MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0050

Praatje van 22 januari 2019


Hi, Ha, Hop Marjanneke

Espunt duikt in het verre verleden van zijn studententijd en van de feesten uit die tijd (voor zover er nog herinneringen zijn)

Utrecht, september 1963. Ontgroening overleefd. Het studentenleven kan beginnen voor 350 nieuwe Veritijnen. De voorhoede van De Geboortegolf. De eerste Babyboomers.

Kan het koortsachtig voortijlende heden zo enerveren dat een mens tijd te kort komt om de data uit het korte-termijngeheugen tijdig en ordelijk te back-uppen? Het lijkt wat in tegenspraak met de veel gehoorde opvatting dat ervaringen beter worden vastgelegd naarmate de indrukken beter doen waar ze voor bedoeld zijn: indruk maken. Maar moet ik de nevels waarin mijn Utrechtse beeldengalerij al vele decennia gehuld gaat, dan toch toeschrijven aan al dat lauwe jaren-zestigbier, dat te rap werd getapt en te vlug werd genuttigd omdat het te snel verdampte? Nee, ik houd het persoonlijk liever op de eerste verklaring. Het Utrechtse studentenleven was voor een eenvoudige maar levenslustige Hilversumse jongen uit een eenvoudig ambtenarenmilieu gewoon wat te veel van het goede. Overweldigend nieuw en spannend. Dat leven was een feest, dat leven was verrukkeluk. Met alle zintuigen op scherp verkeerde mijn redeloze en radeloze brein, dat op geen enkele wijze was geprepareerd voor de belevenissen die in september 1963 van start gingen, continu in alarmfase III. We zouden nu zeggen: code rood omdat we nu eenmaal in een beeldcultuur beland zijn. Voor adequate registratie van al het heerlijks was gewoon geen tijd. Het brein was niet opgewassen tegen de doordenderende DDOS-aanval. Ik kan het echt niet anders zien.

Utrecht medio jaren zestig. Veritasfeest. De auteur links met helm en met Marjan Leidsman.

Maar jongens nog aan toe, het is wel een handicap als je in een overmoedige bui toezegt een verhaal aan te leveren voor de ReünistenVox, het lijfblad van de Veritijnse reünist, over het feesten in de jaren zestig. Leek een geslaagd ideetje van de hoofdredacteur maar eenmaal achter het toetsenbord, tja, dan breekt toch even het zweet uit. Een opsomming van wat morsige evenementen, dat moet nog wel lukken. Maar we zijn nu dertig jaar verder, en eerlijk gezegd zijn we met deze nieuwe versie al zeker vijftig jaar verder, en de tijd heelt misschien vele wonden maar zorgt ook voor nieuwe zoals de vraat in het geheugen. Regeneratievermogen nul. En regressietherapie zou wel eens cold cases kunnen opleveren waar een mens op zijn oude dag niet op zit te wachten. Anderzijds moet ik mijn lezers, waaronder ongetwijfeld veel oude maten en vriendinnen, serieus nemen. Zij zullen bij de auteur toch een zekere mate van rijping verwachten. Een maturisatie die hem in staat moet stellen een artikel als dit een gedachte, een thema, een structuur mee te geven. En toch luchtig. Humor. Ga er maar aan staan!

 

Geen issue

1966. Utrecht. Raadskelder. Galafeest. De diescommissie ziet toe. V.l.n.r. Theel Schijf, Jacqueline Willemsen, Gerard van de Schootbrugge, Aleike de Kruif.



