MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0055

Vorige Praatje    Volgende Praatje


Praatje, 26 maart 2019


Introductie

Dit artikel verscheen eerder in het reünistenblad van de Utrechtse studentenvereniging Veritas (april 2017). Hoofdpersoon is Albert Smulders die in 1934 lid werd van Veritas. Een Veritijn uit een grijs verleden. Ter illustratie: Albert had in 1939 de twijfelachtige eer om het jubileumboek aan het Veritasbestuur te mogen aanbieden. Herdacht werd het halve-eeuwfeest. Dit jaar bestaat Veritas al weer 130 jaar. We zijn tachtig jaar verder! Langzaam maar zeker worden de draadjes met die eerste halve eeuw dunner. Ze staan op knappen. Veel zijn er al geknapt. Hoe nu Albert Smulders?

Er is altijd een verhaal achter het verhaal. Het verhaal achter Albert loopt via Nicolaas Schweizer en Wijnand Hoogstraten. Oudgedienden van Veritas en nu niet meer onder ons. In het septembernummer van 2012 (nummer 61) hadden wij een plaatje staan van de voorpagina van de Vox Veritatis van 11 december 1946. Dat was een extra editie, gewijd aan de uittocht (ook bekend als De Grote Veldtocht met als codenaam: Action Barbousse) naar Nijmegen waar een dag eerder de sociëteit Roland van Carolus Magnus door een leger Veritijnen onder de voet was gelopen, waarbij eerlijkheidshalve moet worden aangetekend dat er van enig verzet geen sprake was. Dat alles onder het praesidiaat van Nico Schweitzer ('46 / '47) die in verband daarmee later door kardinaal De Jong op het matje werd geroepen. Toen Nico, op dat moment emeritus-hoogleraar oogheelkunde in Groningen, deze achterkant onder ogen kreeg, riep dat zoveel herinneringen bij hem op dat hij contact met mij zocht. Het resultaat was een uitgebreid artikel over deze historische gebeurtenis in het volgende nummer van de RVox.


Bundel met gedichten van Albert Smulders, als relatiegeschenk van Ciba-Geigi.


Nico had mij in contact gebracht met Wijnand Hoogstraten (jaar van aankomst 1945), iemand met een olifantengeheugen (volgens Nico). Dat klopte. Wijnand wist niet alleen nog talrijke details van De Grote Veldtocht, hij kwam ook geregeld met suggesties voor nieuwe verhalen en met lijstjes van oude helden waar we aandacht moesten besteden. Zijn grootste held was AJAB (van Maanen). Na enige tijd zijn wij gezwicht voor Wijnands druk en zijn we samen met hem in het, op zijn zachtst gezegd, curieuze leven van AJAB gedoken (RVox, mei 2013). Een andere Veritas-coryfee waar hij hoog van opgaf, was Albert Smulders, de wonderdokter van Bergeijk. Net als AJAB behorend tot de vooroorlogse Veritas-generatie.

Albert Smulders kwam in 1934 aan. Hoezeer Wijnand Hoogstraten Albert bewonderde mag blijken uit een kleine gedichtenbundel uit 1973 met “medische verzen” van de hand van Albert Smulders, op dat moment directeur van de GGD in Breda, bedoeld als een relatiegeschenk van de Nederlandse tak van Ciba Geigi waar Wijnand Hoogstraten toen directeur corporate communicatie was (titel: De zingende aesculaap).

Met het overlijden van Wijnand Hoogstraten verstomde de stem van de jaren dertig. De kans om Albert Smulders te portretteren hadden we laten lopen. Ook al omdat we geen idee hadden waarom deze Veritijn zo bijzonder was geweest. Maar toen bleek het lot ons toch nog goed gezind. Wij ontvingen in 2015 een bericht dat oud-Veritijn Ton Christiaans was overleden. Contact met de familie leverde op dat Ton in 1961 Albert Smulders was opgevolgd als de huisarts van Bergeijk. Ineens was er weer een spoor, sterker nog, wij kregen de tip dat er door neef Hans Smulders een interessante biografie van zijn oom Albert was geschreven. Hans was zo goed om mij zijn materiaal ter beschikking te stellen, waarvoor ook op deze plaats dank. Ik heb er dankbaar gebruik van gemaakt.


