-katholieke studentenvereniging Veritas uit Utrecht waar ik zelf vier jaar eerder lid van was geworden. In 1967 was ik ook nog lid van de Introductiecommissie die de groentijd van dat jaar onder zijn hoede kreeg. Zie ook mijn verhaal Barrevoets als Batavieren. Ik moet hier nu even inbreken in mijn eigen verhaal dat ik nu, op 3 januari 2019, aan het actualiseren ben. De nieuwsgierige lezer kan zien dat ik Barrevoets als Batavieren begin met The Beatles en hun opmerkelijke album Sgt. Pepper’s uit 1967. En ik sluit af met een saluut aan de intussen befaamde Nederlandse coverband The Analogues die ik die avond (1 juli 2017) op tv zag optreden in de Ziggodome met hun unieke reconstructie van Sgt. Pepper’s. Enkele minuten geleden ben ik weer achter mijn toetsenbord gekropen na een kleine break om een tv-verslag van het optreden van The Analogues op 24 augustus 2018 in The Liverpool Philharmonic te bekijken waar ze The White Album uit 1968 speelden. Met als opening Revolution No.9. The Beatles, ze laten zich niet zo makkelijk negeren. Ze waren niet voor niks en volkomen terecht het symbool van de nieuwe tijd die in de jaren zestig doorbrak.

 

Paul Schnabel in 2017

2017. Tekst van de lezing die Paul Schnabel hield bij de herdenking van het feit dat hij samen met 400 jaargenoten in 1967 toetrad tot de, toen nog katholieke,  Utrechtse studentenvereniging Veritas.


Terug naar Paul Schnabel. Ik kreeg hem in de nazomer van 1967 dus onder mijn hoede. Tussen zijn 400 jaargenoten was hij, zeg maar, tamelijk onzichtbaar. Kort daarna trad hij toe tot de redactie van de Vox Veritatis, het verenigingsorgaan, waar ik op dat moment hoofdredacteur van was. Ook in die periode viel hij niet erg op. Maar naarmate de tijd voortschreed kwam ik de naam Paul Schnabel steeds vaker tegen in de publiciteit. En zeker toen hij zich als directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) ontpopte als de man die de nationale thermometer met vaste hand tussen de billen van het vaderland prikte, werd hij de bekende Nederlander waar ook Veritas nog graag eens mee wilde pronken. Uiteindelijk lukte dat in 2017, 50 jaar na zijn komst in Utrecht. Geenszins toevallig. Zijn jaar was kroonjaar op de Reünistendag in mei 2017. En Paul, intussen met iets meer bewegingsvrijheid na het beëindigen van zijn betrokkenheid bij het SCP, stemde toe om dat jaar de Meilezing te houden. Niet alleen vanuit zijn huidige functie als directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, maar vooral ook op basis van zijn ervaringen als redacteur van de Vox, het lijfblad van de Veritijn, in de tweede  helft van de jaren zestig (daarbij door mij persoonlijk als hoofdredacteur met anti-autoritaire hand aangestuurd wat in de confrontatie met linksige hardliners in de redactie waarachtig geen simpele opgave was. ) moest hij in staat worden geacht tot een gedegen oordeel te komen. Hij was immers een jongen van de Sixties! Niet langer SCP-directeur maar wel onlosmakelijk verbonden met het Veritijnse kroonjaar 1967 hield hij de jaarlijkse Meilezing onder de titel: Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht. Nederland tussen 1967 en 2017. Een titel waaruit een grote spanning spreekt tussen het individu en de samenleving.

 

No rebel, with a cause?

Ik reken mijzelf tot de minder zichtbare zestigers. Ik heb mij nimmer aan het revolutionaire front gemeld. Ik was geen lid van de Provo-beweging en ik sloot me pas aan bij de Vietnam-demonstraties toen heel Noord-Vietnam veranderd was in een bomtrechter. Ik had namelijk toch wat moeite met het gevoel dat zich allengs een klimaat ontwikkelde waarin protestbereidheid in de meest algemene zin je maatschappelijke positie bepaalde. Het was natuurlijk verrekt aardig om overal tegenaan te schoppen (zonder dat er teruggeschopt werd) maar het ging er bij mij toch niet helemaal in dat er nu ineens totaal niets meer deugde van de wereld van mijn ouders. Mogelijk was mijn karakteristieke leeftijd, vrij naar Mulisch, de in die jaren zeer zichtbare en hoogverheven Rattenkoning, toen al 52 of 53. En de heftige discussies uit die tijd waarin Mao en Marx een hoofdrol vervulden, en Fidel en Che de show stalen, gaven mij hetzelfde onbehagelijke gevoel als veel moderne kunst: het gevoel dat je op een bijna flagrante wijze belazerd wordt. 