En dat is dus probleem nummer twee. We waren toen gewoon veel geestiger. Een kwestie van hormonen. Ik heb me daar lang tegen verzet, maar op een gegeven moment komt toch de acceptatie en de berusting. We waren extreem alert om op ieder moment van de dag die allesvernietigende, die onverbiddelijke, die messcherpe, die intens geestige opmerking te plaatsen die, mits voldoende arrogant gebracht, de positie in de pikorde en de afblaffingscoëfficiënt bepaalde en die verder essentieel was om de partnerkeuzemogelijkbeden op een comfortabel niveau te houden. Steeds waren we bereid grenzen te verleggen als het om geestig bedoelde hoogstandjes ging. Het was het soort gein waar we zelf het hardst om lachten. Nou dan weet de lezer/tijdgenoot het wel, want hij was zelf in die tijd waarschijnlijk uit hetzelfde lakense pak gesneden. 

De veelbesproken jaren zestig, we hebben ze meegemaakt, we waren erbij, we zaten erin, we kunnen er over meepraten. Nu, want in die tijd waren ze voor ons absoluut geen issue. Evenmin als de jaren vijftig en de jaren zeventig. Wij zaten vastgeketend aan het onontkoombare, nimmer rustende nu en dat kon zonder enig bezwaar omdat er geen enkele reden was om je druk te maken over de toekomst. En afzetten tegen het verleden gaat vanzelf, dat zit in de menselijke genen. Daar hoefden we nog minder bij na te denken dan bij onze andere activiteiten. De neiging tot afzetten is voor de twintiger net zo normaal als voor de schaatser die vooruit wil komen of voor de kolonel die nu zelf wel eens de troon wil bestijgen. De afzetpredispositie is er maar niet elk tijdperk is even vruchtbaar als het gaat om het tot expressie komen. Welnu, de jaren zestig waren buitengewoon vruchtbaar. Waar wij ons toen niet allemaal tegen hebben afgezet! We hadden onze handen er aan vol zonder dat het enige moeite kostte.

 

Bekakt

Ik betwijfel of jongere generaties dit alles kunnen aanvoelen; laat staan oudere. Het autoriteit werd van zijn sokkel gehaald, het notabele zat plotseling op een stoel zonder poten, het gezag zong een octaafje lager, u werd jij en vader en moeder werden Henk en Marij en nog weer later alleen Marij. En sommige hoogleraren vonden het volstrekt logisch dat studenten zichzelf beoordeelden (sommigen vroegen zich af waarom ze niet zelf op dat idee waren gekomen). Een diepdoorleefd anti-autoriteitsgevoel zou volgens de meest aan het intellectuele front opererende studiegenoten de poort naar het paradijs openen, want zo werd volgens de toonaangevende Amerikaanse sociologe Margaret Mead immers ook de jeugd van Samoa conflictloos en liefdevol volwassen. Een sympathieke gedachte die paste in het sterk verlinkste wereldbeeld van de jeugd en de intelligentsia uit die tijd. We geloofden sterk in utopieën ook al bleek de praktijk vaak weerbarstiger dan de leer. Dat de mens onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, werd als een Calvinistische dwaling terzijde geschoven. Met een gelukkige jeugd kwam alles goed. Die visie sprak ons ook erg aan. WO II was nog geen twintig jaar oud en de Koude Oorlog woedde nog hevig. Zo herinner ik me hoe een vriendje dat zich voortvarend had voortgeplant door zijn jonge, antiautoritair benaderde (opvoeden was een foute aanduiding) kinderen in een autoritaire houdgreep werd genomen. 'Pap, kom je buiten spelen?' 'Asjeblieft, papa ligt er net in, papa is naar een feestje geweest.' 'Ja, maar pap, het heeft gesneeuwd.' 'Het is vier uur, papa wil nog even slapen.' En dan komt de infantiel-autoritaire aap uit de mouw: 'Pap, als je niet komt, ga ik beneden op de bank kakken.’ Het dreigen met een stoelgang vol sombere symboliek. Een grote boodschap over het nakende einde van een tijd die wel moest bezwijken onder al zijn idealen. De enige stabiele factor in het studentenleven is uiteindelijk de bekaktheid gebleken. Pap werd hoogleraar in Leiden, maar het is even kantjeboord geweest.