Vader Johan Smulders was arts en beijverde zich voor de introductie van Periodieke Onthouding in Nederland.


Albert bleek inderdaad een kleurrijk figuur. Ik heb me vooral op de Veritastijd van Albert gericht. Het boekje is veel uitgebreider en geeft een mooi inzicht in het doen en denken van een gezaghebbende Brabantse familie. Heel katholiek, en niet in het minst Albert zelf, die zich vol overgave heeft ingezet voor het behoud van de katholieke cultuur in het algemeen en voor het welzijn van zijn Bergeijk in het bijzonder. Zeer gezagsgetrouw was Albert op het punt  van de katholieke seksuele moraal. Hij schrok er niet voor terug om ook met bisschop Bekkers openlijk van mening te verschillen (1963). Zijn vriend Kees Trimbos, die aanvankelijk op dezelfde lijn zat, had toen ook al een nieuwe, meer ruimdenkende weg gekozen.




Ridder Albert, Hans Smulders, Uitgeverij Boekenbent, 2012, ISBN 97894-6203-087-9



Albert Smulders (1913 – 2010)

Hoe hij de "Wonderdokter van Bergeijk" werd.

 

 1939 en een bijzonder lustrumboek

1939. Utrecht, Veritas, Eigen Huis. Veritas bestaat 50 jaar. Albert Smulders overhandigt het gedenkboek 1889 - 1939 aan praese Jan van de Loo. Een dik boek maar van de 300 pagina's zijn er 270 blanco. Letty Stael en Hugo de Steenhuysen Piters kijken toe. Daarnaast eerste praese en ere-praeses van Veritas Jan Bosch van Oud-Amelisweerd.


In 1939, een jaar vol oorlogsdreiging en mobilisatie, vierde Veritas haar vijftigjarig bestaan. Albert Smulders, dan vijfdejaars student geneeskunde, maakte deel uit van de gewichtige Commissie van het Gedenkboek, waar verder deel van uitmaakten: C.J. Verheijen, J.A.J. de Leeuw, P. Meulemeester en mej. E.J.H. Tak. Op het daarvoor bestemde moment mocht Albert een ingebonden exemplaar van het boek aan de Praeses Collegii aanbieden. Het bleek het enige exemplaar te zijn, sterker nog, van de 300 bladzijden waren er 270 blanco. Een wat pijnlijke situatie en het is dan ook niet verwonderlijk dat de Commissie het lid Smulders, als de retorisch meest begaafde, naar voren had geschoven om dit toch wat genante varkentje te wassen. In het wel goed gevulde jubileumboek Quid est Veritas uit 1989 wordt daarover het volgende opgemerkt:

“De oorzaak van het vele wit moet hij (Albert Smulders, GvdS) ongeveer zo hebben geformuleerd: ‘Het Veritasverleden is zo rijk aan belangwekkende gebeurtenissen en zo omvangrijk, dat het maken van een geschiedschrijving met veel zorgen en ijver omkleed dient te zijn en ettelijke maanden in beslag neemt. Als het boek nu al af zou zijn geweest, zou dat duiden op een eenvoudig, weinig opwindend verleden of op een gebrek aan interesse van de makers. De vele onbeschreven pagina’s zien wij, de gedenkboekcommissie, dan ook veeleer als compliment dan als blamage voor de vereniging.’ Over zelfkritiek gesproken. Het boek is nooit voltooid en het unieke, ingebonden exemplaar werd tot 1956 gebruikt als receptieboek. Het bevindt zich sindsdien in het Universiteitsmuseum.”

Dat dan weer wel, zou je nog kunnen zeggen. Al met al een curieuze historie, maar daarom des te beter passend bij Albert Smulders. Overigens had hij al enige ervaring op dit gebied. Op 17-jarige leeftijd werd hij benoemd als hoofdredacteur van het lustrumboek van zijn middelbare school.