Desondanks kan ik niet anders dan vaststellen dat de jaren zestig meer in hun lange mars hadden dan de belendende decennia. De jaren zeventig hadden hun oliecrises en hun Club van Rome, in de jaren tachtig kregen we de chip en stortte mede daardoor het wereldcommunisme in elkaar en in de jaren negentig geloofden we weer even in het sprookje dat iedereen rijk kan worden als iedereen maar gelooft dat ie rijk kan worden (het gespeculeer in aandelen, Tsjakka, de Nieuwe Economie, de Eeuwige Groei in tegenstelling tot de Grenzen aan de Groei uit de jaren zeventig), maar die zindering, die vibraties, die hoop op een nieuwe tijd heb ik sinds de jaren zestig nooit meer teruggevonden.

 

‘Je bent een boerenlul en ook een grote sul.’

Volgens de overlevering begonnen studenten zich in Nederland voor het eerst te roeren in de swingin’ sixties, bij de Maagdenhuisbezetting in 1969 en de bezetting van de Katholieke Hogeschool een jaar daarvoor. We zitten dan al aan het eind van het decennium. Wat nou sixties? Maar, wacht even. De primeur van de studentikoze ongehoorzaamheid lag wel degelijk in het begin van de jaren zestig: een aantal brave plattelandsjongens die in 1961 in optocht door de lange gangen van het aartsbisschoppelijk Grootseminarie Rijsenburg trokken op weg naar de president en huistiran J. Geerdinck, die de tweede- en derdejaars vanwege ongehoorzaamheid een week herfstvakantie had ontnomen. Onderweg zongen de seminaristen op de melodie van Milord': 'Voor mij ben jij een jens, zo af en toe een mens. Als ik je tegenkom, sla ik je op je pens. Je bent een boerenlul en ook een grote sul.' Aan het wat moeizame rijmwerk kunnen we zien dat de protestbeweging in 1961 nog maar in de kinderschoenen stond. Deze aankomende priesters, waarvan velen overigens de eindstreep niet haalden, misten het poëtische talent van de rebelse ex-jezuïet Huub Oosterhuis. Desalniettemin zal het niet verbazen dat het hoogste kerkelijke gezag deze happening opvatte als een daad van uiterste subversie. Een nietig wolkje aan het trotse Roomse zwerk dat binnen enkele jaren zou uitgroeien tot een vernietigende onweersbui. De 1968 revolte in Parijs had ook al net zo’n prikkelende aanleiding. In februari 1968 verscheen een ontwerpreglement van de Minister van Onderwijs. Hierin stond dat het bezoek van mannelijke en minderjarige studenten aan studenten van het andere geslacht beperkt moest worden. Meisjes mochten niet bij jongens op de kamer komen. In de jaren vijftig had dat hooguit tot enig chagrijn geleid, tien jaar later brak de pleurus uit. Dat er in de tussentijd wezenlijke dingen waren gaan schuiven, leidt geen twijfel.

Naar aanleiding van 40 jaar Mei ‘68 werden in 2008 tal van kritische analyses gemaakt. In Frankrijk maakte bijvoorbeeld André Glucksmann, zelf een oud-strijder, de balans op, en stelde dat '68 verantwoordelijk is voor een intellectueel en moreel relativisme dat Frankrijk kapot maakt. Gezien de huidige toestand in Frankrijk zou je kunnen stellen dat hier een gevoelige snaar wordt geraakt. Leverden de jaren ’60 de voedingsbodem waar later het neo-liberalisme welig op kon gaan tieren?

 

‘Klaas Komt’

Midden jaren zestig. Happening bij 't Lieverdje op het Spui in Amsterdam. Gangmaker een Zwarte Piet waarin wij zonder veel moeite Provo en anti-rookmagier Robert Jasper Grootveld herkennen. Zijn hoop was gevestigd op de komst van Sinterklaas onder de leuze 'Klaas Komt', een leuze die op veel gevels en schuttingen was aangebracht. Naast het voetstuk een bedenkelijk kijkende voorman van de Provo's, Luud Schimmelpenninck, die zich mogelijk afvraagt of dit de beste manier is om al zijn 'witte;  projecten aan de man te brengen.


Dat was begin jaren zestig. In 1963 kwam Ton Regtien (voormalig priesterstudent) met zijn studentenvakbeweging (SVB), het begin van de democratiseringsbeweging op de (Nederlandse) universiteiten. Halverwege het decennium deden de Provo’s een geslaagde poging om wat kardinale moeren van de maatschappelijke ordening los te draaien. Meest ludieke provocateur was Robert Jasper Grootveld die als kettingroker de tabaksindustrie belaagde en onsterfelijk werd met zijn leus ‘Klaas Komt’. Zijn vertrouwen in de goede afloop der dingen was geheel gebaseerd op zijn onvoorwaardelijke geloof in Sinterklaas. In dezelfde tijd werd Sint Nicolaas door de kerkelijke censor uit de officiële lijst met heiligen geschrapt. Het weerhield Russische vrouwen er niet van om in groten getale naar Bari af te reizen om hun beschermheilige eer te betonen toen het volk weer mocht genieten van de religieuze opiumpijp. Na 1990.

