MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0191

Praatje van 14 september 2020


“Great Ape Tool Test Battery” in Memenland

 

Weer naar school

Dit verhaal is geboren middenin coronatijd. Na een wonderlijke periode van thuisonderwijs: lekker niet naar school, wanneer mogen we weer naar school? zijn onze scholen fysiek weer van start gegaan. Online en individueel onderwijs, in precoronatijd vaak aangeprezen als de nieuwe toekomst, valt na enige tijd toch tegen. Leren gaat met vallen en opstaan, schade en schande. Wij zijn groepsdieren, zelfs als we en groupe op een smart phone staan te loeren.

Hoe dan ook, ouders opgelucht, kinderen opgelucht, onderwijzers: ja, maar. Zoals steeds worden problemen graag op hun bordje neergelegd. Ventilatie, dat moet ze behoeden voor besmetting. En ga er maar rustig vanuit dat de kleinen besmettelijk zijn. Vooral de voorschoolse opvang is een broeinest. Na een dagje oppassen liepen we ook zelf vaak dagen te snotteren. Tenzij alles buiten gebeurt. Daarbij vergeleken is ventileren toch een noodoplossing waarvan de effectiviteit alleen met behulp van TNO enigszins in kaart kan worden gebracht. En de hele dag in de tocht zitten is ook geen pretje.

En liefst naar buiten

"Open-air crusaders“ Elizabeth McCormick Open-air School in Chicago, USA, 1911 (Wikipedia)


Goed aankleden en naar buiten met de club! Dat hebben we honderd jaar geleden al uitgevonden. We zijn het onderweg naar meer comfort kwijtgeraakt. Het is ook een beetje een metafoor voor de historie van het onderwijs. Terzijde, onze Nootdorpse Kringloopwinkel is gehuisvest in de voormalige School met den Bijbel. Drie lokalen die ooit proppievol zaten met de grote klassen uit het verleden en die nu proppievol zitten met overtollige luxe. We zijn na een paar maanden ook weer opengegaan. Als het aan mij had gelegen had ik de hele business het liefst naar het schoolplein verplaatst waar onze bevriende sportschool manmoedig zijn lessen draaide. Als een echte buiten(sport)school. Maar voor ons zaten er toch ook wat praktische problemen aan… We hebben nu een beperkte toegang en overal pijlen op de vloer.

Bij de herstart van het schoolsysteem, met in het achterhoofd het lot van mijn kleinkinderen, liep mijn voorhoofd vol met overwegingen. Essentie was de vraag waar goed onderwijs nu eigenlijk aan moet voldoen. Dan denken we uiteraard op de eerste plaats aan de kennis, kunde en vaardigheden die we kinderen moeten / willen meegeven om een volwaardige rol in de samenleving te kunnen spelen en mede daarmee de basis voor een bevredigend bestaan aan te reiken. Een hele mond vol en dan begint het pas: hoe doe je dat? Wat vinden we belangrijk? Een discussie die nooit stopt. Een tijdje ondergronds smeult, en dan zo maar weer kan oplaaien.

Maar we zijn nu even teruggeworpen op een nog fundamentelere vraag. Niet hoe houden we het leuk, maar hoe voorkomen we te veel ellende. En laten we wel wezen, als onze leerkrachten afhaken of afvallen gaat het mooie onderwijssysteem gewoon k.o. Dan zijn alle onderwijsfilosofieën en –principes opslag tamelijk theoretisch. Daarom toch even een enkele opmerking over de buitenschool, of beter de openluchtschool. (Bron Wikipedia)

Les in de open lucht

Een openluchtschool of buitenschool (Engels: Open-air school, Frans: École de plein air, Duits: Freiluftschule) is een school waar het lesgeven zo veel mogelijk in de openlucht plaatsvindt. Dit kan uiteraad buiten maar ook in een gebouw waarvan wanden of ramen volledig kunnen worden verwijderd of geopend. (In (w)arme streken redelijk normaal en in coronatijd misschien wel een voordeel, GvdS.) 

Openluchtscholen waren aanvankelijk vooral bedoeld voor kinderen met luchtwegproblemen. Langdurig verblijf in de buitenlucht zou heilzaam zijn. In Nederland werd de Eerste Nederlandse Buitenschool in 1913 gesticht in Den Haag. Daarop volgden andere, onder meer in Rotterdam, Amsterdam, Arnhem en Breda. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er meer scholen met gunstige hygiënische omstandigheden  door grote glasvlakken, tweezijdige ventilatiemogelijkheden in de leslokalen en buitenlesplaatsen. Afgekeken van de vooroorlogse openluchtschoolgebouwen.

In de Verenigde Staten begon men in 1908 met dergelijke openluchtscholen. Hoewel de resultaten voor de gezondheid van de kinderen gunstig waren, was het schoolresultaat nogal wisselend. Tussen 1938 en 1941 zijn deze openluchtscholen dan ook weer gesloten.

Daarnaast zijn er ook openluchtscholen voor gezonde kinderen gesticht zoals de Eerste Openluchtschool voor het Gezonde Kind in Amsterdam. En ook bevlogen onderwijzers als Cor Bruyn (ja, van Sil de Strandjutter, lees zijn Sil-verhaal hier) gingen als het even kon met de klas naar buiten. Nog niet zo heel lang geleden deed een goede Veritijnse bekende hetzelfde met klassen waaraan hij het vak Nederlands doceerde. Hij ging met ze de hei op, niet met een botaniseertrommeltje maar met een dichtbundel. Toen ouders dit vernamen, en nog erger ook nog hoorden dat hij homo was, was het gauw afgelopen met zijn onderwijscarrière. Waarmee ik maar wil zeggen dat veranderingen niet vanzelf gaan.

De wereld, ook de onderwijswereld, is verdeeld in een progressieve kopgroep en een behoudend peloton. Zonder kopgroep geen voortgang maar dat wil niet zeggen dat alle vernieuwing goed is alleen omwille van het blote feit dat het vernieuwing is. Een bron van eeuwige discussie in onderwijsland.

Hospiteren in de Sixties

Behalve de huidige ervaringen met mijn kleinkinderen zijn er natuurlijk ook de herinneringen aan mijn eigen schooltijd en die van mijn kinderen. Ik deed in 1963 eindexamen gymnasium bèta. Daarna is het nooit meer rustig geworden “in de klas”. Aan het eind van mijn studie, eind jaren zestig, heb ik zelfs nog onderwijsbevoegdheden verworven voor wiskunde en natuurkunde (voor het geval dat; nimmer gepraktiseerd). Aan de proeflessen die daarbij hoorden, bewaar ik weinig aangename herinneringen: slangenkuil zo’n klas, vooral als de begeleidende leraar er zo nu en dan even tussenuit knijpt voor een bekertje koffie.

Hoewel het op de bèta-faculteit nog wel meeviel, was het in die periode in opvoedkundige zin toch wel een rommeltje aan het worden. De autoriteit was ten grave gedragen en de nieuwe elite, die vol walging neerkeek op het Telegraaflezende klootjesvolk, uiteraard een kleine groep arrogante en spraakmakende betweters (niet erg verschillend van de huidige Woke-elite), deelde de lakens uit (pedagogisch en anderszins). Tijdens mijn colleges Algemene Didactiek werd ik regelmatig overweldigd door plaatsvervangende schaamte als weer eens wereldverbeteraar opstond om met een mond vol radicaal jargon de docent op autoritaire en volstrekt respectloze wijze de les te lezen en zijn plaats te wijzen in de nieuwe autoriteitloze wereld. Nu, vijftig jaar later, beginnen we in te zien hoe geweldig een wereld is waarin iedereen zijn eigen autoriteit is.

Van Lagere School naar Basisschool

Een tijdje later betrad ik met mijn lagere-schoolherinneringen en met een beschroomde kleuter aan de hand voor het eerst sinds jaren weer een lagere school. Niet alleen was de naam veranderd, ook de hele entourage had een metamorfose ondergaan. De basisschool bleek aanzienlijk minder bedreigend dan mijn oude lagere school, waar ik overigens wel een hoop heb geleerd. Dus van mij geen kwaad woord over de Willibrordusschool in Hilversum. Zie ook mijn verhaal: De Klas van Meester Veldmeijer.

Geschiedenisonderwijs en Onderwijsgeschiedenis

Er is geschiedenisonderwijs en er is onderwijsgeschiedenis. Beide zijn de moeite waard. Ik zal het verderop vooral over het tweede hebben. Geschiedenisonderwijs heb ik aan den lijve ondervonden. (Een beetje gedateerd, d.w.z. weinig zwarte bladzijden.) Het interesseerde me en wat ik eraan heb overgehouden is wat je zou kunnen noemen een basaal inzicht in hoe het ons deel van de wereld, en meer het bijzonder de delta van Maas en Rijn, in de loop van de tijd is vergaan. Die basisstructuur helpt mij sindsdien bij het ordenen van mijn wereldbeeld. Gebrekkig maar nuttig zou ik zeggen.

