MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0127

Praatje, 24 juni 2019


Studentenjaren gaan voorbij


De aanleiding voor dit verhaal is tweeledig. Een bezoek aan de oude studentenstad Heidelberg en een bezoek aan mijn oude studentenvereniging Veritas in Utrecht. Verbindend element de Bussumse historicus Adrianus Clemens Johannes de Vrankrijker. En dat alles onder het wat weemoedige motto: Studentenjaren gaan voorbij, voorbij studentenweelde. Weelde? Ja, maar wel achteraf.

 

1.    Der Heidelberger Studentenkarzer

 2 april 2019, Heidelberg. De auteur bij de nogal bescheiden toegang tot de Heidelbergse studentengevangenis, de Karzer, tegenwoordig een museum. Het is haast alsof de universiteit zich nog steeds een beetje schaamt voor dit aspect van haar verleden. Maar 40.000 bezoekers per jaar dat levert ook een leuk zakcentje op.



Terugkerend uit Oostenrijk maakten wij begin april 2019 een korte tussenstop in Heidelberg. Een mooi stadje aan de Neckar met een oude en vermaarde universiteit. Wat ik niet wist was dat in Heidelberg eeuwenlang studenten zijn opgepakt en vastgezet in de universiteitsgevangenis. In der Studentenkarzer. Dat gekke woord Karzer stamt af van het latijnse carcer, gevangenis. Wij hebben er kerker van gemaakt. Volgens de kenners spreek je de – c –  uit als een – k – . Kerker is dus zo gek nog niet. Zo werd Caesar bij ons keizer, maar elders tsaar. Die – ts – is typisch voor het kerklatijn. En langs die route kun je dus ook eindigen bij karzer. Als ik nu vertel dat die Heidelbergse studentennor weliswaar niet meer wordt gebruikt, soms is er een sprankje vooruitgang, maar wel zeer natuurgetrouw is geconserveerd, en dat er jaarlijks circa (denk aan de uitspraak) 40.000 mensen van over de hele wereld komen kijken, dan mag de lezer van mij aannemen dat Heidelberg met zijn karzer iets bijzonders in huis heeft. Je weet inderdaad niet wat je ziet. Waar ooit voor raddraaiers de deur naar de wereld op slot ging, ging er voor mij in ieder geval een wereld open. Maar laat ik niet op de zaken vooruit lopen. 


Oud en vermaard

Boven de Altstad van Heidelberg torent  het machtige slot van de keurvorst uit. Ruprecht I kreeg van paus Urbanus VI het recht om in 1386 een universiteit te stichten.


Heidelberg heeft circa 150.000 inwoners waarvan circa 30.000 student. Vanaf de middeleeuwen tot 1720 was het de residentie van de paltsgraaf aan de Rijn, een van de keurvorsten van het Heilige Roomse Rijk. De Ruprecht-Karls-Universiteit, zoals de universiteit officieel heet, is de oudste universiteit op het grondgebied van het tegenwoordige Duitsland en een van de oudste nog actieve universiteiten ter wereld. Ten tijde van het Grote Schisma (1378 – 1417), met een Paus in Rome en een tegen-Paus in Avignon, koos Duitsland de kant van het Rome van paus Urbanus VI. Als blijk van erkentelijkheid verleende hij keurvorst Ruprecht I in 1386 het recht een universiteit te stichten. Zo’n twee eeuwen ouder dus dan onze oudste vaderlandse universiteit in Leiden.

De universiteit beleefde in de eeuwen daarna hoogte- en dieptepunten maar behoort nog altijd tot de wereldtop, met name op het gebied van de geneeskunde. Recente hoogtepunten zijn uiteraard de Nobelprijzen waar een universiteit zich op een of andere wijze aan kan verbinden. Als je ruim telt, zoals iedere universiteit tegenwoordig doet, kom je voor Heidelberg op 52 en dat is niet gering. Daaronder 11 ‘echte’ Nobelprijzen voor echte Heidelberghoogleraren. Maar al lang voor het mooie gebaar van Alfred Nobel, liepen er in Heidelberg toppers rond, zoals de chemicus Bunsen en de fysicus Kirchhoff, terwijl ook in de niet-Nobeldisciplines grote namen voorkwamen, zoals de filosofen Jaspers en Hegel en de socioloog Max Weber. Van een andere orde maar wel op het erelijstje staat ook Maarten Luther die op 25 april 1518 in het Schola Artistarum te Heidelberg zijn bezwaren tegen de handel in aflaten en de onfeilbaarheid van het kerkelijk gezag verdedigde.


Een gevangenis voor studenten

De universiteit heeft een mooi museum waarin de historie helder wordt gepresenteerd. Een woelige historie waarin schisma’s en godsdienstoorlogen en uiteindelijk ook de Nazi-periode voor groot onheil zorgden. En daarnaast had de universiteit ook nog te maken met klein onheil: zich misdragende studenten. Een thema dat nog altijd, of moet ik zeggen opnieuw, actueel is. Vandaar dat we ons daar nu op concentreren.


