 

Vakbonden

10 mei 1971. Afgevaardigden van de vereniging van dienstplichtige militairen hebben vanmorgen op het ministerie van defensie een petitie aangeboden, waarin zij vragen de beperkingen t.a.v. de haardracht op te heffen. Op de foto de vertegenwoordigers van land-zee en luchtmacht voor het ministerie.


In dezelfde sfeer als waarin de studenten zich in een vakbeweging verenigden (welk vak?), sloten ook de dienstplichtigen de proletarische rijen. Nederland werd in 1966 verblijd met de Vereniging van Dienstplichtige Militairen (VVDM), een vakbond voor dienstplichtigen. De club werd opgeheven toen in 1996 de dienstplicht werd opgeheven. De vereniging werd in 1969 formeel gesprekspartner van de minister van Defensie en organiseerde begin jaren zeventig spraakmakende acties over de groetplicht, de vrije haardracht en compensatieregelingen. Ze telde op haar hoogtepunt in de jaren zeventig meer dan veertigduizend leden. Dat was toen bijna 80% van alle dienstplichtigen. De vereniging had nauwe contacten met organisaties van dienstplichtigen in diverse Europese landen en sloot zich in 1990 bij de algemene vakbond FNV aan. Het was volstrekt duidelijk dat in deze periode geen enkele vijand ook maar iets van het Nederlandse leger te vrezen had (een ongeruste Paul van Vliet deed een dringend beroep op kwaadwillenden om toch vooral niet aan te vallen tussen vrijdag na vijven en maandag voor negenen). Gelukkig hadden we volgens velen ook helemaal geen vijanden en was het beter om ook de NAVO maar te ontmantelen. Dat deze organisatie ook niet helemaal paraat was werd duidelijk toen in 1967 een groepje eerstejaars van de Utrechtse studentenvereniging Veritas tijdens hun ontgroening er op het NAVO-hoofdkwartier in Brunssum onopgemerkt in slaagden de NAVO-vlag te verwisselen voor de Veritasvlag.

Margaret Thatcher won de oorlog met de Britse vakbonden. De sociaal-economische machtsverhoudingen gingen schuiven.


De macht van de vakbonden kreeg een lelijke knauw door het optreden van Reagan en Thatcher in de jaren tachtig. De val van de muur deed de rest. Links lag op apegapen. Maar ook in dit domein beginnen er zaken te kantelen. Gele hesjes zijn het symbool van een grote correctiebeweging, weg van de neo-liberale arrogantie.


                                 


 






Blackboard Jungle

De opmerkelijke ontwikkelingen tijdens de jaren zestig waren naar mijn mening het gevolg van een samenloop van omstandigheden. Ik noem er enkele die zo spontaan bij mij opkomen. Er was sprake van een sterke en voortdurende economische groei. Eén van de gevolgen was een aanzienlijke toename van het aantal studenten (waaronder Espunt , die samen met een grote groep armoedzaaiers uit de lagere klasse in 1963 de universiteit overspoelde) in combinatie met het feit dat er nog geen hoge eisen werden gesteld aan het studietempo. Met andere woorden, het aantal studenten dat tijd had voor een verzetje (in jaren zestig synoniem voor verzet) steeg spectaculair.

Er was intussen, zoals hiervoor al is gezegd in de tweede helft van de jaren vijftig ook een jeugdcultuur ontstaan met eigen kleding, muziek, dans en omgangsvormen. De Amerikaanse jeugd begon te luisteren naar zwarte muziek, in de oren van hun ouders een regelrechte gang richting animale verloedering. Op het onweerstaanbare ritme van Little Richard, Jerry Lee Lewis, Elvis, Bill Haley (een voormalige jodelaar!) en noem ze allemaal maar op begon de band tussen de generaties te scheuren. Een generatieconflict! Met iconische films: Blackboard Jungle en Rock ‘round the Clock. Op de reünie van mijn eigen jaar 1963 hield Harry Knipschild de Meilezing van 2013. Zelf was hij van 1962 maar vooral van Veronica en de popmuziek. Gepromoveerd, dat wel, op de katholieke missie in China.