De snelle beschikbaarheid van (historische) gegevens is door het internet onvoorstelbaar veel groter dan in mijn vormende jaren, maar juist daarom ervaar ik hoe ongelooflijk nuttig het is als er al een globaal schema in je hoofd zit dat helpt met zoeken en ordenen. Waar feiten een context aantreffen, krijgen ze een betekenis. Sterker nog, dat fundament zet aan tot zoeken. Zonder dat schema zou ik me een dolende in de tijd voelen. Iemand die hooguit leeft in het nu, een treurige situatie die tegenwoordig opmerkelijk genoeg erg wordt aanbevolen door verlichte geesten met eigen commerciële bureautjes. Ik zou bijna zeggen, dat komt er van als je het volk zijn vaste baan ontneemt.

Superbrein

Leren in onze jonge jaren gaat vaak ongemerkt en pas veel later besef je wat dat gulzige kinderbrein allemaal heeft opgepikt en vast heeft weten te houden. Het is bijna onvoorstelbaar wat er tot ons tiende jaar allemaal binnenkomt waar we de rest van ons leven plezier en/of nut van hebben. Dan heb ik het uiteraard niet alleen over schoolkennis. Naast tellen, leren we ook veters strikken, fietsen, zwemmen, soms skiën, schaken, schaatsen, pianospelen en tekenen. En niet onbelangrijk communiceren en samenleven. Taal! Praten, lezen, schrijven. Extreem belangrijk. Het gebeurt allemaal in die eerste tien jaar (ruwweg). Als je dan niet hebt leren spreken (door imitatie) leer je het noot meer. Als je verstoken bent geweest van sensorische informatie zal het brein niet de neuronale structuur opbouwen die hoort bij het verwerken van bijvoorbeeld visuele of auditieve signalen. Alles wat je op latere leeftijd nog wil en/of moet leren zal meer moeite kosten. Een goede basis kan nog wel helpen.

We praten al decennia lang over “Education Permanente” maar op je zestigste nog een nieuw vak leren gaat niet vanzelf. Een groot probleem. Wat te doen met de groeiende groep die het veranderingstempo niet kan volgen? Zouden we misschien de menselijke maat weer wat meer centraal moeten stellen? Of moeten we blijven rekenen op een blijvende instroom van jonge buitenlandse schoolverlaters om de zaak draaiend te houden. Maar die worden ook ouder. En dan?

Geen geschiedenis zonder aardrijkskunde

Blinde kaart van Zuid-Holland. De weg leren in het TomTom-loze tijdperk.




De vakken geschiedenis en aardrijkskunde werden in mijn jeugd vaak in een adem genoemd. Dat was in het curriculum duidelijk een setje. Ik kan de verleiding niet weerstaan daar ook nog een enkele opmerking over te maken. Kennis van de geschiedenis voorkomt dolen in de tijd, kennis van de aardrijkskunde voorkomt dolen in de ruimte. Wij hebben tegenwoordig extreem geavanceerde navigatiesystemen die ons feilloos naar bijna elke gewenste plek op aarde loodsen. Op onze landkaarten komen geen witte plekken meer voor. Jammer? Dan gaan we toch gewoon op zoek naar nieuwe werelden.

Satellieten, computers en communicatietechnologie brengen ons thuis. Handig voor de reddingsdiensten en de pakketbezorgers, en ook wel voor de rest van het volk. Maar de prijs is wel dat wij geen idee meer hebben hoe wij van A naar B komen. We weten het niet meer en de meesten van ons vinden het wel best zo. Die willen het niet eens meer weten. File is file. En in de trein kijken we toch ook niet meer naar buiten?

We verplaatsen ons in blind vertrouwen, de reis doet er niet meer toe. En als het systeem niet op tijd is geactualiseerd of gewoon uitvalt, zijn we volstrekt hulpeloos. Als we nog kunnen bellen, moeten we aan onze ANWB vragen waar we zijn. Als de smartphone ook nog uitvalt, onvoorstelbaar maar ook het onvoorspelbare zal ooit gebeuren, is alles verloren.

Vertaal dat nu eens naar de dimensie tijd. Dan worden we geboren en dan gaan we dood en anderen zorgen dat we op onze levensweg zo min mogelijk naar buiten hoeven te kijken. Waar kwam ik vandaan? Waar wil ik naartoe? Niet interessant. Het Nu regeert immers. In mijn jeugd kon je je nog verkneukelen om iets aangenaams dat je te wachten stond. De verrassing, de beloning. Als je continu wordt verwend / vermaakt, als het motto is: “I want it all and I want it now”, dan heeft ook het verkneukelen geen toekomst meer. Ik betreur dat. Een verarming. Uitstellen, voorpret, dromen, hoe verrijkend is dat niet? En dus moet alles leuk zijn, moet ook het onderwijs alleen maar belonen. Een doodlopende weg. Iets kunnen is leuk, de weg er naartoe vaak niet. Dat vraagt om omgaan met tegenslag, doorzettingsvermogen, zelfvertrouwen, offers brengen. Pas dan krijgt de beloning echte waarde.

Tijden veranderen, ik weet het, maar ik heb, net als bij de geschiedenisles, in ieder geval nog een blauwdruk meegekregen. Een topologische blauwdruk die me nog altijd een elementaire basis voor mijn reizigersautonomie en ruimtelijke oriëntatie bezorgt. En ook al waardeer ik TomTom en zijn vrienden, ze bieden veel nuttige ondersteuning, ik heb ook altijd kaarten bij me die me overzicht en inzicht bieden. En als het even kan, probeer ik het zonder navigatie. Net zoals je ook niet te jong moet overstappen op een elektrische fiets. Verlies van autonomie, een stap/trap dichter bij de finale onbekwaamheid. Analoog geeft vaker een vollediger beleving dan digitaal. Wij zijn nu eenmaal analoge wezens.

Wat moeten we onze kinderen meegeven?

Dit alles brengt mij op een fundamentele vraag: wat moet je kinderen meegeven opdat ze zich later kunnen redden? Een vraag waar opvoeders en opleiders al eeuwenlang mee worstelen. Daarmee stappen we van het geschiedenisonderwijs over naar de onderwijsgeschiedenis. Vooral sinds de Tweede Wereldoorlog zijn experimenten en vernieuwingspogingen niet van de lucht. Begrijpelijk gezien de toenemende snelheid waarmee de wereld om ons heen begon te veranderen. Overigens is het zoeken naar nieuwe onderwijsvormen al in de eerste helft van de twintigste eeuw flink op gang gekomen. Denk aan de generatie Theo Thijssen (Kees de Jongen), Kees Boeke, Cor Bruijn, Jan Ligthart, Maria Montessori, e.a., die er al zeer vooruitstrevende onderwijsideeën op nahielden. Vaak door het kind en zijn ontwikkeling als uitgangspunt te nemen. Veelal gebaseerd op langjarige ervaring door kinderen intensief te observeren.

Tasten en zoeken

Op zich is het geen schande dat we bij zo’n complex vraagstuk wat tastend onze weg zoeken. Aanpassen, vernieuwen, werkt het?, opnieuw aanpassen, en op naar de volgende ronde. Het wordt extra gecompliceerd als verschillende groepen een geheel eigen visie op onderwijs en opvoeding hebben, en een nog groter deel helemaal geen visie. Waar visie is, is die sterk cultureel gekleurd. Politieke, sociale, religieuze, economische en wetenschappelijke (psycho, neuro, cogno, pedago) overtuigingen zijn vaak slecht met elkaar in overeenstemming te brengen. En dan hebben we het nog niet over de omvang van de onderwijstanker die maar heel langzaam van koers kan veranderen.

Vaak eindigt een vernieuwingsronde met een smeekbede uit het veld om het vakmanschap en het beoordelend vermogen van het onderwijzend personeel als richtinggevend te accepteren. Dan komt het vanzelf wel goed. Ik ben het hier in grote lijnen wel mee eens, maar van te veel vertrouwen dat het allemaal wel goed zal gaan is nog nooit iemand wijzer geworden. Zonder spelregels en beoordelingen komen we er niet. Maar ontwerp en hanteer ze met wijsheid en genegenheid. Reduceer het kind niet tot een verdienmodel en / of een kostenpost. Houd de zegeningen van de vrije markt buiten de schooldeur. Stop met de elitaire, buitenschoolse bijspijker fabriekjes. Ze reduceren de reguliere school tot een veredelde kinder- en puberopvang en halen het onderwijzersberoep omlaag. En dan heb ik het nog niet eens over de ongelijkheid die je creëert en / of versterkt. En houd ook de ouders op afstand. O ja, stop ook met al dat testen en meten. Laat kleuters nog gewoon spelend leren, elk op zijn eigen wijze. We hoeven geen DDR-kampioenen te kweken op basis van prenatale selectie en spierversterkers. Kinderen met een burn-out: een regelrechte schande en een recept voor grote ongelukken. Een klimaatprobleem in het onderwijs is wel het laatste waar we op zitten te wachten.

