MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0999

Praatje van 20 mei 2020



Zonder buffers komen we er niet


Van de krappe naar de buffereconomie, stond er boven de column van Marike Stellinga in de NRC van 1 mei 2020. Ik lees haar columns graag (en ga er stiekem van uit dat dat wederzijds is…) omdat ze getuigen van een heldere en onafhankelijke geest. In dit geval werd mijn aandacht vooral getrokken door dat eigenaardige woordje buffer. 

Just-in-time

Marike citeert onder meer de Financial Times: “Het virus zou wel eens een einde kunnen maken aan de superefficiënte, alles 'net aan' economie. De coronacrisis laat de dunne marges zien waarop veel mondiale bedrijven worden gerund”. En zij gaat verder met de The Atlantic: “Precies genoeg voorraden, stipte leveringen, veel schuld, zo min mogelijk vast personeel dat zo maximaal mogelijk op een kluitje werd gepropt. De werkplek werd kleiner, de vliegtuigstoelen ook, in ziekenhuizen moesten zo min mogelijk bedden leeg staan”. 

Volle vakken

De moderne economie ontwikkelde zich in de richting van het bufferloos buffelen. Een logische ontwikkeling als maximalisering van de winst en het belang van de aandeelhouder voorop staan. Want buffers kosten geld. Het effect zie je bijvoorbeeld bij de winkels van het Kruidvat (let wel, als voorbeeld). Ooit hadden winkels nog een ruimte waar de klant niet kwam. Die was bestemd voor het bufferen. De voorraad. Het Kruidvat moest (in ieder geval in Nootdorp) kiezen: voorraadruimte of lagere prijzen (Of meer winst? Of allebei?). Het resultaat is proppen en puinhoop. Alles wat wordt aangevoerd moet direct de winkel in. Bufferen is er niet meer bij. De schappen krijgen zo in feite een dubbelfunctie: uitstalling en voorraad. Soms zie je klanten samen aan een artikel trekken dat ze alleen niet los krijgen. En als ze het dan hebben onttrokken aan het schap, is er een goeie kans dat de rest van het schap in het veel te krappe gangpad terecht is gekomen. Dat mogen de medewerksters dan weer terug proppen. Een nog wat onschuldig maar wel kenmerkend voorbeeld van het bufferloos buffelen.  

Hoge huren

Je kunt natuurlijk ook zeggen dat de projectontwikkelaars en de financierende pensioenfondsen en de inhalige gemeentes (alles voor de veeleisende burger) zoveel willen vangen voor hun objecten dat Het Kruidvat geen keuze heeft. De huren zijn volgens mij schrikbarend. Die zijn alleen te betalen als je producten uit het Verre Oosten te koop aanbiedt tegen de laagste kosten en met de grootste marge. En zo zijn we onder aan de streep allemaal medeplichtig in dit drama en krijgen we ook allemaal de rekening gepresenteerd als het systeem door zijn stutten zakt. Ja, wij allemaal. Dus ook de consument die zich verweert met te wijzen op zijn hoge hypotheek en de kosten van de kinderopvang. Alles jaagt alles op tot aan de grens en soms er overheen. En de collateral damage wordt op het stoepje van de samenleving gedeponeerd. Want we profiteren toch allemaal? Zou het? Ik ben daar nog niet zo zeker van. Kijk maar eens naar het gebruik van medicijnen en stimulerende middelen, en naar het beroep op de onmisbare hulp van allerlei toverdokters om op de been te blijven en de race vol te houden. Of hebben we misschien wat te veel toverdokters rondlopen? En dan die de kloof tussen arm en rijk die maar toeneemt. Daar wordt de wereld ook niet stabieler door. 

De Goedheiligman

Nog even een aanvullende anekdote die me plots te binnen schiet. Als Goedheiligman (let wel, ik zeg dus niet de Goedheiligman) kom ik soms op plekken die voor minderheiligen ontoegankelijk zijn. Zo liep ik vorig jaar, het virus sloop misschien al rond!, door een kledingwinkel en gaf op zeker moment te kennen dat ik de eigenaar van de winkel even wilde groeten (en moed inspreken). Omdat het zeer ongepast, zo niet contraproductief, is om een verzoek van de Sint te weigeren, werd ik met de nodige aarzeling meegenomen naar een onopvallend deurtje met een bordje “Alleen personeel”. Achter de deur zat de winkelbaas achter het kleinste formaat notebook op een plankje, op een krukje de verkoopprestaties te volgen. Opstaan kon niet, hij zat klem. Ik vergaf het hem. In wezen bestuurde hij zijn bedrijf vanuit de spouw. Hij verontschuldigde zich voor het geringe comfort dat hij mij te bieden had. Een heer, slachtoffer van de bufferloze tijdgeest. En dan komt er zomaar, een vreemdeling zeker, zeker niet gepland, binnenvallen, ook al was vallen fysiek onmogelijk. Een wat aparte manier om overeind te blijven. Maar ja, hij had ook een vrouw en een paar kinderen in leven te houden. Ik vraag me wel af hoe het nu met hem gaat. Overigens is de Goedheiligman wel het symbool van het Perpetuum Pecunia, de nooit sputterende geldkraan! 