 

De rode draad

Ik ben wat te ver doorgeschoten met het schilderen van een tijdsbeeld. Boven geschetste voorvallen begonnen zich eigenlijk pas tegen het eind van de jaren zestig voor te doen en toen was het onschuldige van het decennium in feite al voorbij. We waren op grote schaal overgeschakeld op het Maoïsme. Een beetje Fidel, een beetje Che, Stalin was ook absoluut niet verkeerd, Oost-Duitsland kon niet kapot, Marcus Bakker als volksheld, kortom zo links als wat zonder dat we het zelf ook maar in de verste verte door hadden. We stonden met het Rode Boekje te zwaaien alsof het de Veritas-Liederenbundel was. Alles mocht, niets hoefde en we deden het allebei.

Later besef je hoe vooral de oorlog in Vietnam als katalysator heeft gewerkt voor een maatschappelijke faseovergang die zich met grote snelheid voltrok. Want toen ik me in 1963 met mijn fles verkeerde cognac bij Veritas meldde, en dus direct weer terug werd gestuurd in een jargon dat volstrekt nieuw voor me was, was het allemaal nog behoorlijk autoritair, in die heerlijke onterechte vorm: op je strepen staan zonder dat de ondergrond enige tekening vertoont. Wat een sport was dat! De belangrijkste bevelen en boodschappen werden zelfs nog in het Iatijn gegeven. En ook enkele belangrijke hymnen waren in deze taal gesteld. Kortom, een zeer HBS-onvriendelijke cultuur waarin ik me met mijn gymnasiumachtergrond uitstekend thuis voelde. Io Vivat (Lang leve Zeus), Vivant omnes virgines (Lang leve alle maagden), een lied waar we overigens niet volledig achter stonden, Ego sum pauper (Ik ben arm).

 

Drie vrienden

25 mei 2013. Utrecht, Hortus aan de Lange Nieuwstraat. Het jaar 1963 bijeen op de reünistendag. Op de afbeelding in rood en wit de Veritijnse troubadoer Rinus Razenberg, schepper van het groenenlied 1963. Links en rechts naast hem twee van de drie vrienden die het groenentoneel 1963 produceerden en regisseerden. Links Gerlof Abels, rechts Cok van Veenendaal (derde vriend was Marius Verpalen). Achter Cok de contouren van de auteur en daar weer achter Harry Tomlow.


Het eerste echte grote Veritasfeest dat ik mocht beleven was uiteraard de Verbroedering, het slot van de groentijd. Mijn bovengemiddelde lengte had mij een toppositie in de knokploeg opgeleverd met als eervolle consequentie dat ik bij de opvoering (of wat daar voor door mocht gaan) van het groenentoneel in de vuurlinie kwam te staan. Van dit feest herinner ik me alleen nog de weinig frisse lucht van alle troep die ik over me heen kreeg, en de steeds maar weer aangeboden vaten bier waarmee alle groentijd-ellende tenslotte werd weggespoeld. Later ben ik goed bevriend geraakt met de scheppers van het groenentoneel 1963 en heb ik vernomen in welke ambiance deze gewaagde productie tot stand is gekomen. De experimentele en veelal onuitspreekbare verzen hebben, zo is mij toen toevertrouwd, de vereniging een vermogen aan drank gekost. Door de dichtaderen van deze weinig getalenteerde poëten moet veelal pure alcohol hebben gestroomd. Toch wil ik hen hier een kleine hulde brengen met het tweede couplet uit het bekende, oude studentenliedje 'Drie Vrienden':

 

Als de één een biertje pakte,

De and'ren deden 't na;

Ging de een dan voor de vlakte,

De and'ren volgden dra.

Had de één een kleine kater,

Dan ook de and're twee;

Dook de één soms onder water,

De and'ren doken mee.

  


De as Utrecht-Rome

Affiche dat veel feest beloofde. Op zijn Italiaans.