Wie was Albert Josephus Maria Mulder?

Onder archiefnummer 220 van Katholiek Documentatie Centrum (KDC) van de Radbouduniversiteit treffen we over Smulders, A.M.J. het volgende aan:

 Albert Josephus Maria Smulders werd geboren te Udenhout op 26 december 1913. Hij was een zoon van de arts J.N.J. Smulders, die de periodieke onthouding bij de Nederlandse katholieken introduceerde. Hij studeerde geneeskunde in Utrecht en was lid van het medisch dispuut van de RK Studentenvereniging Veritas. In 1937 was hij lid van de Installatie-commissie van Veritas en in 1941 werd hij honorair-lid van Veritas. Na zijn studie was hij huisarts te Bergeijk. Albert Smulders overleed op 25 maart 2010 te Breda.

Daar hoort nog bij dat hij in 1961 tot aan zijn pensioen hoofd van de GGD in Breda was. Meer over Albert heeft neef Hans boven water gebracht.

 In de inleiding van zijn boek merkt Hans het volgende op:

 “Wie verwacht dat hij de mens Albert na lezing kan doorgronden, zal waarschijnlijk teleurgesteld worden. Mij viel in elk geval op dat hij zich in zijn archief niet ècht laat kennen. Zelfs zijn brieven en cahiers met aantekeningen bevatten nagenoeg geen persoonlijke opmerkingen. Misschien met uitzondering van zijn liefdesbrieven aan Wil, die – als enige en om begrijpelijke redenen – niet tot mijn beschikking stonden. Maar er bleef meer dan genoeg interessants over.”

 

Geboorteplanning

1919. Het gezin Smulders. Albert met hand voor zijn mond, is nummer zes. Met vader Johan Smulders en moeder Jeanne van Deene.


Albert werd op 26 december 1913 geboren als het zesde kind van Johan Smulders en Jeanne van Deene. Van harte, luidde een felicitatie, gaat zoo voort en ge zult vader Abraham naar den kroon steken. Dat gebeurde inderdaad. Terwijl Abraham bij al zijn vrouwen niet meer dan zeven kinderen verwekte, kwamen er bij Johan en zijn Jeanne uiteindelijk liefst twaalf, al werden twee kinderen dood geboren en stierf er één al heel jong. Johan was als gestichtsarts verbonden aan Huize Assisië bij Udenhout (een instelling voor zwakzinnige jongens en mannen). In 1930 maakte hij naam met een publicatie over ‘Periodieke Onthouding’ waarmee hij de ideeën van de Japanner Ogino en de Oostenrijker Knaus in katholiek Nederland introduceerde. De methode berustte op het bepalen van de vruchtbare periode van een vrouw tijdens haar cyclus. De reacties op dit (zeker voor katholieken) revolutionaire idee waren overweldigend. Stapels brieven van echtparen, maar ook van huisartsen en zielzorgers die gebukt gingen onder de dilemma’s in spreekkamer en biechtstoel. Periodieke onthouding in het huwelijk werd door de kerk geaccepteerd als alternatief voor de totale onthouding als zwangerschap voorkomen moest worden.

 

Het Sint Odulphuslyceum met Den Doctor en Den Siemer

Albert ging naar het Tilburgse Sint Odulphuslyceum, de oudste middelbare school in Noord-Brabant, in 1899 gesticht door de geestelijke Dr. P.C. de Brouwer, in de wandeling door zijn leerlingen Den Doctor genoemd. Deze classicus en homo universalis, die één van Alberts leidsmannen zou worden, streefde naar de vorming van een weerbare katholieke elite die aan Brabant leiding zou kunnen geven in de aanstormende moderne tijd. Een andere leraar die grote indruk op de jonge Albert maakte, was de priester Frans Siemer. De Siemer, zoals hij steevast werd genoemd. Hij gaf het vak Duits maar was van vele markten thuis: graficus, schilder, beeldhouwer, uitgever, dichter, essayist en regisseur. Leerlingen bewonderden hem zeer. Op deze school ontkiemde bij Albert het dichterschap. Het onderstaande citaat geeft een indruk van de nogal gedreven instelling van de scholier Smulders:

“Dat iedere gymnasiast zich ver voelt uitsteken boven een HBS-er is een vrij bekend verschijnsel. Maar als hij beweert op een gymnasium een klassieke opvoeding deelachtig te worden, dan liegt hij dat. Als men jonge menschen geheel zou plaatsen in een klassieke sfeer, dan kregen zij een klassieke opvoeding. Voor ons gymnasiasten van 1933 is dit niet zoo. Voor ons is Latijn en Grieks een vak geworden evenals scheikunde of Duitsch. Het is enkel kennis die men machtig moet worden voordat men het eindexamenpapiertje krijgt. Wij beleven niet meer de cultuur die de grondslag was van dat alles. Wij zijn geworden de groentenboeren in de stad, die preien verkoopt en asperges en voor wie dat artiekelen zijn geworden. Terwijl voor een boer bij voorbeeld de rooie kool een andere beteekenis heeft: die beleeft ‘zijn rooie kool’. Dat wij een klassieke opvoeding krijgen is een officieele leugen.”

 

1934. Studeren in Utrecht

Daar zat hij dan op 1 oktober 1934, de kersverse student, op zijn kamer aan de Oudegracht 60bis, in het deftige Utrecht, zoals hij naar familie schreef. Vol zelfvertrouwen, zeer Rooms, zeer Brabants, en zeer strijdbaar. Hij voelt een missie. Bij aankomst lag er een presentje van zijn peettante Phien: Ik vond ‘t wel aardig je de eerste cigaretten voor op je “kast” te sturen. En er lag ook een kaartje van zijn tante Maria: Gaarne hoop ik dat je veel succes zult hebben met de studie, dat je door het succes je idealen zult kunnen verwezenlijken.

Het thuisfront werd ingelicht: Ik zit er nou een week en tot nog toe ben ik uitermate tevreden. Het eten is goed, zelfs zeer goed. Iedere morgen een ei en iedere avond ook een extra’tje: ‘n ommelet, ’n warm worstebroodje, een paar krentebroodjes, spiegelei met ham of zoo iets dergelijks. Verder bij de boterham gerookt vleesch + ham en vrijdag dun uitgesneden plakken van een fijne vischsoort (als heiboer ben ik natuurlijk in de vischwereld niet thuis). Het middageten is eveneens goed. En als Albert zijn schoenen ‘s avonds buiten de deur zette, vond hij ze de volgende morgen gepoetst terug.

 

Veritas en de Vox

1942, november. Feest op Veritas. Albert, zittend in het midden.


Kortom de hele familie leeft mee en dat zal hij later nog hard nodig hebben als zijn vader Johan in 1939 overlijdt en zijn moeder zonder al te veel inkomen achterblijft. Albert is energiek lid van Veritas en doet van alles behalve studeren. Het kost hem dan ook steeds meer moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Er moet voortdurend bij familie gebedeld worden met de steeds minder geloofwaardige belofte dat de studie nu echt begint te lopen.


 In “Ridder Albert” lezen we:

Albert was lid geworden van een gezelligheidsvereniging, uiteraard van het katholieke Veritas. Niet voor niets zou hij kort na zijn intrede instemmend professor Weve citeren: wee dengene onder ons Katholieken, die niet de betekenis beseft van aansluiting op principiëlen grondslag. Veritas was zeker niet slechts in naam katholiek: de moderator, kapelaan Visser, deed er niet alleen de zielzorg, maar censureerde ook het verenigingsblad Vox Veritatis. En niet voor niets zongen de Veritijnen: In rok en vest en witte das bedreigt een draak ons Veritas – de veelkoppige draak namelijk van niet-katholieken.