De generatiescheur heelde op organische wijze toen in de loop van de tijd de oudere jongeren gewoon vasthielden aan hun jeugdcultuur en aan de muziek die daarbij hoorde. Natuurlijk had elke generatie zijn eigen dingetjes, maar de schokken werden minder groot. Er werd niemand meer zenuwachtig toen er op straat mensachtigen verschenen met overal in en door hun lijf metaal, en tattoes en hanekammen en gescheurde kleren. Toen duidelijk werd dat de ouderen shockproof waren, verdween een groot deel van de jeugd achter het beeldscherm, al snel gevolgd door de rest van de samenleving. Alleen zij die nog in het verzet hadden gezeten bleven trouw aan de koningin en aan de gewoonten die daarbij hoorden. Volwassen worden werd een weinig aantrekkelijk perspectief. Overgangsrituelen, in alle culturen belangrijk, verdwenen in deze streken. Easy living on a lazy Sunday afternoon. Up a lazy river. Me and you and rain on the roof (zachtjes tikt de regen…). Avonturieren in het LSD-brein. Lucy in the sky …

 

Vietnam als maat der dingen

In de jaren zestig werd het fenomeen jeugdcultuur grootschaliger en werden de onderscheidingstekens duidelijker. Met name de haardracht kreeg een dominante signaalfunctie. Daarbij kwam, en dat is naar mijn mening van doorslaggevende betekenis geweest voor het revolutionaire elan in die tijd, de manier waarop de Amerikanen meenden Azië te moeten behoeden voor een communistische domino. Het arme Vietnam werd het slachtoffer. Dit, in combinatie met de snel aan invloed winnende televisie, had een spectaculair effect. Kinderen kwamen in opstand tegen hun ouders, die zelf de Amerikanen uiteraard nog op hun netvlies hadden staan als hun vermetele en offerbereide bevrijders. Het vergrootte de generatiekloof aanzienlijk. Tevens kwam het militair-industrieel complex (nota bene geïntroduceerd door generaal en later president Eisenhower) in een zeer kwalijk daglicht te staan. Koren op de molen van extreem-links dat weinig moeite had om de jeugd te overtuigen van het abjecte karakter van het kapitalistische systeem. We kunnen het ons nu bijna niet meer voorstellen, maar het was in die tijd eigenlijk volstrekt ondenkbaar dat je na je studie een baan bij het bedrijfsleven ambieerde. Je bleef aan de universiteit ‘hangen’ of je zocht je heil in een andere (semi-) overheidsomgeving.

Dolle Mina's eisten de zeggenschap over hun buik en kregen die ook, mede door zeer krachtige publiciteit.


Zeker op de langere termijn de belangrijkste vernieuwing was de anticonceptiepil die in 1961 op de markt kwam en tien jaar later in het Ziekenfonds werd opgenomen. Die stond aan de basis van wat nu wel de seksuele revolutie wordt genoemd en heeft de maatschappelijke positie van de vrouw, en daarmee dus ook van de man, radicaal veranderd. De pil is zelfs zo effectief gebleken dat volgens de laatste demografische inzichten de Europaan binnen afzienbare tijd zal zijn uitgestorven. Het deel van de huidige mensheid dat in diezelfde jaren zestig, met aanzienlijke steun van de VS, bevrijd werd van koloniale overheersing, zal daar niet wakker van liggen. Gevreesd moet worden dat dat ook voor het andere deel, inclusief Europa zelf, geldt. Een tijd van komen en een tijd van gaan, zoiets. En dat is allemaal de schuld van de VOC. Je moet een betoog simpel houden.

 

Vrijheid

De jaren zestig waren de jaren waarin de jeugd zijn vrijheid pakte. Waarin bijna iedere minderheidsgroep die tot dan toe sociaal geketend was, de spijlen van hun verdomhoekje doorzaagden. Tot aan de pedofielen toe. Het waren de jaren van de emancipatie. Zoals gezegd was de oorlog in Vietnam een sterke katalysator. In onze ogen verdedigden de autoriteiten, het establishment, De Telegraaf, een agressor die op geen enkele wijze in zijn recht stond. En daarmee kwam in één klap het fenomeen autoriteit zoals dat zich in onze burgerlijke samenleving had ontwikkeld, in een zeer kwetsbare positie terecht. Veel later leerde ik van geleerde vriendjes dat de anti-autoritaire opvoedingsideeën uit Frankfurt afkomstig waren. Daar verkondigden de filosofen van de Frankfurter Schule de stelling dat het met Duitsland en de wereld heel anders was afgelopen als de Duitse bevolking wat minder volgzaam en gehoorzaam was geweest. Zit ook wel wat in. En dan was er ook nog Margareth Mead met Samoa. Het was niet echt een leuke tijd voor de autoriteit. En het is sindsdien alleen maar erger geworden.