Het feest dat dat eerste jaar beheerste was het vijftiende lustrum, het vijfenzeventigjarig bestaan van de vereniging of de Verein zoals hij nu door de jongere generaties die pas lang na de jaren zestig uit hun ei kropen, wordt genoemd. Een speelse Duitse aanduiding. Naast Rome met zijn latijn was Duitsland steeds een culturele factor van belang. Ook dit kwam tot uiting in de liederen die we moesten instuderen en daarna ons levenlang zongen als we elkaar weer ergens tegenkwamen. O, alte Burschenherrlichkeit.

En dus was er een lustrumcommissie die vrijwel dezelfde status had als het Veritasbestuur. Voor zover ik me kan herinneren (zie boven) ging dit gezelschap dat hele jaar bij voortduring gehuld in jacquet en rok c.q. zwart mantelpak. In die outfit is men toen ook bij de paus op bezoek geweest om zijn zegen over ons af te smeken. Bij terugkomst werden de foto's van de audiëntie met veel ontzag doorgegeven alsof het hier een gewaagde studentengrap betrof. Velen van ons waren duidelijk ontroerd. De paus had het roemruchte Veritas steun toegezegd, en de vereniging had op baar beurt duidelijk gemaakt onvoorwaardelijk achter het Vaticaan te staan. Geen vuiltje aan de lucht dus. De as Utrecht-Rome was sterker dan ooit.

Het lustrum was van Italiaanse snit. Toen kon dat nog. Een van de hoogtepunten was een concert van I Musici. Ik moet tot mijn diepe schande bekennen dat ik daar in die tijd nog nooit van had gehoord. Mijn fascinatie gold het veel minder gepolijste, maar wel nieuwe en uiterst vitale geluid van Beatles en Stones waarvoor we de ether afzochten op zoek naar een piraat die toevallig een nieuwe hit op had staan. I Musici contra de Stones, het breekpunt van een tijdperk stond voor de deur.

Maar ziet, het was blijkbaar toch nog net even anders. Want bij het nasnuffelen van het Lustrumboek 1964 zag ik, toch wel enigszins tot mijn opluchting, dat het niet I Musici waren maar I Virtuosi di Roma, waar ik zo mogelijk nog minder van had gehoord. Het geruststellende daarbij vind ik zelf dat ik blijkbaar het Italiaanse lidwoord correct heb onthouden, en dan nog wel in een taal waar ik nooit erg vertrouwd mee ben geweest. Om een of andere reden hebben de lidwoorden zich stevig in mijn brein genesteld. Wellicht omdat ze in die jaren veel gehanteerd werden. Bij het reconstrueren heb ik er veel gemak van gehad.

 

Juke-box

Nog even terug naar de botsing van muziekwerelden. Wat lezen wij op pag. 53 van eerdergenoemd lustrumboek over het vijftiende lustrum? Het volgende: 'Eind april werd de rust die in het Eigen Huis pleegt te heersen, wreed verstoord door het oorverdovende lawaai van een juke-box, welke de L.C. (Lustrum Commissie, GvdS) in de dinerzaal had laten plaatsen ter verhoging van de komende feestvreugde. Van toen af aan werd er niet meer gewerkt, de aanwezige besturen brachten hun tijd door met de Beatles ... '

Een interessante passage, niet alleen vanwege het memoreren van de Fab Four, maar vooral ook vanwege de hypocrisie die er uit spreekt. Hier werd zonder toelichting gesuggereerd dat er onder normale omstandigheden (geen juke-box) door besturen bestuurd werd. Mogelijk is me in die periode toch nog meer ontgaan dan ik steeds heb gevreesd.

 

Een beschimmelde onderwereld

Utrecht, 1967. Springweg 53. Klein feest op kamer van de auteur.