De scholen zijn weer begonnen. Maar het is nooit te laat om na te denken over de manier waarop we onze kinderen willen voorbereiden op hun plek in de samenleving. Een belangrijke opgave, maar ook een complexe. Hoe bereid je jonge mensen voor op een bestaan dat in zoveel opzichten zo snel verandert? Het ligt voor de hand om ze te leren omgaan met verandering. Maar wat heb je nodig om je staande te houden, of beter nog je te ontplooien, in een omgeving waarin het niet alleen voortdurend stormt maar waarin de wind ook nog verdurend van richting verandert? Hoe onvoorspelbaar is dat? Voorbereiden op het onvoorstelbare of in ieder geval onvoorspelbare. Kan dat? En hoe dan?

De Woelige Baren

1955. Poster van de film Blackboard Jungle die samen met Rock around the Clock uit 1956 het begin van de jeugdcultuur betekende. Ruige tijden waarin men ook op middelbare scholen worstelde met nieuwe waarden en normen aangedragen door krachtige en succesvolle memen (muziek en uiterlijk). 



Een schip op een woelige baren. In mijn jeugd heeft Eddy Christiani er over gezongen en wij zongen het vol emotie mee. Hoe overzichtelijk was het leven toen nog. Terzijde, Eddy's afscheidsconcert vond in 2007 plaats in Nootdorp, in ons eigen theatertje. Eddy was intussen 89. En al zijn locale fans, intussen zestig jaar ouder, waren er. Daaronder vele nog altijd vrolijke blondjes. Meisjes van het Aap, Noot, Mies en van het mooie handschrift, van het zwarte  schoolbord en de kroontjespen.

Zijn zeeman hield stand omdat er iets hemels door zijn hoofd spookte. Iets hemels dat op hem wachtte, dat hem te wachten stond: op de woelige baren dacht hij steeds aan zijn blondje, dat vrolijke kind. Flauwekul? Zeker niet! Motivatie is een onmisbare factor als het gaat om standhouden en vooruitkomen. Wie niks wil is al hersendood. Maar met willen alleen kom je niet veilig thuis. Er is ook nog zoiets als kunnen. In een vliegende storm een schip overeind houden vereist meer dan alleen willen, het vereist ook kunnen. En dat kunnen moet aanwezig zijn. Je leert het niet op het moment dat je het nodig hebt. Je leert het misschien op de zeevaartschool en in ieder geval van een ervaren zeeman die weet hoe je zo'n schuit door de woelige baren moet loodsen. Tussen willen en kunnen zit een groot verschil. Om van willen naar kunnen te komen moet je leren en oefenen,

Als je het er levend van af hebt gebracht en jouw blondje op je heeft gewacht, kan er een moment komen dat je je gaat afvragen hoe je een volgende keer de zaak met minder ellende en met meer zekerheid kan overleven. Denken, doen, verbeteren, steeds opnieuw. Zeemanschap kun je leren, moet je leren als je de zee op gaat. Nadenken hoe het een volgende keer beter kan, dat vraagt om een mentaliteit die niet iedereen gegeven is. Of uitvinden, in kleine of grote zaken, een roeping is weet ik niet. Maar dat je er een speciale instelling voor nodig hebt, dat geloof ik zeker. Een instelling waarvan het belang nauwelijks valt te overschatten. Nadenken over de vraag hoe het beter, veiliger, sneller, efficiënter, goedkoper, leuker, aangenamer, etc. kan, dat heeft ons mensen gebracht waar we nu zijn. Konden we dat alles duizend jaar geleden, honderd jaar geleden, tien jaar geleden, een jaar geleden voorzien? Nostradamus misschien, maar die was wel zo slim dat hij het in een soort orakeltaal opschreef waar je veel kanten mee op kan.

Soms kom je als voorspeller met een handigheidje een heel eind. Zoals die arts in Parijs die faam verwierf door zijn feilloze voorspelling van het geslacht van de ongeboren vrucht. Het woelige baren. Vanuit heel Europa klopten zwangere vrouwen bij hem aan. Zijn genialiteit? Als hij zei dat het een meisje werd, noteerde hij in zijn dagjournaal een jongen. Als zijn voorspelling niet uitkwam en een teleurgesteld ouderpaar verhaal kwam halen omdat ze een zoontje hadden gekregen, haalde hij het journaal tevoorschijn en liet zien dat hij toch echt jongen had genoteerd. In alle opwinding hadden de aanstaande ouders blijkbaar niet goed opgelet. Een andere truc: zorgen dat je dingen net iets eerder weet dan je medemens. Voorinformatie heet dat op de beurs. Het lijkt waarachtig wel op voorspellen maar wij weten wel beter.

Succes in het leven is niet altijd een kwestie van je best doen op school. De praktijk laat zien dat er verschillende soorten intelligentie zijn. Deels aangeboren. Gehaaide zakenlui, leiders van grote bedrijven, succesvolle politici beschikken vaak over een ander type intelligentie als degenen die een astronomische satelliet ontwerpen en bouwen. Sociale intelligentie, emotionele intelligentie, het zijn eigenschappen die we pas recent hebben geïdentificeerd en ze zijn belangrijk. De vraag is hoe je er in het onderwijs mee om moet gaan.

Het belang van imiteren

Chimpansee gebruikt een stokje om smakelijke termieten uit een nest op te vissen.



We leren door ontdekken maar vooral door imiteren. Ontdekken is de lange weg, imiteren de korte. Sommige vaardigheden en handelingsbekwaamheid krijgen we mee bij onze geboorte. Er zijn Instincten en reflexen. Charles Darwin heeft ons geleerd dat de biologische verschillen tussen mensen en dieren kleiner zijn dan we altijd hadden gedacht. Hoe bijzonder zijn we echt? Zijn we wel zo bijzonder? Het is maar net hoe je het bekijkt.

Claudio Tennie van de Universiteit van Tübingen heeft het bekeken en de NRC van 15 augustus 2020 wijdde een interessant artikel aan zijn bevindingen. Kunnen we er iets van leren, bijvoorbeeld hoe we met ons onderwijs moeten omgaan?

Tennie onderwierp 150 kinderen tussen de twee en vijf jaar oud aan de “Great Ape Tool Test Battery”. Ze moesten zonder enige hulp bepaalde slimmigheidjes uitvinden die bekend zijn van het werktuiggebruik door mensapen (vooral chimpansees). Het trucje werd niet voorgedaan. Bij elke test hoorden specifieke hulpmiddelen.

Voorbeelden: Chimps vissen met een takje termieten uit hun nest (om ze op te eten). De kleuters kregen een stokje met klitteband en een doos met stukjes schuurspons erin. Opdracht: probeer die sponsjes te pakken te krijgen (oplossing: rondprikken). Chimps vissen met een stokje algen uit het water. De kindertjes moesten met een stokje een sticker uit een bak vol piepschuimballetjes halen. In totaal ging het om twaalf verschillende opdrachten met bijbehorende spulletjes.

De meeste kennis waarover we beschikken, hebben we niet zelf geproduceerd maar komt van anderen. Geleerd. Gekopieerd. Kennis als cultuurgoed. Wat is aangeboren, wat is cultuur? Nature –Nurture, het koppel duikt telkens weer op en staat centraal in allerlei maatschappelijke discussies. De communisten moesten niets hebben van nature. Hun claim of fame berustte op de stelling dat de mens, de samenleving en dus ook de rest van de natuur maakbaar is. Een typisch product van De Verlichting. Sterker nog, die hele evolutietheorie van Darwin lag hun zwaar op de maag. De ideeën van Lamarck, op dat moment door de biologen al verworpen, pasten beter in de communistische heilsleer. De natuur heeft zich maar te voegen naar de leer. De uitkomst van dit door Stalin gesanctioneerde Lysenkoïsme was tamelijk desastreus.

Idealisme is ook maar mensenwerk

Je durft het tegenwoordig bijna niet meer te benoemen maar het radicale feminisme volgt een verwante route. De man heeft ons zoveel onheil bezorgd dat we nu verklaren dat mannen en vrouwen gelijk zijn en dat alle verschillen berusten op nurture, cultuur. M.a.w., de man is kneedbaar en kan op alle belangrijke kenmerken getransformeerd worden in een vrouw, waarna de Grote Gelijkheid voor een betere wereld zal zorgen. Dat er mensen zijn die zich zelfs in een vrouwenlichaam geen vrouw voelen, zou te denken moeten geven. Maar met cognitieve dissonantie kom je een heel eind.

Op mijn leeftijd heb ik nog meegemaakt hoe in de jaren zeventig radicale feministen hun hetero-zusters in grote gewetensnood brachten door ze voor te houden dat vrouwen van nature lesbisch zijn en dat een deel van de vrouwen dat hooguit nog moest ontdekken. Ze hebben hun toon sindsdien wat gematigd maar het voorbeeld geeft opnieuw aan hoe gevaarlijk het dogmatisch utopisch denken kan zijn.