Voor het gemak werd alles wat autoriteit was maar op een grote hoop gegooid en het gevolg was dat het gezag van de politie, de burgemeester, de pastoor, de dokter, de professor, de leraar, de ouder, de generaal, de politicus, en ga zo nog maar even door, niet langer vanzelfsprekend was. Zelfs de Sint ging zich anders gedragen. Niet meer meppen en in de zak, maar alleen nog uitdelen (behalve klappen). Eigen oordeel, eigen geweten, eigen verkenning, eigen normen en waarden, alles moest kunnen, peace, weet je wel, psychedelica. De paar autoriteiten die deze grootschalige affakkeling overleefden, kwamen recent alsnog voor het morele vuurpeloton. Bankiers, wetenschappers, medici, verzekeraars, accountants, goede-doelengoeroes, linkse politici, sociologen, om er maar eens een paar te noemen. En ook de mannen (en een paar vrouwen) die in de jaren negentig op het schild werden gehesen, denk aan succesvolle ondernemers, gingen later alsnog voor de bijl.

 

Staat heeft sociologen nodig

1926. De jonge Margaret Mead, moeder van de Amerikaanse (Westerse) Sociologie (Culturele Antropologie) opSamoa, tussen twee van haar informanten die het materiaal leverden voor haar geruchtmakende boek Coming of Age in Samoa. Veel later bekenden beide informanten dat ze vooral de dingen hadden verteld die Margaret volgens hun graag wilde horen. Het plaatje toont een trio dat je met enige fantasie een hippie-achtergrond zou toedichten. Overeenkomst: seksuele vrijheid.


Nieuwe ideeën en nieuwe middelen, die voor een nieuwe sociale ordening moesten gaan zorgen. De studie sociologie boemde in de jaren zeventig. Want de staat ging het allemaal regelen en zonder voldoende sociologen ging dat niet lukken. Tenzij je erg lief bent voor elkaar. Dan gaat het vanzelf (dachten de hippies en de communisten). Dan heb je weinig regels nodig. Anarchie dus. Heerlijk. De mens is van nature goed en dat zal blijken als je kinderen anti-autoritair opvoedt. Margaret Mead had het zelf allemaal waargenomen op Samoa en dokter Spock bleek een bevlogen supporter. Op Samoa kwamen geen onhandelbare pubers voor en seksuele opvoeding gebeurde er door familieleden en verliep zonder conflicten en stress. Het heeft heel wat moeite gekost om het opwindende Samoaverhaal te ontmaskeren. Een harde klap voor de sociale wetenschap. Maar intussen waren de oude omgangsvormen, de etiquette, het huwelijk en eert uw vader en uw moeder soepeltjes de nek omgedraaid. U werd jij en meester werd Joop. Het zou nog even duren, maar uiteindelijk hield Joop het voor gezien en bleef José achter met experimenteel broedsel.

De neo-liberale samenleving van na 1990 had weinig behoefte meer aan sociologen. We deden het zelf wel. Psychologen en psychiaters, een-op-een, coaches, mental trainers, daar hadden we meer aan. En de rest plukten we wel van internet. De gelauwerde studie die in de laren zeventig op het linkse schild werd geheven, ligt al enige tijd aan het infuus. Maar er komen nieuwe tijden. Er komen altijd weer nieuwe tijden. We gaan weer leren dat de mens een sociaal wezen is. Desnoods een robothondje, maar de mens zoekt contact. Lijfelijk contact. High-tech, high-touch, hield John Naisbitt ons in 1982 voor in zijn bestseller Megatrends. Een van de megatrends die niemand toen voorzag was internet met het World Wide Web. De mensheid als een grote familie! Dachten we in dejaren negentig. Dat viel tegen, de rest werd mega. Destructieve innovatie van de hoogste orde. Super-orkaan. Verwoestend en vernieuwend. En in aanzienlijke mate het resultaat van de speelse geest van anti-autoritaire, ludieke hippies in Californië.

 

De verbeelding aan de macht

Ja, er veranderde nogal wat. De verbeelding kwam aan de macht. De Homo Ludens klopte aan de poort. Waarom nog werken? Spelen zouden we, ook met de buurvrouw. De NVSH wist op alle neigingen raad en in het clubblad De Sextant werden thema’s behandeld die intussen al weer geruime tijd tot het domein van de misdaadjournalistiek behoren. We schrokken ons rot van de incest en de pedoridders. Conclusie: anti-autoritaire opvoeding werkt niet, net zo min als de ideeën van de Bhagwan. Maar intussen hadden we wel ons arsenaal aan geestverruimende genotmiddelen aanzienlijk uitgebreid. Daar raak je uiteindelijk van in de war als samenleving. Dan ga je sigaretten uitroeien (hij was een smokkelaar, die diep in de nacht…) en cannabis vrijgeven.

We zijn intussen al weer een halve eeuw verder. En een halve eeuw is een aardige maat voor maatschappelijke ontwikkelingen: kondratieffcycli komen niet alleen in de economie voor. Een halve eeuw betekent twee generaties. Generatie 1 wil alles anders, generatie 2 gaat ermee aan de haal en verkloot het, generatie 3 komt tot inkeer. Misschien toch niet zo’n goed idee, zo’n anti-autoritaire crèche waar de peuters, naakt en onder de stront, elkaar met hamers te lijf gaan en waar je dan niks van mag zeggen. Of zo’n commune waar moeder haar hemelse vrijheid viert terwijl haar kwetsbare dochter van dertien door alternatieve vrijdenkers wordt belaagd.