Buffers kosten geld

Stapels noodvoorraden liggen er in pakhuizen. Voedsel, zoals graan om brood te maken, maar ook brandstof en medische hulpmiddelen, zoals mondkapjes. Waar elders in de wereld een groot tekort is aan medische beschermingsmiddelen, hadden ze dat in Finland de eerste weken van de coronapandemie goed voor elkaar.

Buffers kosten geld, maar ze zijn ook waardevol. Paradox? Het is maar net wie welke sommetjes maakt en hoe de getalletjes worden ingevuld. Of het nou om voldoende ziekenhuisbedden en mondkapjes gaat, of om kapitaal, werkruimte en voorraden. “Just in time” moet veranderen in “just in case”, aldus de Financial Times van Marike. Van het proppen van mensen in vliegtuigen, fabrieken en kantoren en het aanhouden van zo min mogelijk voorraden of kapitaal, naar meer voorraden, meer ruimte, meer kapitaal. Van zo min mogelijk bedden onbezet naar: je kan er maar beter te veel hebben. Duitsland bulkt van de hart-long-machines die bij ons veel levens hadden kunnen redden. Tja, wij zijn nu eenmaal een handelslandje! Dank je de koekoek. En als het misgaat geven de snelle jongens niet thuis (wat nou lock-down). Dan kan jan-met-de-pet, gekneed door lamentabele tv-spotjes, weer zoeken naar zijn laatste muntjes voor in de collectebus. 

Stootblok

Buffer. Wat is een buffer? Waar dient een buffer voor? Welkom in de wereld van de buffer.

In de oorspronkelijke betekenis is een buffer (uit het Engels/Frans) een stootkussen. Iets dat de impact van twee botsende objecten verzacht. Aanvankelijk in gebruik om de positie van een staat aan te geven die tussen twee vijandelijke staten ligt. Een bufferstaat. Nog niet zo lang geleden konden de oostbloklanden als een strategische buffer worden beschouwd tussen Oost en West. Het oostblokland als stootblokland. Ook de stootblokken op locomotieven en rijtuigen werden buffers genoemd. Het aardige is dat het denken in termen van “just-in-time” juist door de uitrol van het spoorwegstelsel belangrijk is geworden. De treinen moesten op tijd rijden en dat betekende onder meer dat alle lokale tijden gesynchroniseerd moesten worden. Het spoorboekje, lees de planning, werd leidend in de vooruitgang. Maar op tijd stoppen aan het eind van de lijn was ook belangrijk. En ging er iets mis met het remmen dan was er altijd nog het stootblok.

Een buffer helpt een klap of een snelle en ongewenste verandering op te vangen, uit te smeren, te dempen, zodat de gevolgen minder ernstig zijn. Bij de vorige crisis bleken de banken onvoldoende gebufferd te zijn. Ze hadden te weinig reserve, eigen kapitaal, om de klap op te vangen. De overheid, lees de belastingbetaler, moest als paniekbuffer de klap opvangen,  redden wat er te redden viel. Vervolgens werden de banken verplicht hun buffers te versterken. Dat vonden ze niet leuk, overdreven soms. Tja, het gaat ten koste van de winstgevendheid.

In de financiële wereld heeft men sowieso moeite met buffers. Geld waar je als bank alleen maar op mag passen. Dat bedoeld is om te overleven als het ineens moeilijk wordt. Dat geld kan heel lang niks liggen te doen. Net als IC-bedden als er geen pandemie heerst. Waarom sparen? Is lenen niet beter? Geld moet rollen. Als je zeker weet dat je huis alleen maar kostbaarder wordt, als je zeker weet dat je gezond blijft, dat je huwelijk overeind blijft, dat je altijd inkomen zult hebben, kortom, als de wereld zo voorspelbaar is, dan komt het wel goed met de schulden. Maar zo zit de wereld nu eenmaal niet in elkaar. Het bestaan is in hoge mate onvoorspelbaar. De wetenschap mag blijven zolang ze ons kunnen laten geloven dat ze de wereld voorspelbaarder maken. Maar voorlopig blijft lenen een gok nemen. Zowel voor de gever als de nemer. Hopen dat je tegen niet al te veel ellende aanblundert. Een buffertje, zodat je niet direct een incassocowboy aan de deur krijgt, is misschien toch verstandiger.