We zien dezelfde teneur bij bepaalde, radicale antiracisme groepen. Daar duikt weer een andere variant van dogmatisch denken op: de erfzonde van de blanke man die niet langer blank genoemd mag worden. In deze kringen wordt de blanke man (en vrouw) als racist geboren en kan daar ook niet meer vanaf komen omdat de historie nu eenmaal niet ongedaan gemaakt kan worden. Hoe eerzaam en ethisch hij zich tijdens zijn leven ook zal gedragen, dit verleden is niet te negeren en dus is hij gedoemd om als racist te sterven. Een variant op de Erfzonde der christenen, maar een stuk zwarter omdat er geen verlossing mogelijk is. Het is duidelijk dat in een dergelijke sfeer een voortijdig einde van de geboren zondaar voor alle partijen het meest bevredigend is. Het lijkt me niet ondenkbaar dat dit voor veel jonge, blanke vrouwen de beslissende zet is naar het kinderloze bestaan. Je wilt toch niet het verwijt krijgen dat je nog meer racisten op de wereld zet. En zo zie je maar dat geschiedenis en aardrijkskunde een mooie aanvulling betekenen op de biologie en de psychologie.

Zo slim zijn we van nature nu ook weer niet

1900. Parijs, Wereldtentoonstelling. Gelegenheid bij uitstek om technische culturele verworvenheden te presenteren. Op deze prent onder meer machines van Smit Slikkeveer.


Terug naar Tennie. Hij wil weten wat we presteren als we, niet geholpen door aangeleerd gedrag, het allemaal zelf moeten verzinnen, zoals bij dieren het geval lijkt te zijn. Vandaar de kinderen als proefdier. Die zijn immers nog relatief blanco. Maar zeker niet helemaal realiseert ook Tennie zich. Iedere ouder weet dat een kind van twee al heel veel heeft opgepikt van wat het de hele dag meemaakt.

In de aanloop naar het experiment onderscheidde Tennie drie mogelijke uitkomsten. De mensenkinderen bakken er weinig met als conclusie dat mensen tot weinig in staat zijn zonder culturele input, alles is aangeleerd, een mens wordt geboren als ‘tabula rasa’ een onbeschreven blad. Het zou ook kunnen dat de peuters en kleuters met hun relatief grote brein véél handiger zijn dan mensapen, ook zonder cultuur. En de derde uitkomst zou kunnen zijn dat ze ongeveer het zelfde scoren.

Het laatste bleek het geval. Tennie: “mensen staan zonder cultuur, zonder een inbedding in een kopieerbare omgeving, dus ongeveer op hetzelfde basisniveau als de meest verwante mensapen.” Ik zou er nog wel aan toe willen voegen: “voor zover het de toepassing van aangereikte hulpmiddelen betreft bij het oplossen van een aangereikt probleem. Verder is het na-apen door jongen van volwassen apen een niet geheel onbekend fenomeen voor zover ik weet. Uit het artikel werd niet duidelijk of Tennie de prestaties van jonge mensen had vergeleken met die van jonge mensapen, dan wel met die van volwassen mensapen. Het eerste lijkt me de meest juiste benadering.

Na-apen? Volgens Tennie niet echt. Hij is van mening dat het gedrag van apen wel lijkt op kopiëren maar dat in feite niet is. In essentie zijn apen volgens hem voortdurend bezig het wiel opnieuw uit te vinden. Een gewaagde visie die zeker niet algemeen wordt gedeeld. Onze eigen beroemde primatoloog Frans de Waal wijst dit idee zelfs volstrekt af. Wát een aap leert wordt volgens Tennie wel opgeroepen door wat hij in zijn omgeving ziet gebeuren, maar de manier waaróp hij het dan vervolgens zelf doet, vlooit hij zelf uit.

En als mens en mensapen, dus op dat kopiëren van knowhow na, werkelijk even slim zijn, hebben de mensen hun voorsprong blijkbaar te danken aan de kracht van dat échte imiteren. Tennie: “Omdat mensapen niet de specifieke oplossingen van een ander imiteren, kan een goed idee bij hen niet in de groep beklijven. Daardoor worden de oplossingen ook niet steeds verbeterd en in verbeterde vorm doorgegeven, zoals bij mensen wel gebeurt. Zo’n kennisgroei is alleen mogelijk als je echt imiteert hóé iemand iets doet." (en niet alleen dát hij iets doet, GvdS)

Procentsgewijs zijn de genetische verschillen tussen mensen en mensapen niet heel groot. Maar blijkbaar kan ook een relatief beperkt genetisch verschil ingrijpende consequenties hebben. “Kleine oorzaken” met grote gevolgen. Die grote gevolgen manifesteren zich in wat wij cultuur noemen. Tennie stelt dat de aangeboren algemene vaardigheden van mensen en mensapen aardig overeenkomen. Maar wij hebben erbovenop onze cultuur: beschikbare en overdraagbare kennis. Cumulerende kennis. Zoals wij mensen nu zijn en leven, is dat vooral het product van een culturele ontwikkeling, niet van aangeboren superieur denkvermogen. De kloof met de apen is ontstaan omdat bij mensen niet steeds alles vanaf nul weer moet worden opgebouwd. Mensen hoeven het wiel maar één keer uit te vinden. Ze bezitten het vermogen om niet alleen “het eindproduct” aan elkaar door te geven maar ook de manier waarop dat tot stand is gekomen. Het recept. In theorie. Met taal als een van de essentiële hulpmiddelen.

De stoep, ooit een prima plek voor het spelend leren.




Daar komt bij dat mensen een ingebouwde motivatie hebben om steeds weer te zoeken naar verbeteringen van bestaande producten en naar geheel nieuwe producten. Producten moeten we daarbij in de meest algemene betekenis opvatten. Het kunnen ook mentale producten, ideeën, etc. zijn. Het lijkt me dat dit aspect los staat van Tennies primaire onderzoeksdoel. Motivatie om dingen beter te doen of geheel nieuwe dingen te bedenken past overigens heel goed in een evolutionair patroon. Wat Tennie in bovengenoemd artikel in het geheel niet noemt is het fenomeen van de nieuwsgierigheid. Hoe werkt het? Wat gebeurt er? Ook hogere diersoorten vertonen duidelijk vormen van nieuwsgierigheid.


De meem, een nieuwe replicator naast het gen

Richard Dawkins introduceerde in zijn geruchtmakende boek “The Selfish Gene” uit 1976 naast het gen een tweede replicator: de meem.



Deze beschouwingen leiden ons al gauw naar de wereld van de memen. Memen de basiselementen van de culturele evolutie, geïntroduceerd door de evolutiebioloog Richard Dawkins in zijn geruchtmakende boek “The Selfish Gene” uit 1976. Dawkins, vanwege zijn scherpe stellingnames veel geprezen maar ook veel verketterd. Hij stelt het gen centraal in de biologische evolutie. Het zijn niet de organismen en ook niet de cellen die moeten overleven en doorgegeven worden naar volgende generaties, maar de genen. Genen die kunnen veranderen onder invloed van mutaties en voortleven als ze bijdragen aan het overleven van een volgende generatie. Sommige genen die aan de basis van de meest elementaire levensprocessen staan en in alle levensvormen aanwezig zijn, hebben zelfs praktisch het eeuwige leven.

De biologische evolutie is gebaseerd op een combinatie van willekeurige variatie (van genen en genencombinaties), selectie onder druk van omgevingsfactoren (de motor van de evolutie) en reproductie. Ook in de genenwereld gaat het dus om het succes van het doorgeven van kopieën. Essentie: wat zich niet voorplant verdwijnt. Een gen is in termen van Dawkins een replicator, een fenomeen dat bestaat bij de gratie van zijn voortplantingssucces. De evolutie kent geen verborgen doel, geen richting. Het toeval regeert. Maar de combinatie van variatie (op basis van toeval) en selectie levert, als je maar lang genoeg wacht, de meest opmerkelijke levensvormen op.

Volgens Dawkins en zijn volgers is met de mens een tweede replicator, een elementair object dat voortleeft bij de gratie van zijn kopieerbaarheid, op het wereldtoneel verschenen, de meem. De staat van de mensheid verkeert in een toestand van permanente verandering. Niet vanwege de genen, waarvan de effecten van veranderingen vaak pas na tienduizenden jaren merkbaar worden, maar vanwege de veranderingen in onze manier van leven (in de meest uitgebreide zin van het woord), van onze cultuur, dat wat ons in de praktijk onderscheidt van de rest van de natuur (misschien op de paar diersoorten na waaraan je een eenvoudige vorm van cultuur zou kunnen toekennen). Memen ontstaan in mensenbreinen en kunnen van brein naar brein overspringen.