Feesten, de succesfactoren waren simpel: bier en meisjes, en vaak alleen het eerste. Dan was het niet 'Hop Marjanneke', dan was het alleen Hop. Er waren grote feesten en kleine. Een enkele opmerking over de kleine. Die voltrokken zich op een kamer, soms in een huis (een beetje donker, allemaal op de grond, wierook, Jeffersons Airplane en Bob Dylan, helemaal te gek) en een enkele keer huurden we daarvoor een feestruimte af. Een tochtige keet of een vochtige kelder, het mocht natuurlijk niets kosten. Daar vierden we dan een jaarclubfeest De ruimte werd aangekleed met netten en ballonnen, wijnflessen dienden als kandelaar en om indruk te maken op introducees en bevriende jaarclubs studeerden we meestal ook iets leuks in. Gebrek aan discipline tijdens de voorbereidingen en sterker nog tijdens het feest bleken echter keer op keer fataal. Tijdens het feest begon er op een volstrekt willekeurig moment iemand te roepen dat het nu tijd werd voor ons optreden. Niemand die het hoorde, en als er al iemand iets opving was er geen spoor van herkenning. Waar had men het over? Twee uur later kreeg een ander lid, geheel spontaan een soortgelijke ingeving. Tot een in de tijd en plaats gezien gecoördineerde actie kwam het echter nooit en dat was maar goed ook gezien de gebrekkige voorbereidingen. Wat niet wegneemt dat een aantal zeer gevatte sketches nimmer de aandacht hebben gekregen die ze verdienden. De lezer moet goed beseffen dat deze projecten zonder enige vorm van regie tot ontwikkeling kwamen. Dat ze het spruitstadium nooit ontgroeiden behoeft dan ook geen verbazing te wekken. Trouwens ook geen medelijden. Het was een onderdeel van het grote spel waarvan we de spelregels nooit hebben begrepen, ook al omdat we ze nooit hebben ontdekt.

  

Klappen

Een van de storende factoren tijdens de kleine, en ook wel de grote feesten, was dat alle aandacht en energie gericht was op het kapen van de, meestal schaarse, vriendinnetjes van jaarclubgenoten. De neiging daartoe was zeer sterk aanwezig en oversteeg zelfs innige gevoelens van kameraadschappelijkheid. De zeldzame exemplaren van het andere geslacht die zich hadden laten overhalen in te dalen tot aan de zompige en klamme gewelven waarin de viering plaatsvond, werden weliswaar niet zelden in grote gewetensnood gebracht, maar ze genoten anderzijds onmiskenbaar van de emoties die ze in ons wisten los te maken. Wat ze gedurende maanden van intensieve koffierondes hadden opgebouwd aan relaties en gevoelens kon tijdens zo'n druipend feestje in één klap vernietigd worden, wat niet zelden tot vervolgklappen leidde. Dat jaarclub Flikkerlicht (zie je wel aan ons gezicht) na 50 jaar in 2013 toch vrijwel volledig aanwezig was op de reünie van het jaar 1963 mag misschien een wonder worden genoemd, het is ook een aanwijzing dat er in een studententijd stille krachten actief zijn die ongemerkt verbanden smeden.

Het bovengenoemde kapersgedrag is natuurlijk niet nieuw zoals we ook kunnen lezen in het eerste couplet van het bekende oude studentenliedje: Het meisje waar ik zooveel van hou. Ik heb het opgenomen als eerbewijs aan al die moedige meisjes die onze feesten hoe dan ook iets extra's hebben gegeven. Het gaat als volgt:

 

Dat meisje, waar ik zooveel van hou',

Zooveel van hou' met eere,

Liet me in den steek. Daar zit ik nou

Met mijn gebakken peren.

Ik wachtte op haar wel een uur omtrent

(Dat is toch wat lang, zou ik meenen) ...

Toen kwam zij er aan met een anderen vent

En keek heel brutaal door mij henen .....

Alweer een illusie gezet aan den kant;

Maar - ik blijf er toch even fiksch om.

Nou ja, ik heb wel een klein beetje het land,

Maar ik geef er toch lekkertjes niks om!