Die wereldwijde, alleen maar toenemende schuldenberg bevalt me helemaal niet. Tenzij we ooit op een of andere Bildenbergconferentie hebben afgesproken dat we die schuld gewoon niet aflossen. Niemand. Nooit niet. Gewoon schulden voor eeuwig aflossen met nieuwe nog hogere schulden. Je moet er natuurlijk ook nog wat aan overhouden. Dan kunnen we onbeperkt op de pof leven in een soort luilekkerland. Ik weet dat er iets mis is met dit idee, maar wat? Misschien dat er zo nu en dan iemand niet meedoet met het grote complot en zijn geld terug wil? Maar dat is dan vals spelen.

Geen leven zonder buffers

Ook de natuur heeft het belang van buffers al heel lang geleden ontdekt. In het goede jaargetijde bufferen voor het slechte. Zoals de hamster die ten onrechte wordt geassocieerd met paniekgedrag als gevolg van het (vermeend) ontbreken van buffers. De hamster buffert gewoon, net als al die andere dieren die op tijd een voorraadje aanleggen om een periode van schaarste te overleven. Een heel ander soort buffer zorgt ervoor dat de zuurgraad van het bloed binnen nauwe grenzen constant blijft, ongeacht wat we binnenkrijgen of in wat voor toestand we verkeren. Een chemische buffer. De zuurgraad, de pH-waarde, moet tussen 7,35 en 7,45 blijven. Een heel nauw interval. Het principe wordt overal toegepast in de procesindustrie. Na de onverwachte energiecrises van de jaren zeventig hebben we een systeem van strategische brandstofvoorraden geïntroduceerd. Als we op zon en wind gaan leven hebben we buffercapaciteit nodig omdat we rekening moeten houden met variaties in de beschikbaarheid van zon en wind. Opslag van olie, gas, steenkool, accu’s, dieselgeneratoren, warmteopslag in de bodem, spaarbekkens voor zoet water, etc. Zonder buffers lopen we snel vast. Ook in de computerwereld helpen buffers ons “de winter door”. Vaak in de vorm van tijdelijke dataopslag om informatieprocessen soepel te laten verlopen.  

Omgaan met onvoorspelbaarheid

Preppers zorgen dat ze voorbereid zijn op het ergste. Een behoorlijke hype, zeker in de VS. Als de schappen van de supermarkt leeg zijn, wordt het tijd voor de prepper om de eigen kelderschappen op te zoeken.



Just in time en net genoeg past bij een voorspelbare wereld. Zoals kernenergie. Prima oplossing in een stabiele, goed georganiseerde wereld. De buffereconomie past bij een wereld die onvoorspelbaar is, bijvoorbeeld door het uitbreken van een pandemie. En als bedrijven deze conclusie niet zelf trekken, is de kans groot dat overheden ze daar na deze crisis toe dwingen. Net als ze deden bij de banken na 2009: meer bufferkapitaal aanhouden alsjeblieft. We hebben geen zin nog een keer het bedrijfsleven op deze schaal te moeten redden. Dan maken we de weerbaarheid verplicht groter. 

Als we overtuigd zijn van de kwetsbaarheid van een bufferarm bestaan, dan is natuurlijk de volgende vraag: goed dan, we gaan bufferen. Maar wie gaat het doen en waar gaan we de buffers stallen? Is het een goed idee om de productie van essentiële medicijnen geheel over te laten aan landen als India en China? Op wie kunnen we echt rekenen als het eropaan komt? Over een jaar, over vijf jaar, over tien jaar. Bufferen betekent rekening houden met onvoorspelbaarheid. Over tien jaar zal de wereld er totaal anders uitzien dan nu. En niemand weet hoe anders. De logica is simpel, lijkt me. De essentiële voorzieningen moeten we in eigen hand houden, hooguit toevertrouwen aan onze beste buitenlandse vrienden. Met alleen All you need is love, redden we het niet. Het zal geld kosten. Maar als ik zie hoe “makkelijk” enorme bedragen nu worden uitgegeven om de wereld te redden, zou je daar in preventieve sfeer toch ook het nodige mee kunnen doen.  