Veritas had sinds kort een Eigen Huis, aan de Kromme Nieuwe Gracht 54, een oud patriciërshuis, zeer ruim en ouderwetsch deftig volgens Albert, met sociëteit en leeskamer. In de collegezaal op de bovenverdieping doceerde professor Alfrink theologie, hield de studentenpastoor wekelijks een meditatie en vergaderden diverse studieuze onderafdelingen. Op die eerste verdieping was trouwens ook de meisjeskamer, maar die was verboden terrein voor mannelijke studenten.

Godfried Bomans

Nog maar net in Utrecht schrijft Albert een brief van tien kantjes, bijna een pamflet, aan Godfried Bomans, op dat moment tweedejaars rechtenstudent in Amsterdam. Bomans is de belangrijkste redacteur van De Dijk, het orgaan van de Unie van katholieke studentenverenigingen in Nederland. De brief is bedoeld voor publicatie en Albert laat duidelijk merken dat het met de Unie en De Dijk een andere kant op moet: ‘Het lijkt eerder het Orgaan van de R.K. vereeniging van rentenierende middenstanders.’ Het stuk wordt geweigerd.

Van redacteur Godfried Bomans (die in De Dijk sprookjes publiceerde en afleveringen van Pieter Bas) kreeg Albert daarnaast begin januari 1935 een persoonlijk antwoord. Godfried verklapte dat hem was gesuggereerd om Albert in de redactie op te nemen. Na lezing van jouw stuk antwoordde ik, dat ik vooralsnog in het belang van De Dijk en in het belang van jouw geestelijk evenwicht wel even zou wachten je de redacteurszetel aan te bieden.

 

Thuisfront ongeduldig

Albert werd redacteur van de Vox Veritatis en ging daarin gelijk in de tegenaanval richting De Dijk. Op zulke momenten won zijn ego van zijn zelfbeheersing. Albert was een vechtersbaas met woorden. Maar altijd voor de goede zaak (naar zijn overtuiging). Hij ontwikkelde zich tot een zeer productieve Voxredacteur. Alleen in 1935 al vijftien artikelen en tien gedichten. Zijn moeder schrijft in september 1935: “Ik zal ‘t heerlijk vinden als je je propjes haalt!! Blokken man! O wat zal ik blij zijn”. En in oktober: “De tijd vliegt snel, benut hem wel! Niet al je tijd aan de “Vox” verdoen. Denk er om: er zijn hoofdzaken en bijzaken.”

In 1937, bij het begin van het nieuwe studiejaar, verhuisde Albert van de fraaie Oude Gracht via een kort verblijf op het Lucas Bolwerk naar de statige Kromme Nieuwe Gracht 7 in Utrecht. De kamer was met zijn f 25,- per maand goedkoper dan zijn vorige en hij zat dichter bij de sociëteit. Bij aankomst lag er een brief van zijn moeder: Beste Albert!! Welkom in je nieuwe ‘home’. Ik hoop dat je er prettig zult zitten en hard zal studeren!! Jongen, denk er om: opschieten is de boodschap!

Hartelijk omhelsd door Je liefh. [zus: doorgestreept] Jeanne.

Maar Albert deed veel meer dan studeren. Zo was hij in deze periode lid van de ontgroeningscommissie van Veritas, redacteur van de Vox en Kroniekschrijver ten behoeve van het komende lustrumgedenkboek (zie boven). Hij werd door (de latere filosoof) Bernard Delfgaauw ook overgehaald om alsnog toe te treden tot de redactie van De Dijk en hij was voor de Unie referent van het Contact met de Religieuze Studentencorporaties. En natuurlijk schreef hij weer de nodige gedichten en artikelen.