  

Priemende blikken

Hier valt weinig aan toe te voegen, het is nog zo herkenbaar. Vooral de regel waarin brutaal door de dichter heen werd gekeken. Een interessante passage. Het vermogen om door niet doorzichtige objecten heen te kijken is bij meisjes inderdaad veel krachtiger ontwikkeld dan bij jongens. De laatsten proberen het wel, maar stellen zich al gauw tevreden als ze de kledinglaag zijn gepasseerd. Als ik met deze stelling de overstap mag maken naar de 'grote' feesten, dan zie ik op Veritas inderdaad grote groepen enigszins verhit ogende, vrijgezelle studenten met hun beperkte röntgenvermogen de dansvloer scannen. De meisjes van hun kant zien deze zoeklichten in het geheel niet staan, ze kijken er dwars doorheen.

We hebben heel wat afgefeest. Ik heb aan de ene partij een nog vagere herinnering dan aan de andere. Een eerstejaarsfeest/weekend in Volendam waar Alie mij in een Volendams steegje verleidde onder haar Volendamse scbouderdoek. Een diësfeest met pop-art-trekjes, een stok-oud filmpje van laag allooi en een schuim- en vuilbekkende Jobnny the Selfkicker. Een eerstejaarsfeest in het juist aangeschafte stadskasteel Oudaen waar de vloer van de eerste verdieping het dreigde te begeven en waar praeses Joop van de Pol zijn droom zag vergruizen. En laat ik maar niet te veel zeggen over dat feest bij onze Delftse zustervereniging Sanctus Virgilius. De afsluiting van interacademiale sportwedstrijden tevens de aanloop naar de dies van Virgil. Een val waar wij naïevelingen met open ogen intrapten. De sport was een list, wij Veritijnen waren een noodzakelijk kwaad, waar het die wellustige fietsenmakers in opleiding om te doen was, waren de Veritijnsen. Onze meisjes. Een Vestaalse maagdenroof door een horde wanhopige barbaren op zoek naar warmte en aangenaam gezelschap. Met gevaar voor eigen leven hebben we ze eindelijk de bus weer in gekregen. Dat we ons met ons beschermende gedrag niet populair maakten, deerde ons niet. Dat wil zeggen, de vijandige opstelling van de Virgilianen deerde ons niet, wat ons wel deerde was de reactie van sommige meisjes die maar wat graag waren gebleven.

  

Utrecht-Loosdrecht v.v.

Het leukste feest op Veritas was zonder twijfel het jaarlijkse Zeilfeest Daar zat een ongewone spirit in die op harmonische wijze werd opgebouwd tijdens het zeilgedeelte op Loosdrecht. Heerlijk om ieder jaar weer voortdurend alleen maar in de weg te hoeven zitten. Naarmate de dag vorderde, merkte je hoe de concentratie afnam en als de wind dan ook nog aanwakkerde zag je overal op de plas hoe gieken complete boten schoonveegden.

Eén zeilpartij staat me nog scherp voor de geest. Ergens midden jaren zestig. Wij hadden met een aanzienlijke groep van sterk gemengde samenstelling een zeer groot en stabiel ogend vaartuig uit de 19de eeuw gehuurd. Een Locbemse Dwarskieler, een schuit die bekend was vanwege het ontbreken van een stuurboord. Ons stoorde dat gebrek echter geenszins. Na een wat moeizame start slaagden we er halverwege de middag in om alle zeilen bij te zetten. Net toen dat gelukt was, begon de lucht snel te betrekken, stak de wind op en werd aan de einder gerommel hoorbaar. We moesten terug. Tijd van spelevaren was voorbij. Voor de wind werd de terugtocht aanvaard. Voor een snel aanwakkerende wind wel te verstaan. Het daglicht trok zich terug uit Loosdrecht, steeds frequentere bliksemflitsen gaven te weinig licht om een veilige koers aan te houden. De Dwarskieler daarentegen begon zich steeds meer in zijn element te voelen en liet zien dat het type ten onrechte als traag te boek stond. De schuit had gewoon bovengemiddelde orkaanstoten nodig.