En dan valt ineens de muur en het communisme, op een paar freaks in Noord-Korea en Cuba na. En het WTC, dat valt ook, recht omlaag. Maar het leger hebben we opgedoekt, we gaan de strijd aan op onze mooie ogen en onze mooie ideeën. Niet dus. En net als we denken dat we allemaal gaan cashen dondert die krankzinnige beurs in elkaar. En dan leren we door schade en schande dat je daar als kleine man weg moet blijven omdat de Morganboys jou niet gaan vertellen hoe ze de zaak gaan opblazen. Voorkennis beste man, daar gaat het om. Laat je niet gek maken. Die voorkennis mis je, beste man. Je bent financieel kanonnenvoer, beste man. Je bent de laatste laag van de hubrispiramide, lager kan niet. Je mag alleen betalen, jouw kettingbrief, beste man, wordt door niemand meer gelezen. Zo is het, daar moet je het mee doen. Dat wil zeggen, daar doe ik het maar mee. Een beetje bedroefder en een beetje wijzer. Het enige waar je niet over in hoeft te zitten is dat je ouder wordt. Probeer in die paar jaar tot je echt oud bent iets te leren en vertel dat je kinderen ook al luisteren ze niet.

 

Nieuwe tijden, nieuwe kansen?

En toen kwamen de hippies.

De klassieke tegenstelling tussen radicale bohémiens en preutse burgermannen - de bourgeois – leek zo rond de eeuwwisseling niet meer te bestaan. De rebellen uit de jaren zestig en de materialistische yuppen van de jaren tachtig vonden elkaar in een nieuw monsterpact dat zich soepeltjes aan de top van de Amerikaanse samenleving nestelde. De bourgeois bohemiens, kortweg bobo’s, met hun eigen Bohemian Rhapsody op nummer 1.

Wat was er in vredesnaam gebeurd? Simpel: de rebellen uit de jaren zestig veroverden de bedrijfsburelen en infecteerden die met het hun vertrouwde revolutionaire taalgebruik. Ondernemers begonnen - net als de hippies van toen – te hameren op constante verandering, maximale vrijheid en jeugdig enthousiasme. De typische held in een doorsnee profile van het zakenblad Forbes was niet enkel meer een goed ondernemer. Hij speelde ook fluit, schilderde en trad op in een rockband. Hij las boeken als Aristotle on Management of Shakespeare on Strategy. Zakendoen moest samengaan met spiritualiteit.

Sommige hippies bleven hippies. En langzaam maar zeker bleef iedereen steeds jonger en werd de jeugdcultuur dominant. Volwassen worden werd een angstbeeld.


De nieuwe ondernemers moesten niets hebben van de tayloristische principes van arbeidsdeling. Ze wilden af van hiërarchie, ze transformeerden naar platte organisaties, ze begonnen biologisch te denken (een goed voorbeeld van eigen bodem was Eckart Wintzen van BSO, die zichzelf professional hippie noemde) en waren quasi-informeel (weg stropdas, maar wel de correcte schoenen). De machine was niet langer het symbool van doelmatigheid. Het ecosysteem werd nu de inspirerende metafoor. De CEO zag zichzelf niet meer als de Grote Leider. Hij wilde inspirator zijn, motivator, orkestdirigent desnoods. ‘Wat nou zakenman? Ik ben helemaal geen zakenman. Ik ben een scheppend persoon die toevallig zaken doet.’ De bobo's zetten de hele zakenwereld op zijn kop. Zakenmensen begonnen te praten als artiesten, ze hadden het over sociale missies, creativiteit en bevrijding. Ze gedroegen zich als spirituele adviseurs.




Zo begon Microsoft met linksonder Bill Gates. Het hippiedom had iets met computers omdat ze de belofte inhielden van de totale bevrijding van het individu. Het liep een beetje anders. Nog zeer recent 'ontdekte' ik dat Windows ieder half uur alles wat ik doe doorseint naar de servers van Microsoft. Om mij te helpen. Het vermoeden bestaat dat dat niet het hele verhaal is.









Ook hier zijn de tijden veranderd. Lees maar eens wat  Jan Tißler daar op 12 12 2017 over schrijft:

Hippie oder Hightech?                   

Die Visionäre des Silicon Valleys vergleichen sich gern mit denen des Summer of Love. Aber haben sie überhaupt etwas gemeinsam, außer dass sie am selben Ort sind?  