Albert had de grootste moeite zich op zijn medicijnenstudie te concentereren. Te veel afleiding?
Zo liep hij in deze tijd college bij Dr. Bartling op het Kunsthistorisch Instituut in Utrecht. Hij ging graag naar toneelvoorstellingen, vooral die van Shakespeare of Shaw bij de Amsterdamse Toneelvereniging (met de door hem bewonderde Albert van Dalsum), maar hij was bijvoorbeeld ook te vinden bij de Molièrevertolkingen door het gezelschap van Jan Musch of het lichtere werk van Ko Arnoldi.
Hij was natuurlijk lid van de medische club binnen Veritas onder leiding van de moraaltheoloog pater Pauwels, maar ook van de sociale studieclub begeleid door de strafrechtgeleerde professor Pompe. Hij
volgde de speciale colleges van de natuurfilosoof Van den Berg en van de klassiek-thomist Magister Doodkorte. Voor deze dominicaan had Albert veel bewondering, in 1938 noemde hij hem de meest indrukwekkende mens die ik ooit ontmoet heb, ook al kwalificeerde vader Johan diens medische betogen als larie die nergens ernstig werd genomen. Albert correspondeerde zelfs korte tijd met Doodkorte. En daarnaast las hij veel: poëzie (Slauerhof, Gossaert, Marsman, Engelman en Van Duinkerken scoorden hoog), maar ook filosofische, theologische en medisch-historische werken, soms zelfs in het Duits of het Frans.

Het is duidelijk, de studie vlot maar matig. Maar na vier jaar doet hij dan toch zijn kandidaats. Het resultaat: drie maanden. De zorgen in de familie groeien voortdurend. En het wordt nog erger. Als hij na drie maanden opnieuw examen moet doen durft Albert niet. Grote mond maar nu toch in de problemen ook al is zijn argumentatie naar de studentenmoderator briljant te noemen: In de korte spanne tijds dat de sensus studiosus mij zegenrijk bezeten heeft, heb ik de zaken niet zodanig onder de knie kunnen krijgen dat ik het geheel beheers en mijn gehele natuur verzet er zich tegen op een examen met me te laten spelen door een stel handige vakgeleerden. ‘t Is niet lollig te werken in de vacantie, doch als auto-poenitentie voor een slordig jaar heb ik het te aanvaarden. Voor thuis zal ‘t helaas ‘n grote teleurstelling zijn, want ze verwachten zeker dat ik nu slaag.

Vader Johan is woedend en weigert voor het komende jaar het college- en examengeld te betalen. Op 3 juli 1939 komt dan toch het telegram: Candidaat Albert. Vader Johan heeft het nog net kunnen meemaken.

 

Rechts en ultrarechts

Utrecht, kort na de oorlog. Albert met zijn verloofde Willy Hoynck van Papendracht, dochter van de huisarts van Bergeijk. Albert zou in 1947 diens praktijk overnemen.


Het boek van Hans Smulders schetst ook een interessant beeld van de positie die de katholieken in politiek opzicht innamen in de jaren dertig en tijdens de oorlog. Er was veel sympathie voor de corporatistische ideeën die uit Italië overkwamen, er was twijfel aan de effectiviteit van de democratie, er was afkeer van materialisme en decadentie (de grote crisis na de beurskrach in 1928), er was angst voor het communisme. Een giftige mix die bij grote groepen katholieken fascistische sympathieën opwekte. Ook de familie Smulders bleef er niet van gevrijwaard. En ook de geluiden in de Vox droegen aanvankelijk dit karakter. Het was de Nijmeegse hoogleraar Anton van Duinkerken die zich openlijk zorgen maakte over de rechtsradicale tendens onder de Nederlandse katholieke intellectuelen. Van Duinkerken werd overigens in 1938 in de Vox door Albert Smulders op de vingers getikt. Toen de Vox in 1941 stelling nam tegen het ontslag van de Joodse hoogleraren volgde een verschijningsverbod. Een paar maanden later werd heel Veritas ontbonden. De vereniging ging verder onder de paraplu van de studentenparochie. In maart 1942 slaagde Albert voor zijn doctoraal en kon hij aan zijn co-schappen beginnen. Op 29 juni 1943 ging hij aan de slag in de praktijk van de Bergeijkse huisarts Hoynck van Papendracht. De toen 16-jarige dochter des huizes zou op 11 juli 1947 zijn vrouw worden. Haar vader had kort daarvoor een hartinfarct gekregen. En zo kon het gebeuren dat Albert bijna op zijn trouwdag de praktijk van zijn schoonvader overnam. Daarmee begon een nieuwe fase in zijn roerige leven waarin hij zich de eretitel Wonderdokter van Bergeijk verwierf.