 

I can get no satisfaction

De enige die het koppie erbij hield, was onze stuurman, ik zal geen namen noemen. Bij weer een flits werd duidelijk dat we met onwaarschijnlijk hoge snelheid recht op de steiger van het verhuurbedrijf (Ottenhome) afkoersten. Bij de volgende flits werd duidelijk dat de eigenaar van de Dwarskieler dit ook had opgemerkt. Zijn nerveuze aanwijzingen vanaf de steiger hadden iets komisch nu een ramp dreigde. Onze stuurman gaf het bevel de zeilen te strijken en ging tegelijk al gijpend overstag. Een gewaagde actie die op weinig begrip kon rekenen. Toen vervolgens in de complete paniek een lid van de volstrekt incompetente bemanning met de pijp van zijn broek in een cruciale katrol beklemd raakte, werd de Dwarskieler onbeheersbaar en was een aanvaring onvermijdelijk. Een groot deel van de bemanning koos eieren voor zijn geld en het ruime sop. Links en rechts sprongen ze over bakboord.

Utrecht, mei 1965. Zeilfeest op Veritas. Links de auteur, midden Inge Joosten, rechts Theek Schijf.



De steiger heeft het overleefd. En we hebben een schadeclaim kunnen afwenden door de verhuurder onzorgvuldig bestuur, ernstige nalatigheid en valsheid in geschriften te verwijten waardoor hij uitermate zwak zou komen te staan als het tot een proces zou komen. Maar we moesten wel in ons natte kloffie op de motor terug naar Utrecht. De gevolgen daarvan werden pas de volgende dag duidelijk. Die avond en nacht hadden we nog nergens last van. Het was een gedenkwaardige dag in mei van het jaar 1965, we voelden ons een beetje held, het Zeilfeest was er voor ons, we beleefden veel plezier aan onze beperkte röntgenblik en we zongen uit volle borst 'I can get no satisfaction'. Denk ik, want om nou te zeggen dat het me nog duidelijk voor de geest staat, zou lezersbedrog genoemd kunnen worden. Een paar jaar later ontmoette ik op een Veritasfeest mijn huidige echtgenote. Uiteindelijk kregen het lot en de natuur hun loop. Dit feest is me bijgebleven. Letterlijk.

Espunt, 22 januari 2019 

Toegift

Een liedje uit het Groenentoneel  van1964 dat op Veritas een klassieker is geworden. Het is van de Veritijnse troubadoer Rinus Razenberg, na Veritas veearts maar door blijven gaan met liedjes en cabaret. Dit lied is een wisselzang. De jongens beginnen en krijgen in het volgende couplet hun vet. En zo verder.


9. Ballade van de kuisvogel


Meisjes van jouw leeftijd dragen ringen,

Twintig jaren is de jeugd beproefd

Het studentje zoekt naar andere dingen

Omdat zij nog lang geen nestje bouwen hoeft

 

Kerels van jouw leeftijd zijn volwassen

Werken al wat jaren voor de kost

Loonbelasting en wat overuren

Weer een stukje van de ijskast afgelost

 

Meisjes van jouw leeftijd kunnen trouwen

Zullen heus niet wachten tot het mot

Hoeven straks geen rekening meer te houwen

Met het zesde en negende gebod.

 

Kerels van jouw leeftijd zijn pas heren

Zijn tenminste heer in elk verkeer

Zes jaar krijg je tijd om dat te leren

Want nu wil je net als kinderen steeds meer.

 

Meisjes van jouw leeftijd hebben baby's

Spoelen luiers als er vuil in komt

Maar studenten meisjes blijven lady's

Spoelen hoogstens als het moet een kopje om

 

Kerels van jouw leeftijd zijn pas mannen

Smeden banden van de huwelijkstrouw

Maar studentenjochies zien dat anders.

Die versieren zonder goud toch elke vrouw.