Het motto in de moderne economie werd: just-in-time. Een wereldwijd productie- en leveringssysteem met een optimale efficiency. Elke kier van het voorzieningengebouw tochtdicht. Daar produceren waar de som van loon- en vervoerskosten het laagst zijn en vervolgens ook nog zorgen dat alles precies op het afgesproken tijdstip beschikbaar is. Een logistiek mirakelstuk dat uiteraard alleen mogelijk is met geavanceerde informatietechnologie en in een voorspelbare wereld waar alles gebeurt zoals verwacht. Geen oorlogen, aanslagen, milieurampen of gezondheidsrampen. Geen opstandige arbeiders of studenten, geen weerspannige consumenten, alles moet kloppen. En als alles klopt is iedereen blij. Groeiende economie, groeiende welvaart, groeiende consumptie. De zegeningen van de vrije-markt-economie die niet gehinderd wordt door grenzen en obstakels. De zegeningen van de ideale wereld. Het paradijs. Maar die stabiele, voorspelbare wereld die op de minuut nauwkeurig ingevuld kan worden, waar de assemblage nooit stil valt omdat een onderdeel niet op tijd is, waar de consument van uur tot uur op de hoogte wordt gehouden van de intocht van zijn aankoop, die wereld blijkt telkens weer een illusie. Er vliegen zomaar een paar jets een hoog gebouw in, er valt een grote bank om, er komt een buitenaards rotsblok op ons af, halve continenten vliegen in brand, een klein dictatortje jongleert met atoombommen waar een beschaafde Pakistaan de kennis voor heeft aangeleverd die hij in ons land heeft gejat, de maffia douwt ons vol met drugs en ander gif, Afrikanen gaan op zoek naar onze rijkdom, of, ook nog een mogelijkheid, er duikt een gemeen vleermuisvirus op dat zich ineens ook thuis voelt in onze cellen. Het kan allemaal gebeuren en we zijn er niet op voorbereid. Omdat dat geld kost. Waarom betalen, offers brengen, voor een potentieel gevaar waarvan we tijd nog uur kennen? Waarom bufferen? Komt tijd, komt raad. Hebben we al niet voldoende gebufferd door zoveel geld in de wetenschap te steken? Dat is een hele goeie, Espunt. Daar had ik nog niet aan gedacht. 

Corned Beef

Het is deze dagen vaker opgemerkt. “Vrijwillige Vrijheidsbeperking” in het jaar dat we 75 jaar vrijheid vieren. Logistiek als vakgebied kreeg tijdens de Tweede Wereldoorlog een enorme “boost”. Er moesten aan de andere kant van de oceaan, in Europa, legers gevoed worden. Met een lege maag win je geen oorlog. Voedsel in blik. Na de oorlog bleven hier nogal wat blikjes achter. Onze terugkerende bevrijders wachtte thuis een overwinningsmaal. Fris van de lever. Even geen voedsel in blik meer. Dat bleef hier achter. En wij, dat wil zeggen onze grootouders, gooiden de blikken niet weg, nee zij legden ze weg op hun zolders en in hun kelders. Zij hadden de Hongerwinter overleefd. Je wist maar nooit. Een voorraadje kon geen kwaad. De wereld was niet ideaal. Koude Oorlog.

Medio jaren zestig mocht ik een paar dagen met een Griekse militaire colonne meeliften van Athene naar Alexandropolis. Niet echt ver, maar het rijdende materieel was duidelijk niet bedoeld voor een Blitzkrieg. Het was meer een examen voor automonteurs. Er was veel panne en gesleutel. Maar wat het wel bleef doen waren de blikken corned beef die de Amerikanen ook in Griekenland hadden achtergelaten. ’s Ochtends, ’s middags en ’s avonds werden ze open getrokken. De inhoud was na twintig jaar nog uitstekend te pruimen. 

Zeven vette en zeven magere jaren

Jozef wordt uit de put gehaald en verkocht aan een Egyptische handelaar.


Rekening houden met het onverwachte is niet alleen van deze tijd. Ik ga jullie nu een verhaal vertellen dat je zult herkennen maar dat misschien wat is weggezakt. Het verhaal van Jozef in Egypte. Voor mij een van de imponerende verhalen uit de Bijbel. Voor de preciezen: Genesis 41.  

Jozef is de zoon van Jacob en Rachel, zijn tweede vrouw en grote liefde. Benjamin is zijn jongere broer. Jozef heeft een aantal halfbroers, zonen van Jacob en diens eerste vrouw Lea (en ook nog van enkele dienstmaagden). Jacob trekt Jozef en Benjamin voor. Bovendien had Jozef eens verteld dat hij gedroomd had dat de broers ooit voor hem zouden buigen. Het zet kwaad bloed bij de halfbroers. Jozef had iets met dromen.