Huwelijk en seksualiteit

Albert Smulders, overal bij betrokken, een publieke figuur, zeker in Brabant en Bergeijk.



Als huisarts bemoeide Albert zich actief met allerlei welzijnsthema's. Belangrijker nog dan zijn nevenfuncties waren Alberts voordrachten door heel Noord-Brabant, in cafézaaltjes, patronaatsgebouwen
of op zondagmiddag in de kerk vanaf de preekstoel. Zo gaf hij EHBO-cursussen in de dorpen en in het jongerencentrum in Valkenswaard sprak hij over “Huwelijk en kuisheid”. Ook gaf hij medisch-seksuele
voorlichting aan leerlingen van de Tilburgse Hogere Textielschool en andere opleidingen. Geen overbodige luxe; zo was er een vrouw die na anderhalf jaar huwelijk aan Albert schreef: Tot nu toe hebben we nog nooit de huwelijksdaad gesteld. Ik durf niet dokter. Nu begint mijn man er erg naar te verlangen. Maar als het avond wordt dan zakt me de moed weer in de schoenen.

De seksuele worsteling was enorm. Natuurlijk las Albert het nodige over huwelijk en seksualiteit, ook “genotzuchtige” boeken als Het volkomen huwelijk van Van der Velde waarvan de Kerk lezing had verboden, maar dan vroeg hij wel eerst netjes ontheffing bij het bisdom. Nog in 1955 gaf de Bossche
bisschop Mutsaers persoonlijk hem een schriftelijke ontheffing, met daarbij ter bescherming van andermans zielenheil de toevoeging: Dit verlof is strikt persoonlijk. U dient maatregelen te nemen dat het niet in handen van onbevoegden komt.

Albert Smulders roept zijn gehoor op hem te schrijven. Het boekje van Hans Smulders bevat talrijke citaten van brieven die op allerlei manieren een seksuele nood illustreren die we ons nu nauwelijks nog kunnen voorstellen. Wat we ons heel goed kunnen voorstellen is de enorme bevrijding die de katholieken moeten hebben ervaren toen in de jaren zestig het dogmatische keurslijf openbarstte. Een vrouw schreef Albert:

Een andere vrouw had een rigoureus oordeel: U praat erg mooi over de liefde, maar die is voor ons een zure plicht. Aan zeer veel gehuwde vrouwen, met voor de buitenwereld een gelukkig huwelijk, heb ik de vraag gesteld of ze graag had dat haar man bij haar kwam om het huwelijksleven te doen plaatsvinden. Bij vertrouwelijk worden hadden deze vrouwen allemaal een hekel aan het huwelijksleven. Mijn conclusie
is dat 90% van ons vrouwen de huwelijksdaad maar toelaten uit plichtsbesef omdat we R.K. zijn én omdat we bang zijn dat onze mannen naar een andere vrouw zouden gaan.


Ridder Albert, hier als Ridder van het Heilig Graf. Albert zag het als zijn heilige plicht de katholieke zaak met verve te verdedigen.


Albert probeerde op zijn manier de nood te lenigen en bekritiseerde wel degelijk de meest conservatieve uitingen van de Katholieke leer. Maar hij bleef in essentie een katholiek van het oude stempel. Een krachtig pleitbezorger van het katholieke wereldbeeld met een hoofdrol voor het gezin. In het R.K. Artsenblad zette hij in 1954 zijn gedachten verder uiteen:  

Voor de vrouw is vruchtbaarheid een levensvervulling, die haar tot volle vrouwelijke ontwikkeling brengt. Voor de man is het een trots en levensdoel een nageslacht te bezitten, waarin zijn naam, begaafdheid en familiekenmerken voortleeft. Voor het vaderland lijkt emigratie een oplossing voor dreigende overbevolking. En voor landen-zonder-volk die volkzonder-land uitnodigen, betekent dezelfde emigratie een hulp. Ik geloof dat het katholieke levensgevoel pas aan een gezin van 5 à 7 kinderen voldaanheid beleeft. En dit staat in elk geval onomstotelijk vast: er zijn meer gelukkige grote, dan tevreden kleine gezinnen.