Denk bij memen aan ideeën, gedragingen, beelden, muziek, etc. Ook voor memen geldt dat ze overleven zolang ze worden doorgegeven. Net als bij genen gaat het uiteindelijk om het voortplantingssucces. Memen kunnen veranderen, zijn met elkaar in competitie en zijn onderworpen aan selectiemechanismen. Het gaat er niet om of een idee goed of slecht is, nuttig of nutteloos, als het maar vermenigvuldigt. Elk cultuurelement is in deze visie een meem als het van brein naar brein kan springen. De meemevolutie is niet direct aan de biologische evolutie gekoppeld(wel indirect). Succesvolle memen hoeven in principe geen biologische overlevingswaarde te hebben of andere biologische functies te vervullen. De voortplanting van memen berust op imitatie.

De complexe menselijke cultuur hangt direct samen met het feit dat in de evolutie van de mens imitatievermogen een belangrijke overlevingsfactor werd. De bijbehorende selectie werkte in de richting van versterking van dit imitatievermogen. Taal heeft in deze ontwikkeling ongetwijfeld een cruciale rol gespeeld (en doet dat nog altijd). Alles bij elkaar een kwestie van “toeval en onvermijdelijkheid”. Het toeval in de mutaties en de variatie, de onvermijdelijkheid in de selectie. Te vergelijken met het genetische analogon van het toeval dat sommige visachtigen in staat stelde om lang geleden een tijdje aan land te overleven en zo te profiteren van de voordelen die zo’n kort bestaan op het droge opleverde. Vanaf dat moment kwam een “onvermijdelijke” selectie op gang die leidde van kieuwen naar longen. Onvermijdelijk staat tussen aanhalingstekens omdat die metamorfose, zoals steeds in de evolutie, op allerlei momenten had kunnen doodlopen. Het toeval, in de meest brede zin, moest voor de verbeterstappen zorgen. Maar ook geldt dat het toeval tot grootse dingen in staat is als de aantallen maar groot genoeg zijn en er voldoende tijd is om al die varianten te laten ontstaan en bloot te stellen aan de selectiemechanismen.

Memetische evolutie veel sneller dan genetische evolotie

Het maakt groot verschil uit of menselijk gedrag zich ontwikkelt en stabiliseert door culturele evolutie (memen) dan wel door directe, darwinistische selectie (genetische basis van gedrag):

-         Snelheid: culturele evolutie verloopt voor een deel lamarckiaans (mutaties in memen op basis van ervaringen/leren) en gaat veel sneller dan de darwinistische evolutie. Ga maar eens na wat er de laatste 3.000 jaar in het mensenbestaan is veranderd zonder een wezenlijke (genetische) verandering in het menselijk brein.

-         Plasticiteit (veranderbaarheid): complexe cultuurkenmerken kunnen snel veranderen.

-         Verspreidingssnelheid: Culturele aspecten worden snel doorgegeven door imitatie en inprenting. Steeds sneller door (evolutionaire) ontwikkelingen in de wereld van de ICT en de digitalisering.

-         Betekenis: vanuit een biologisch standpunt bekeken lijken muziek, beeldende kunst, sport en spel en zuivere wiskunde niet erg noodzakelijk. Darwin als bioloog heeft er geen verklaring voor, Dawkins als memeticus wel.

-         Imitatie: memen hebben alles te maken met imiteren. Een meem is een goede replicator als het kopiëren voldoende nauwkeurig gebeurt, er voldoende kopieën worden gemaakt en de kopieën voldoende lang in leven blijven (deze eigenschappen zijn universeel, ze bepalen ook de verspreidingsmodellen van bv infectieziekten).

De biologische evolutie zette onze voorouders op “het imitatiespoor” waardoor, zonder dat iets of iemand dat had bedacht of gewild, een tweede replicator een rol ging spelen in onze verdere ontwikkeling. Een goede imitator had een voordeel in het overleven en het voortplanten en werd om die reden een aantrekkelijke partner. Selectie op imitatievermogen werd relevant. Dit is nog biologie, genetica. Maar het kopiërende brein deed een nieuwe replicator ontstaan. Dit brein begon kopieën te maken van handelingen, gedrag, gebaren, uitdrukkingen, geluiden, etc. Taal hielp en helpt bij het overvloedig reproduceren van memen die zelf een doelwit van selectie werden. Als bij-effect zou volgens sommigen het menselijk brein snel in omvang zijn toegenomen. Het brein als meemmachine waarop selectie aangrijpt. Een zichzelf aanjagende ontwikkeling.

Hoe succesvol kopieervermogen is, zien we overal om ons heen. Verbeteren en vernieuwen zijn essentieel om vooruit te komen. Maar imiteren en namaken zijn in bijna alle opzichten belangrijker, zowel economisch als kunstzinnig. Nut of niet, waar of niet, eerlijk of niet, het maakt in de memenwereld niet uit. Het gaat om het voortplantingssucces. Hieronder een passage uit de weekendcolumn van Tommy Wieringa in de NRC van 5 september 2020. Titel: gevaarlijke gekken. Hij heeft het over een snel groeiend deel van de mensheid, de complotdenkers:

De verbeelding van de paranoia is onwaarschijnlijk krachtig, en wordt versterkt door een wijdvertakte, mondiale subcultuur op internet. Alles wat je daar vindt is waar, want alles verwijst naar elkaar. Voor elke bewering is bewijs te vinden, dat door gelijkgestemden werd geproduceerd en verspreid. Gretig kopiëren ze elkaars gedachten, uit de kopieerfouten komen weer nieuwe varianten tevoorschijn. Complotdenkers creëerden samen een gigantisch digitaal brein, waar onophoudelijk synaptogenese tussen verschillende netwerken plaatsvindt – gezamenlijk schiepen ze een onmetelijke digitale schijnwerkelijkheid die uitsluitend angst, haat en geweld produceert.

Een weldenkend mens kan er met zijn pet niet bij. Maar ook weldenkende mensen leven in een stukje meemwereld. Die ziet er hooguit, maar niet onbelangrijk, een beetje anders uit dan het complotcontinent.

The Tower of Generate and Test

Het volgende hebben we ontleend aan het boek “The Meme Machine” van de Engelse wetenschapster Susan Blackmore die het (niet omomstreden) meem-idee van Richard Dawkins vol overtuiging heeft omarmd. Zo is zij van mening dat de evolutie van de memen een sturende werking heeft op de richting waarin de genen zich ontwikkelen. De memen zouden een extra selectiemechanisme voor de genen introduceren. Zij beschrijft een door de filosoof Daniel Dennett ontwikkeld model voor de evolutie van de leercapaciteit van levende wezens. Dennett introduceerde de “Tower of Generate and Test”, de “Toren van Maken en Beproeven”. Een toren met vier verdiepingen. Hoe hoger, hoe slimmer.

Op de begane grond leven Darwiniaanse schepselen. Zij evolueren door natuurlijke selectie en hun gedrag is volledig genetisch vastgelegd, aangeboren. Als er iets mis gaat met de genen kan dat het einde van de soort betekenen. Veranderingen gaan langzaam. Een verandering openbaart zich pas in de volgende generatie.

Op de tweede verdieping verblijven de Skinneriaanse schepselen, vernoemd naar de Amerikaanse psycholoog Burrhus Frederic Skinner. Zij kunnen leren door trial and error. Deze levensvormen leren door ervaring gedrag met onaangename consequenties te vermijden. In wezen ook een Darwiniaanse selectie. “Onderzoekt alles en behoudt het goede”, staat er in de Bijbel. Zoiets. Als er iets misgaat kunnen deze hoger ontwikkelde levensvormen hun gedrag bijstellen en zijn ze niet automatisch ten dode opgeschreven. Een duidelijk snellere manier van aanpassen. In de loop van hun leven kunnen ze met veel verschillende gedragingen ervaringen opbouwen.

Nog weer een trap hoger heeft Dennett de Popperiaanse schepselen gehuisvest. Levensvormen die in staat zijn de gevolgen van hun gedrag in te schatten. Ze kunnen vooruit kijken, verschillende scenario’s in hun hoofd laten afspelen en op grond van de te voorziene gevolgen een keuze maken. Veel zoogdieren en vogels hebben dit niveau bereikt, dat ooit werd beschreven door de filosoof Karl Popper.

De schepselen op de hoogste verdieping heeft Dennett vernoemd naar de Britse psycholoog Richard Gregory. De vierde etage is exclusief gereserveerd voor de mens. Wij zijn vooralsnog de enige bekende Gregoriaanse schepselen (maar dat kan veranderen als we machines uitrusten met kunstmatige intelligentie of contact krijgen met buitenaardse intelligenties, GvdS). Onze elitaire plek in de etagewoning hebben we te danken aan ons memetisch vermogen. De dingen die wij bedenken en realiseren vereisen intelligentie. Maar het verhaal gaat voor ons Gregorianen nog een belangrijke stap verder. Onze voortbrengselen brengen ons tegelijk ook op nieuwe ideeën en toepassingen. Ze stimuleren onze intelligentie. Iemand met een schaar kan ineens veel meer dan iemand zonder schaar. En het bijzondere aan mensen is dat ze die nieuwe schaaropties ook gaan verkennen. Iemand met een pen krijgt meer mogelijkheden om intelligente dingen te doen dan iemand zonder een pen.