In so mancher Hinsicht sind die „Hippies“ im Silicon Valley eben doch auf einem anderen Pfad unterwegs als jene vom Summer of Love in San Francisco. Während man damals von einer Zukunft voller Frieden und Freiheit für jeden träumte, ist das bei den Tech-Visionen von heute nicht immer so ganz klar. Schnelles Wachstum ist die Priorität, getrieben von Risikokapitalgebern. Airbnb will die Hotelindustrie angreifen, aber selbst nicht als Anbieter von Unterkünften angesehen werden. Uber macht immer wieder negative Schlagzeilen, wenn es um die Behandlung der Mitarbeiter und Mitarbeiterinnen geht. Google, Facebook und Datenschutz – ein sehr undurchsichtiges Thema.

Die Tech-Industrie mit ihren vielen Milliarden US-Dollar Risikokapital und hohen Gehältern wird außerdem dafür verantwortlich gemacht, dass jene Künstler, Aussteiger und Freigeister von damals keinen Platz mehr im San Francisco von heute finden. Die Stadt liefert sich mit New York einen Zweikampf um den Titel des teuersten Wohnortes der USA. Eine Zweizimmerwohnung kostete im Oktober 2017 im Durchschnitt 3.377 US-Dollar pro Monat.  Und während die Fahrzeuge des Nahverkehrs museumsreif aussehen, sind Flotten von brandneuen autonomen Autos auf den Straßen unterwegs. Sie geben einen Ausblick auf die Zukunft.

Fraglich ist nur, wie viele Menschen von dieser Zukunft letztlich profitieren werden. Denn wo sich die Blumenkinder selbstlos für eine bessere Welt einsetzten, müssen Silicon Valleys Unternehmen am Ende Geld verdienen. Das ist an sich erst einmal nicht verwerflich. Es ist nur ein erheblicher Unterschied. Denn Geld bedeutet Macht, die auf unterschiedliche Arten eingesetzt werden kann. Ob man in Socken oder Schuhen revolutioniert, ist da erst mal egal. (Voor hele artikel klik hier.)


Second Life                        

In 2003 werd een 'hippiegedreven' initiatief gelanceerd dat al snel opmerkelijk veel aandacht en gebruikers kreeg: Second Life, ontwikkeld en gerund door Linden Lab en bedacht door Philip Rosedale (Philip Linden), die op zijn 17de al zijn eerste computerbedrijf startte. Een virtuele wereld waarin deelnemers in de gedaante van een avatar een bestaan kunnen opbouwen met aanzienlijk meer vrijheidsgraden dan in de reële wereld. Geen spel maar wel met alle uiterlijke kenmerken van een videogame. Iedereen wilde erbij zijn. Grote, serieuze bedrijven openden er kantoren en hoogleraren gaven er colleges. Anderen werden vooral gedreven door ontmoetingen met (onmenselijk mooie) avatars van het andere geslacht. Met een eigen munt de Linden dollar, waar je reëel rijk mee kon worden. Het project had sterk idealistische trekken: dingen doen die in de echte wereld onmogellijk dan wel verboden zijn. Een wereld zonder regels. Sommigen meenden hier al een voorbode te zien van onze toekomst: virtueel. Het liep uiteindelijk toch wat anders omdat de wereld die op Second Life werd gecreëerd steeds meer ging lijken op de echte wereld. Met alle negatieve kanten vandien. Er kwamen waarschuwingen van Linden Lab dat je niet iedere avatar op zijn blauwe ogen moest vertrouwen. Er liepen bedriegers en perverselingen tussen. En daar zaten de meeste virtuele vrijheidszoekers niet op te wachten. Second Life bestaat nog, met veel minder gebruikers. De hoop op een renaissance is nu gevestigd op de komst van VR-brillen. Het zal het wezenlijke probleem van een wereld zonder regels niet wegnemen. Om een idee te krijgen van het sfeertje moet je dit filmpje maar eens bekijken.


Bevrijding van de slavernij

Het gekke is dat in de jaren zestig werd gedacht dat de mens binnen een aantal decennia ten dele bevrijd zou zijn van de slavenbezigheid die werk heette. Niets is minder waar gebleken. Werk is een vorm van zelfexpressie geworden, niemand wil er meer mee ophouden. Zelfs in de weekends wordt doorgewerkt. Graag zelfs. De wilde rebellie van de jaren zestig heeft niet geleid tot permanente opstand. Veel plausibeler lijkt het dat de bourgeoisie zichzelf gerevitaliseerd heeft via een stevig shot liberale energie. Na 1989 was er nog maar één dominante, maatschappelijke visie: de liberale. En het hoogste wat de postmoderne mens zich kon wensen was baas in eigen buik, in eigen huis en in eigen bedrijf. En om ergens te beginnen werd de ZZP-er uitgevonden. Het heeft even geduurd voordat de beklagenswaardigheid van deze held duidelijk werd. Maar toen was het onheil al geschied. De sociale structuur waarin arbeid en kapitaal voor checks and balances zorgden, was vrij effectief gesloopt. Vanaf dat moment konden de winsten ongehinderd binnengehengeld worden. Vermogen groeide ongekend en de inkomens uit arbeid stonden stil. Intussen al zo’n dertig jaar! Het moet uit de lengte of uit de breedte, niet waar.