In de jaren daarna werden de gezinnen kleiner en werd Nederland volgens de statistici steeds gelukkiger. Zelfs Albert Smulders kon het tij van de grote historische processen niet keren. Zelf kreeg Albert acht kinderen en was daar zeker gelukkig mee, maar hij kon niet verhinderen dat zijn dochters uiteindelijk de kant van de Dolle Mina's kozen. Albert overleed in 2010 en werd 96 jaar.


Albert was altijd in voor iets speels, letterlijk en figuurlijk. Hieronder een in Bergeijk beroemd liedje, getiteld het Hermenieke (de Harmonie). Een lied dat groeide. Ook Albert leverde coupletten aan (zoals ook het Eigen Huis lied van Veritas bij speciale gelegenheden met nieuwe coupletten werd uitgebreid).


’t Hèrmenieke van Bergeijk


 

’t hèrmenieke van Bergeijk
dè spulde toch zo schon
èn ze hebben saam geklonken
ze hebben saam gedronken

refrein

van ’t gerstebier van kyrië
‘t gerstebier van kyrië
’t gerstebier van kyrië eleïson

de pastoor van Bergeijk
die is er toch zo rijk
èn als ie komt te sterven
drinkt heel Bergeijk van d’erven

èn de koster van Bergeijk
die vergat ‘ne keer een lijk
want ie had te veel geklonken
hij had te veel gedronken

èn den dokter van Bergeijk
die hi haost gin praktijk
want ie kan zo vlug nie wezen
of ze zijn alweer genezen

èn het raodhuis van Bergeijk
dè is ‘ne kelder rijk
èn in die grote kelder
daar schuimt het toch zo helder

Latere toevoegingen o.a. door dokter Albert Smulders, door de fraters van het groot seminarie van de paters Assumptionisten te Bergeijk en door dichtende feestvierders:

èn den bakker van Bergeijk
die wordt er toch nooit rijk
want als ie hi gebakken
dan gaat ie er eentje pakken

èn het örgel van Bergeijk
is tien registers rijk
èn zijn ze muug van ’t trappen
dan gaon ze deur mee tappen

èn de brandspuit van Bergeijk
die vond de put vol slijk
èn om ’t vuur te stuiten
zijn ze mèr gaan spuiten

èn ’t dörpke van Bergeijk
dè is zo kinderrijk
èn toch bij elk nieuw kindje
drinkt heel Bergeijk een pintje

èn de kapper van Bergeijk
die lust ‘m ook gelijk
al staat ie haar te knippen
dan lèkt ie steeds z’n lippen

èn de postbooi van Bergeijk
die vliegt door elke wijk
èn bij elke expresse
gaat hij zijn dorst weer lessen

èn in dè schon Bergeijk
laog’k in de wieg te prijk
èn ‘k was nog ginnen hèlle
of ‘k begon al te bestellen

In een studentenbundel uit Tilburg leest men nog:

èn de bumkes van Bergeijk
die bloeien toch zo rijk
dat komt van ’t staag begieten
der Mima Requisieten

In ‘Den Brembos’ van Harrrie Beex en Floris van der Putt vond ik nog:

èn de paters van Bergeijk
die lusten ‘m gelijk
èn bij de recreatie
drinken ze saam een glaasje

Op de Weebosch zingen ze:

èn de mister van Bergeijk
die hi altijd gelijk
hij leert de kiendjes zingen
èn laot ze pintjes drinken

Bron:Liedarchief Weebosch-Bergeijk

 

Gerard van de Schootbrugge, 26 maart 2019, gebaseerd op het boek Ridder Albert van Hans Smulders