In deze visie van Dennett en anderen zijn memen dus ook intelligentiebevorderaars. Ze zouden een (deel van) een verklaring kunnen leveren voor de groeispurt waar onze hersenen ooit in terecht zijn gekomen. Sommige memen zijn in feite breingereedschappen. En het belangrijkste hersengereedschap is waarschijnlijk “het woord”. Gregorianen leven in een omgeving vol door soortgenoten ontwikkelde en geproduceerde objecten (gereedschappen, hulpmiddelen) ingebed in een milieu waarin een rijke taal complexe communicatie mogelijk maakt. Dit biedt de Gregoriaan de mogelijkheden om extreem snel nieuw gedrag en nieuwe of verbeterde objecten te produceren. Veel sneller dan de bewoners van de lagere verdiepingen die dit niet of in veel mindere mate kunnen.

Op de bovenverdieping heerst de nieuwe replicator die we meem noemen. Hier is sprake van een nieuw type evolutie: de gen-meem-co-evolutie. Want de genen blijven natuurlijk essentieel. Maar het primaat ligt duidelijk niet meer bij de genen. Susan Blackmore gaat zelfs zover dat ze suggereert dat het de memen zijn die de genen dwingen grotere breinen te laten ontstaan omdat die kunnen zorgen voor een steeds betere en snellere verspreiding van memen. The selfish meme!

Het Toaster Project

Om een idee te geven hoe de wereld op de vierde etage zich heeft ontwikkeld, wil ik graag een interessant, bijna bizar experiment aanhalen dat de geschiedenis in is gegaan als het “Toaster Project”. Een idee van Thomas Thwaites postdoc industrieel ontwerp aan de Royal College of Art in Londen. Thomas vroeg zich af of het mogelijk was vanaf nul een broodrooster te maken, een ogenschijnlijk simpele keukenhulp waarvan de uitvinding dateert van 1893.

Toen hij zijn experiment startte moest een Engelsman gemiddeld een uur werken om een betrouwbaar en efficiënt broodrooster te kunnen kopen. Hij begon met het ontleden van zo’n goedkoop rooster en stelde vast dat het simpele ding toch nog uit ruim vierhonderd componenten en onderdelen van componenten bestond. Koper voor de stekkerpinnen, de kabel en de interne bedrading, ijzer voor de body en de veer voor het oppoppen van de toast. Nikkel voor het verwarmingselement, mica voor isolatie van dit hete onderdeel, kunststof voor isolatie van andere elektrische onderdelen.

Al snel werd het Thomas duidelijk dat dit een omvangrijke klus zou worden. Zo had hij ijzererts nodig om ijzer te produceren. Hij vond het in een oude mijn in Wales die intussen in een museum was omgetoverd. De eerste poging om op een middeleeuwse wijze (met blaasbalgen) het erts om te zetten in ijzer werd een faliekante mislukking. Haardrogers en bladblazers, al niet helemaal volgens de opzet, werkten ook niet. Uiteindelijk lukte het met een recent gepatenteerde smeltmethode en twee magnetrons. In feite de eerste van talrijke mislukkingen. Om kunststof te kunnen maken moest hij naar een olieplatform om wat ruwe olie te verzamelen. Eerdere pogingen om aardappelen als grondstof te gebruiken waren ook al op een mislukking uitgelopen.

En zo ging het maar door. Het bleek een praktisch onmogelijke opgave. Na verloop van tijd kwam Thomas tot de conclusie dat als hij op deze wijze vanaf nul een broodrooster wilde maken hij aan een mensenleven waarschijnlijk niet genoeg had. Zonder smokkelen was het sowieso onmogelijk. Neem de productie van nikkel voor een verwarmingselement. De eerste concessie was al dat hij het niet uit een mijn haalde maar een paar muntstukken smolt om er vervolgens met een speciale machine van een juwelier draden van te trekken. Uiteindelijk was er iets dat op batterijen werkend een snee brood verwarmde. De volgende stap was: stekker in het stopcontact. Twee tellen later “the toaster was toast” aldus de beschrijving van Tim Harford in zijn boek Adapt (2011). En zo gaat het maar door.

Dit eenvoudige voorbeeld laat zien dat onze moderne wereld, waarin alle mogelijke zaken op uiterst efficiënte wijze worden vervaardigd, extreem gecompliceerd is geworden. Ook de productie van voorwerpen nog veel eenvoudiger dan het broodrooster is afhankelijk van wereldomspannende aanvoerketens en de gecoördineerde inzet van vele arbeiders overal op de wereld. Vaak hebben ze zelfs geen idee aan welk eindproduct ze bijdragen. En dan is ook de hoeveelheid verschillende producten nog eens duizelingwekkend. Bij het verschijnen van Harfords boek (2011) had Wal-Mart er honderdduizend in de aanbieding. Als je ook nog eens alle verschillende maten en vormen (van bv schoenen en kleding), de verschillende merken, geuren, smaken, afmetingen van verpakkingen, de verschillende informatiedragers (boeken, etc.) meerekent kwam je toen voor een locatie als Londen of New York al gauw boven een miljard uit! En de stroom nieuwe producten stopt niet. Miljoenen nieuwe per maand. Het is zo groot en complex dat we intussen de verbazing voorbij zijn en het als vanzelfsprekend ervaren.

Dit is wel de wereld waarin onze kinderen hun plek moeten zien te vinden. Tenzij het coronavirus ons dwingt om het allemaal een beetje anders te doen, wat dichter bij huis, wat minder afhankelijk van verre leveranciers. Het broodrooster leert dat ons dan nog een behoorlijke klus wacht. Een klus die waarschijnlijk ook consequenties zal hebben voor het onderwijs. 

Onderwijsgeschiedenis

Terug naar het onderwijs. We hebben hiervoor al even stilgestaan bij het geschiedenisonderwijs. Maar er bestaat ook nog zoiets als onderwijsgeschiedenis. En als je die voor ons land nagaat dan kun je niet anders dan vaststellen dat we al meer dan een eeuw aan het zoeken, experimenteren en twisten zijn om tot een vorm van onderwijs te komen die in alle opzichten effectief (doelmatig) en efficiënt (minimale kosten) is. Wie de opsomming van kleine en grote aanpassingen en vernieuwingen nagaat, moet haast wel tot de conclusie komen dat er waarschijnlijk geen uniform onderwijssysteem mogelijk is. En daar moeten we misschien zelfs wel blij mee zijn. Verschillen (en veranderingen) in kinderen, ambities, wereld- en mensbeelden, talenten, sociale-economische setting, sociale behoeften, ontwikkeling van wetenschap en techniek maken dit praktisch onmogelijk. Misschien heb je in een veelvormige wereld ook wel een pluriform onderwijsstelsel nodig.

Maar het veld zit vol met idealisten, waarvan bekend is dat ze niet altijd open staan voor andersdenkenden. Ze zitten in de beroepsgroep, onder verlichte ouders en soms ook nog wel in de politiek. Verder zijn er in de loop van de tijd nogal wat commerciële belangen binnengeslopen en daar steken ook idealen achter, alleen hebben die vaak een wat andere strekking.

De mens is een complex wezen en in veel opzichten te moeilijk voor de wetenschap. Dat geldt mutatis mutandis evenzeer voor de lerende mens. Het blijft zoeken en tasten, wat voor de een goed werkt is voor de ander volstrekt ongeschikt, en vaak eindigt het met de constatering dat het in essentie draait om de kwaliteit van de leraar. Helaas valt die ook in de categorie complexe wezens.

Wat we zeker niet moeten hebben is een benadering waarin het onderwijs aan de neo-liberale marktkrachten wordt overgelaten. Als scholen meer energie in marketing dan in onderwijs gaan stoppen. Als de verkeerde memen de overhand krijgen. Universiteiten die hun succes ophangen aan dikbetalende buitenlandse studenten, toelatingseisen die worden verlaagd om maar genoeg studenten binnen te halen en ook nog te laten afstuderen. Fancy studierichtingen om maar studenten te trekken. Buitenkant in plaats van binnenkant.

Slecht opgeleide PABO-studenten halen het niveau van het basisonderwijs omlaag. De denktanks en de goeroes van deze wereld komen met grote verhalen over het onderwijs van de 21 ste eeuw. Maar een kwart van onze 15-jarigen is functioneel analfabeet, daar hoor je ze niet over. Grote verhalen kom je genoeg tegen. Het gaat in de toekomst om de volgende vaardigheden: Kritisch denken, Creativiteit, Samenwerking, Communiceren, Inzicht in informatie, Inzicht in media, Inzicht in technologie, Flexibiliteit, Leiderschap, Initiërend, Productief, Sociaal vaardig. Ga er maar aanstaan als onderwijsgevende. Of er ook nog behoefte is aan klassieke vaardigheden als schrijven, lezen en rekenen kom je in dergelijke grootse visies en uitdagende manifesten niet tegen.