 

De ondernemende intellectueel

Net zoals de ondernemer zich in het informatietijdperk als een quasi-intellectueel is gaan opstellen, ging de intellectueel zich meer gedragen als zakenman. Men ging spreken van 'ideeënmarkt' en 'intellectueel eigendom'. De intellectueel was niet langer de afstandelijke figuur die, uittoornend boven het dagelijkse leven, zijn minzame visies over het volk uitstrooide. Zijn grootste angst was altijd om gecorrumpeerd te worden door iets vulgairs als geld. Maar zie: in het informatietijdperk begonnen intellectuelen hun ideeën te verkopen, ze zochten marktniches op, ze moesten vechten om aandacht. Een idee was niet langer een wapen om de samenleving genadeloos mee te fileren, maar gewoon een eigendom dat verhandeld kon worden. Zoals eerder, in de jaren tachtig, het academiaat aangestoken werd door het ondernemersvuur. Op zich lovenswaardig maar of het ook altijd goed uitpakte is de vraag. Universiteiten zijn geen moneymakers, ze kosten geld, als ze doen wat ze vooral zouden moeten doen: onze kennis vermeerderen en goede mensen opleiden in de goede domeinen. De overheid deed een stap terug en het bedrijfsleven stapte maar wat graag naar binnen. Het risico dat men eerder zelf nam met investeringen in verkennend onderzoek werd overgeheveld naar het publieke domein. Corporate R&D-afdelingen werden gatekeepers op zoek naar veelbelovende, met publiek geld gegenereerde kennis. En zo werd de wetenschap een bondgenoot in de wereldwijde economische oorlog. Aanvankelijk fier, ondernemend, later gelaten toen de belangen van bedrijven steeds dwingender werden. En de op afstand van de overheid geplaatste besturen vol overtuiging

 

Bill Clinton: archetypische bobo

In feite was Bill Clinton de vleesgeworden bobo. In de jaren zestig protesteerde hij tegen de oorlog in Vietnam en twintig jaar later handelden hij en zijn vrouw vrolijk op de beurs. Ze kwamen het Witte Huis binnen met zowel burgerlijke ambities als bohémien-idealen. Ze moesten voortdurend compromissen sluiten, verschillende culturen met elkaar verzoenen. Wat er verder ook over zijn presidentschap te zeggen valt, Clintons stijl van leidinggeven was invloedrijk. Bobo's waren er met heel hun wezen op gericht extremen te verzoenen. Ze waren pragmatisch en wilden verder werken. Uit de retorica van conservatieven en progressieven werd direct de angel verwijderd, radicalisme was alleen maar lastig en belemmerde het proces van verzoening. Bobo-politici, Clinton, Blair, Kok, waren constant bezig om de excessen van de twee sociale revoluties die hen aan de macht hadden gebracht, te corrigeren. Ze zagen het als hun taak om de sociale cohesie te herstellen en het gezag weer meer aanzien te geven. De verheerlijking van individualisme en vrijheidsstreven, zowel door Democraten als Republikeinen, waren volgens hen doorgeslagen. De twee partijen groeiden onder invloed van Clintons bobo-beleid trouwens ook naar elkaar toe. Republikeinen zagen de overheid niet meer als de grote Satan en Democraten verwachtten er niet langer alle heil van. Bobo's waren in zekere zin conservatief. Ze wilden een compromis tot stand brengen tussen het beste van twee werelden en daar zaten ook de goede oude familiewaarden van vroeger bij. Bobo's werden de personificatie van de Third Way. De wereld van D66 waar de socialisten aan kapot zijn gegaan toen ze het feestje van de jaren negentig mee wilden gaan vieren. Het was allemaal nog behoorlijk Lewinsky. Die tijd is nu voorbij. Het conservatisme rukt op. De jaren zeventig zijn nu ook voorbij. Trump in plaats van Hillary. Oorlog tussen Democraten en Republikeinen, tussen democraten en autoritairen, tussen socialisten en populisten, tussen Oost en West, tussen Noord en Zuid, tussen Mens en Aarde, tussen Mannen en Vrouwen. Tussen wel en niet EU. Tussen digitaal en analoog. Gaan we weer leren dat we analoge wezens zijn? Dan staat The Analogues nog een mooie toekomst te wachten. The start of history?.

2018. The Analogues in Liverpool tussen de beeldengroep van hun helden. Hun uitvoering van The White Album was een eclatant succes. Er is in een halve eeuw veel veranderd. Maar goede muziek blijft goede muziek. Dat maakt het leven overzichtelijk voor oude man. En standbeelden zorgen voor stabiliteit en continuiteit.


Espunt, 16 januari 2019