In Egypte komt Jozef in dienst van Potifar, een hoffunctionaris. Hij krijgt al gauw een leidinggevende positie in het huis van zijn meester. De vrouw van Potifar probeert hem te verleiden. Jozef gaat hier niet op in, waarna de vrouw hem beschuldigt van een verleidingspoging. Potifar gooit Jozef in de gevangenis.

Ook in de gevangenis krijgt Jozef al spoedig een speciale positie. Tijdens zijn gevangenschap verklaart hij de dromen van twee andere gevangenen: de opperschenker en de opperbakker die bij de farao in onmin waren geraakt: hij voorspelt dat de bakker ter dood zal worden gebracht en dat de schenker in functie zal worden hersteld. De voorspelling komt uit. 

Twee jaar later heeft de farao een paar dromen die niemand kan verklaren. In de eerste droom staat hij bij de rivier. Uit de rivier komen zeven koeien omhoog. Het zijn dikke, mooie koeien. Ze beginnen in het gras langs de rivier te grazen. Maar er komen nóg zeven koeien omhoog uit de rivier: magere, lelijke scharminkels. Ze gaan bij de andere koeien staan die uit de rivier waren gekomen. En de magere, lelijke koeien eten de zeven dikke, mooie koeien op. De farao schrikt wakker. Maar al snel valt hij weer in slaap. En weer droomt hij. Dit keer van zeven dikke, mooie korenaren die uit één stengel groeien. Daarna groeien er uit diezelfde stengel ook nog zeven dunne aren. Ze zijn verdroogd door de hete oostenwind. En de zeven dunne aren eten de zeven dikke, volle aren op.  

Jozef verklaart de dromen van de Farao.Het gaat om korenaren en koeien. Er moet gebufferd worden.


Als de officiële droomduiders geen verklaring hebben, herinnert de schenker zich Jozef uit de gevangenis. Hij overtuigt de farao. Jozef moet de dromen van de farao uitleggen. Hij voorspelt dat er zeven jaren van overvloed zullen komen gevolgd door zeven jaren van schaarste en hij adviseert om iemand aan te stellen die ervoor zal zorgen dat er tijdens de eerste zeven jaar graanvoorraden aangelegd worden. De farao vindt dat Jozef de juiste man is en benoemt hem tot grootvizier.  

Hier zouden we voor ons bufferverhaal kunnen stoppen, maar de afloop is ook de moeite waard. Want Jozef heeft nog een appeltje te schillen met zijn halfbroers. 

Als eenmaal de schaarste aanbreekt, blijft die niet tot Egypte beperkt, ook Kanaän zucht eronder. De oude Jakob stuurt zijn tien oudste zoons naar Egypte om graan te kopen. Een gevaarlijke opdracht. Alleen zijn lievelingszoon Benjamin houdt hij thuis. 

Bij aankomst in Egypte worden de broers door Jozef ontvangen. Jozef herkent zijn broers, maar dat is niet wederzijds. Jozef beschuldigt ze van spionage en zet een van hen, Simeon, gevangen. De andere negen stuurt hij met volle graanzakken weer naar huis. Maar wel met een waarschuwing: als ze weer komen zullen ze alleen graan krijgen als ze Benjamin meenemen. 

Het laatste is slecht nieuws voor Jakob, want hij kan moeilijk van zijn lievelingszoon scheiden. Maar nood breekt wetten, de honger overheerst. Jacob geeft toestemming dat de broers opnieuw naar Egypte afreizen en Benjamin meenemen. Het spel van Jozef wordt listiger. Deze keer worden ze gastvrij ontvangen. Jozef geeft ze volle graanzakken mee, ook Simeon mag mee terug. Maar ze zijn nog maar net vertrokken, of Jozef beschuldigt Benjamin van diefstal. Dan houdt Juda een toespraak, hij zegt dat hij er alles voor over heeft om Benjamin vrij te krijgen. Deze broederliefde overtuigt Jozef. Hij maakt zich aan zijn broers bekend en nodigt de familie uit om zich in de Egyptische provincie Gosen te vestigen. 

In de vierhonderd jaar dat de familie in het land Gosen verblijft zal deze aangroeien tot het volk der Israëlieten. 

Het archetypische bufferverhaal dat de loop van de geschiedenis heeft bepaald. En als je erin gelooft kunnen dromen helpen de voorspelbaarheid van de wereld te vergroten.

Espunt, 20 mei 2020