De evolutie leert ons dat overleven aanpassen impliceert. Survival of the fittest. En fit betekent dus niet gezond en energiek, maar aangepast. Het probleem waar de evolutie ons nu mee opzadelt is dat de dominante meemevolutie een veel groter aanpassingsvermogen vergt dan de genevolutie. Dat geldt dus ook voor het onderwijs. Het probleem is dat er grenzen zijn aan ons memetische aanpassingsvermogen.

Op weg naar Het Verdwijnpunt?

Ray Kurzweil (1948) is een pionier op het gebied van OCR (optical character recognition), spraaksynthese, spraakherkenning en de synthesizer. Ook is hij auteur van verschillende boeken over gezondheid, kunstmatige intelligentie, transhumanisme en technologische singulariteit.


Ray Kurzweil, de man die in zijn jonge jaren onder meer furore maakte als pionier op het gebied van elektronische muziek (synthesizer), kreeg later bekendheid als futuroloog. Misschien wel zijn meest intrigerende en zeker ook meest zorgwekkende voorspelling is dat nog deze eeuw intelligente machines de mens niet alleen verre zullen overvleugelen op het punt van denkkracht, maar dat ze daarmee ook voor ons volstrekt onbegrijpelijk zullen worden. Ze zullen zich van ons losmaken en een autonoom bestaan gaan leiden. Of ze de mens als laagwaardige en misschien ook wel kwaadaardige levensvorm nog de moeite waard vinden om te laten voortbestaan, is dan helemaal de vraag. De explosie van Kunstmatige Intelligentie heeft Kurzweil aangeduid als “The Singularity”. Je zou het om verschillende redenen ook Het Verdwijnpunt kunnen noemen.

Memen trekken zich niets aan van ons lot. Ze zijn in hun blinde voortplantingsdrift heel wel in staat een weg in te slaan die voor ons catastrofaal zou kunnen uitpakken. Volgens Kurzweil deze eeuw nog! Onzin? Misschien, maar Kurzweil is zeker geen fantast. Aardig detail: Kurzweil verwacht een nieuw schepsel dat zijn rechten komt opeisen: de intelligente machine. Je zou haast zeggen, dat kan er ook nog wel bij. Hieronder een lijst met enkele voorspellingen die binnen tien jaar (voor 2030) al werkelijkheid zouden kunnen worden:

-         A $1,000 personal computer is 1,000 times more powerful than the human brain.

-         The vast majority of computation is done by computers and not by human brains.

-         Further progress has been made in understanding the secrets of the human brain. Hundreds of distinct sub-regions with specialized functions have been identified. Some of the algorithms that code for development of these regions have been deciphered and incorporated into neural net computers.

-         Massively parallel neural nets, which are constructed through reverse-engineering the human brain, are in common use.

-         The eyeglasses and headphones that used to deliver virtual reality are now obsolete thanks to computer implants that go into the eyes and ears. The implants are either permanent or removable. They allow direct interface with computers, communications and Internet-based applications. The implants are also capable of recording what the user sees and hears.

-         Computer implants designed for direct connection to the brain are also available. They are capable of augmenting natural senses and of enhancing higher brain functions like memory, learning speed and overall intelligence.

-         Computers are now capable of learning and creating new knowledge entirely on their own and with no human help. By scanning the enormous content of the Internet, some computers "know" literally every single piece of public information (every scientific discovery, every book and movie, every public statement, etc.) generated by human beings.

-         Direct brain implants allow users to enter full-immersion virtual reality—with complete sensory stimulation—without any external equipment. People can have their minds in a totally different place at any moment. This technology is in widespread use.

-         Most communication occurs between humans and machines as opposed to human-to-human.

-         The manufacturing, agricultural and transportation sectors of the economy are almost entirely automated and employ very few humans. Across the world, poverty, war and disease are almost nonexistent thanks to technology alleviating want.

-         The rise of Artificial Intelligence creates a real "robot rights" movement, and there is open, public debate over what sorts of civil rights and legal protections machines should have. The existence of humans with heavy levels of cybernetic augmentation and of larger numbers of other people with less extreme cybernetic implants lead to further arguments over what constitutes a "human being."

-         Although computers routinely pass the Turing Test, controversy still persists over whether machines are as intelligent as humans in all areas.

-         Artificial Intelligences claim to be conscious and openly petition for recognition of the fact. Most people admit and accept this new truth.

-         Reverse engineering of the human brain completed.

-         Non-biological intelligence combines the subtlety and pattern recognition strength of human intelligence, with the speed, memory, and knowledge-sharing of machine intelligence.

-         Non-biological intelligence will continue to grow exponentially whereas biological intelligence is effectively fixed in its rate of growth.

 Ook, of misschien wel juist dit is de extreem snel veranderende wereld waarop we onze kinderen zouden moeten voorbereiden. De levensgrote vraag is dan wel: hoe en wat? Moeten we ze leren hoe ze de technologische ontwikkeling onder controle moeten houden? Toch niet op de basisschool, lijkt me. Of moeten we accepteren dat we een Golem aan het kleien zijn waarover we de controle zullen kwijtraken (en misschien al kwijt zijn)? Moeten we dan maar hopen dat de machines ons gunstig gezind zijn, per slot van rekening hebben wij ze in aanleg wel gecreëerd en daar mogen we toch wel enige dankbaarheid voor terug verwachten? Maar daar zullen we ze dan wel emoties voor moeten aanreiken. En dat is uiteraard levensgevaarlijk (voor ons). En als ze aardig voor ons blijken, mogen we dan gewoon elke dag buiten spelen, terwijl zij ons in leven houden? Bestaat het Paradijs dan toch? Helaas heeft zelfs Ray Kurzweil niet op al deze vragen, die we kennen uit de SF-literatuur, een antwoord. Voorspellingen tot aan het eind van de eeuw zijn in deze visie eigenlijk al niet meer mogelijk. Maar Kurzweil probeert het op zijn manier toch. We pikken er nog een paar opmerkelijke uit (voor het jaar 2200):

Futuroloog Ray Kurzweil voorspelt dat we binnen afzienbare tijd voorbij zullen worden gestreefd door superintelligente, digitale wezens.


De complete werking van ons brein zal ontrafeld zijn en computerbreinen zullen in alle opzichten superieur zijn. Biologische en niet-biologische breinen kunnen fuseren, waardoor het onderscheid tussen mens en machine vervaagt. De meeste nieuwe wezens ontberen een fysiek lichaam en leven in een digitale wereld. De fysieke wereld kunnen ze betreden in robotvorm. Organische menselijke wezens worden een zeldzaamheid tussen alle AI-wezens. Leren wordt een kwestie van pijlsnel importeren van data en vervolgens updaten, waardoor de kennisproductie ook versneld wordt (leren kost geen tijd meer). Een groot punt van zorg wordt de bescherming tegen computervirussen (memen) omdat vrijwel al het leven computergebaseerd zal zijn. Misschien is dat wel de belangrijkste reden voor AI-wezens om hun biologische verwekkers niet aan hun lot over te laten: biodiversiteit als fall-back optie in geval de AI-wereld door een dodelijke virusepidemie wordt getroffen. 



De toekomst van ons onderwijs

De vraag waar we met ons onderwijs naartoe moeten is in het licht van het bovenstaande praktisch onbeantwoordbaar. Het voorgaande is dan ook vooral bedoeld als een illustratie van de ook in technologisch opzicht extreme veranderingen die blijven komen. Daarom doen we nu maar gauw een paar stappen terug in de tijd.

De Groene Amsterdammer van 9 mei 2019 was gewijd aan de toekomst van ons onderwijs. De onderwijsinspectie kwam in april van dat jaar met een verkenning van de staat van ons onderwijs. Conclusies: we behoren tot de wereldtop als het gaat om vernieuwingsdrang maar niemand weet wat al die onderwijsinnovaties ons opleveren. Duidelijk was wel dat we op de internationale ranglijsten (PISA algemeen), TIMSS (rekenen) en PIRLS (lezen) afzakken. En dat geeft te denken tenzij we al innoverend het aanleren van basisvaardigheden niet zo belangrijk meer vinden. Ook vanuit de OESO kwam een waarschuwing: er is te weinig consensus over de onderwijskwaliteit. Scholen hebben veel vrijheid en de vraag wordt weer prangend: wat willen we bereiken in een periode van 12 tot 14 jaar weekvullend onderwijs? Kennis? Vaardigheden? Of een diploma dat deuren opent? Mij valt de laatste tijd steeds vaker op dat allerlei commerciële partijen aanbieden om kinderen tegen een redelijke vergoeding in 12 weken te leren lezen en rekenen. Ik zou er als school, als leerkracht, niet blij van worden. Mij stuit het in ieder geval tegen de borst.

Naast het wat is er dan ook nog het hoe. Er zijn behoudende scholen en vooruitstrevende scholen en het is verleidelijk om je in het tweede kamp te nestelen. Het lijkt erop dat de ouderwetse manier van lesgeven: uitleggen, voordoen en oefenen (directe instructie) effectiever is dan de vooruitstrevende methode gebaseerd op de individuele leerling. Voor vernieuwers een weinig populaire opvatting. Wie wil er nu tot de conservatieven gerekend worden? De hete aardappel wordt wat voorgekauwd met de constatering dat er in de praktijk minder verschillen zijn dan je van buitenaf zou veronderstellen. Maar duidelijk is wel dat de Commissie Dijsselbloem de superioriteit van de progressieve aanpak in 2008 een geduchte knauw heeft gegeven.

Barcelona. Sagrada Familia, het meesterwerk van Gaud. Zijn bijzondere creatieve aanpak was alleen mogelijk door   een diepgaand inzicht in de wetten van de mechanica.



Het is mijn overtuiging dat het in ieder geval belangrijk is kinderen een elementaire kennisbasis aan te reiken. Niet door ze zelf te laten uitzoeken hoe je met breuken moet omgaan maar door ze de basiskennis in te prenten: oefenen, oefenen, oefenen. Niet altijd leuk, maar dat geldt ook voor de muzikant, de schaker, de sporter, de schrijven en de beeldend kunstenaar. Je kunt pas experimenteren en vernieuwen als er voldoende basiskennis c.q. vaardigheden zijn. Met alleen creativiteit kom je er niet. De Sagrada Familia van Gaudi in Barcelona lijkt het toppunt van creativiteit maar het imposante bouwwerk was al lang ingestort als Gaudi zijn ontwerptechniek niet had beheerst.

Onze nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft werd belaagd door jongeren die hem vroegen hoe zij ook een hoofdrol in de fysica en de kosmologie konden spelen. Het antwoord was simpel. Gerard had op zijn website een lijst met boeken staan die een aankomend theoretisch natuurkundige moet doorwerken voordat hij überhaupt aan nieuwe inzichten kan gaan denken. Die stapel loog er niet om. Zweten, ploeteren, leren, en oefenen. Het is niet anders.



1704. Isaac Newton, een van de meest briljante wetenschappers ooit, hier afgebeeld bij het ontleden van het zonlicht in zijn regenboogbestanddelen. Van hem komt de bekende uitspraak die het belang van de cumulatie van kennis verwoordt: "Ik kon zover kijken omdat ik op de schouders van reuzen stond."




Het broodroosterproject heeft ons weer even wakker geschud. Wij hoeven het wiel niet telkens opnieuw uit te vinden, we kunnen, zoals Newton opmerkte zo ver kijken omdat we op de schouders van giganten staan. Dat is de grote sprong voorwaarts van de mens geweest. Er zijn onderwijsvernieuwers die, op grond van de te verwachten snelle veranderingen, bepleiten om kinderen vooral te leren hoe problemen op te lossen en te leren hoe te leren. Of je probleemoplossend vermogen kunt leren is volgens sommige deskundigen maar helemaal de vraag. Ja, je kunt binnen een bepaald kennisgebied leren hoe bepaalde problemen aangepakt moeten worden, maar dat is heel wat anders. Dat is leren hoe je een vierkantsvergelijking oplost, of een tekstverwerker moet gebruiken. Maar het lijkt me wat onzinnig om kinderen als opdracht te geven een tekstverwerker te ontwikkelen, of een broodrooster. Leren is in mijn ogen op de eerste plaats het beheersen van kennis die eerder ontwikkeld is. Pas dan komt er voor de bijzondere talenten een moment dat ze iets gaan toevoegen. En de rest wordt hopelijk een uitstekende automonteur, stukjesschrijver, notaris, voetballer, chirurg, elektronicus, zeeman, astronaut, etc. En uiteraard moeten ze blijven leren als ze mee willen blijven doen. Maar de basis moet vroeg aangelegd worden. En in de meeste gevallen is het attent kopiëren van de vondsten / verbeteringen van derden productiever dan zelf vernieuwen. Wat natuurlijk niet betekent dat ik tegen vernieuwing en innovatie ben. Maar kopiëren is nu eenmaal onze grote kracht.

Verwante ziel

Eerder in dit verhaal verwees in naar een artikel in de NRC van 15 augustus 2020 over het onderzoek van Claudio Tennie, dat me prikkelde om mijn opleidingszorgen eens aan het papier toe te vertrouwen. Wie schetst mijn verbazing toen ik gisteren, op zaterdag 12 september, de weekendeditie van de NRC open sloeg en daarin een opiniërend artikel aantrof van Sezgin Cihangir, directeur van het Nederlands Mathematisch Instituut, onder de titel: Alle onderwijsvernieuwing gaat ten koste van “zwakke” kinderen. Streamer: “Maak onderwijs niet leuker.” Ik voelde me zeer gesteund door de inhoud die veel meer to the point is dan mijn nogal persoonlijk gekleurde bijdrage, maar dezelfde strekking kent. Een interessante opinie die ik deel, maar, en dat wil ik toch wel even benadrukken, die ik pas onder ogen kreeg nadat ik mijn eigen verhaal had afgerond. Anders krijg je daar weer gezeur over. Overigens geef ik graag toe dat vrijwel niets in het bovenstaande gebaseerd is op eigen creativiteit. Hooguit de keuzes, de persoonlijke noot en de compositie mag ik een beetje claimen.

 

Nawoord

Op de website: Onderwijsgeschiedenis.nl troffen we onder de titel 'ME' als bezittelijk voornaamwoord een verzuchting aan van Hannie Veldhuijzen, docente Nederlands/zorgcoördinator. Ik leef intens met haar mee. Het zal allemaal wel conservatief zijn, maar dat zij dan maar zo.

Wat Nelleke Noordervliet in haar column (Opinie, 26 januari 2019) schetst kan ik volmondig beamen. Ik sta dertig jaar voor de klas als docente Nederlands en ik heb het zien gebeuren. Wekelijks schud ik mijn hoofd als ik het werk nakijk van mijn havo-2 klas. De helft van deze klas schrijft het persoonlijk voornaamwoord 'me' als het bezittelijke voornaamwoord 'mijn' van toepassing is. Dat kwam ik 30 jaar geleden niet tegen op dit niveau. Nog steeds zijn er enkele leerlingen in deze klas die geen hoofdletters zetten aan het begin van de zin of bij eigennamen. Laatst vroeg een leerling hoe de hoofdletter 'T' moest worden geschreven. Toen dacht ik: het moet toch niet gekker worden. De werkwoordspelling aanleren is een groot drama. Dat lukt niet, of nauwelijks, omdat de basis ontbreekt. Leerlingen hebben op de basisscholen namelijk niet of nauwelijks geleerd hoe ze werkwoorden moeten vervoegen. Ze weten bovendien niet wat er bedoeld wordt met o.t.t. en o.v.t. Veel leerlingen lezen moeizaam en hebben er een hekel aan. Wanneer ze een leesverslag moeten maken, moet ik een originele verwerkingsopdracht verzinnen om te voorkomen dat ze het van internet halen, maar dan nog zie ik dat er veel wordt gejat. Ik heb brieven van mijn klasgenootjes bewaard die mij werden toegestuurd toen ik in het ziekenhuis lag. Ik zat toen in klas 6 van de lagere school en dan heb ik het over het jaar 1972. Mooie handgeschreven brieven waarin nauwelijks taalfouten staan. Destijds werd er tijd en aandacht besteed aan spelling en grammatica en er werd dagelijks veel geoefend waardoor het toepassen van de basisregels werd geautomatiseerd door bijna alle leerlingen. In het moderne basisonderwijs zijn er plus-klassen gecreëerd voor kinderen die hoger scoren dan de gemiddelde leerlingen. De gedachtegang is dat deze kinderen extra moeten worden uitgedaagd. Je gaat deze (hoogbegaafde) leerlingen natuurlijk niet plagen met extra lees- en taallesjes, want dat is niet uitdagend genoeg. Leren bridgen of een uitje naar Lego-land is toch veel leerzamer?! De zwakkere kinderen hoeven niet te worden uitgedaagd met creatieve opdrachten of leuke uitstapjes: zij gaan toch maar naar het vmbo. Ik word hier verdrietig van en nog veel verdrietiger als een plus-leerling zonder blikken of blozen deze zin produceert: "ik heb me huiswerk niet gemaakt, want me moeder was gisteren jarig en me hond moest naar de dierenarts."

En als ik dan toch het laatste woord mag hebben, nog een laatste noodkreet: stop met al die spellingsveranderingen. Ze leiden tot segregatie (in ieder geval tussen generaties). Objectief nut is er meestal niet. Hoeveel spellingswijzigingen kan een mens in zijn steeds langere leven aan? Of accepteren we dat iedere generatie, ja iedere subcultuur zijn eigen spelling, of erger nog “dialect” mag gaan hanteren?

Wij beseffen waarschijnlijk niet hoe belangrijk een gemeenschappelijke taal is voor de sociale cohesie.

Espunt, 15 september 2020