Zo lieten de studenten de kleinste cel Solitude achter voor het nageslacht. Hier kwamen de opgepakte leden van Zaringia, Cheruskia en Teutonia, drie zogenoemde Heidelberger Landsmanschaften terecht.

Op de grens van de Altstadt ligt het universiteitscomplex met de beroemde oude Aula. Aan de achterzijde van de oude universiteit bevindt zich een curieus gebouw. Der Heidelberger Studentenkarzer, de studentengevangenis, in het huis van de pedel. Tussen 1712 en 1914 werden studenten hier opgesloten als zij wegens ordeverstoring, dronkenschap of diefstal waren veroordeeld door de universiteit. De kerkers kregen namen als "Grand Hotel', "Sans Souci', "Palais Royal', "Solitude', "Villa Trall', en de wc stond bekend als "Thronsaal'. Als overblijfselen van de Burschenherrlichkeit zijn de namen, data, portretten, tekeningen en sombere, dan wel vrolijke spreuken van de gevangenen op wanden, plafonds en meubilair achtergebleven: "Die damen geliebt, manch' liedlein gesungen, polepen gefoppt, den Bäbel geschwungen, ins Karzer geflogen, ehe ich's gedacht, da hab ich die lustigsten tage verbracht.” Op de wanden is geen plekje ongebruikt gelaten. Het hele gebouw is een daverende graffiti-expositie. Het was de heren er veel aan gelegen om hen die na hen kwamen te laten weten dat ook zij opgenomen waren in dit groezelige studentenwalhalla.


Ook in die tijd hadden studenten soms wat ontspanning nodig. Een tafreel uit een Heidelbergse herberg waar de dynamiek vanaf spat.


Complexe Verbindungen

Zoals elders waren ook in het leven van de Heidelbergse student studentenverenigingen van grote betekenis. Er waren verschillende typen zogenoemde “Verbindungen”. De Corpora waren uitgesproken traditioneel, zagen zichzelf als de elite en selecteerden streng op maatschappelijke status. Veel adel. De Burschenschaften waren meer politiek gekleurd. Aanvankelijk sterk liberaal geörienteerd, later veel meer nationalistisch met sympathie voor het Pruisische militarisme. Dan waren er verder nog Landmannschaften die bepaalde conservatieve ideeën aanhingen, en Akademische Turnvereinen, voortgekomen uit bewegingen die Napoleon bestreden. Al deze organisaties droegen wapens (veelal degens maar ook wel vuurwapens) en hadden hun eigen verenigingskleuren. Daarnaast had je dan nog de Schwarze Verbindungen, zonder eigen kleuren en in principe ongewapend. Al deze herkenningstekens kom je op de karzerwanden tegen. Elke kleurdragende vereniging had (en heeft) een eigen uniform met een eigen driekleurig lint en een onderscheidend hoofddeksel: Mütze zijn een soort zeilpetten, Stürmer zijn helmvormig en dan zijn er nog de Cerevis, kleine, kleploze, ronde hoofddeksels. De karzer staat vol met portretten waarbij deze herkenningsmiddelen voorkomen. De ingerekende boeven waren pas tevreden als hun gelaat in silhouet op de wand was vereeuwigd. Waarschijnlijk projecteerden ze hun hoofd met een kaars op de wand en vulden het plaatje dan verder in met kleurkrijt en zwartsel van kaarsen e.d.


Polypen


Zo ziet de Karzer er vanbinnen uit. Een soort graffiti-museum. Helemaal gevuld met boodschappen. Generaties ingesloten studenten wilden de wereld graag laten weten dat ze naam en plaat hadden gemaak in de Karzer. De verschillende studentenverenigingen hadden hun eigen ruimtes. Op dit deel van het erfgoed de cel met de fraaie naam Villa Trall waar vooral de Burschenschaften hun zonden konden overdenken. Zoals het vijftal dat met de beste bedoelingen stenen naar binnen had gegooid bij een wachtpost van de politie, in studentejargon de Polypen.


Het huidige karzermuseum stamt uit 1784. Een eerdere gevangenis zat op een andere locatie. Tot het midden van de 19 de eeuw was het allesbehalve een leuk onderkomen. Straffen konden oplopen tot een jaar. Pas in 1879 werd de maximale hechtenistijd op 14 dagen gezet. Van lieverlee werd het regime wel wat milder. Men zat dan drie dagen in afzondering (met een of meer andere boosdoeners) op water en brood maar daarna kon men vrij bezoek ontvangen. Bezoek dat voor eten, maar vooral ook voor drinken zorgde. De belangrijkste wandaden waren het in het openbaar baden, de slecht afgerichte honden van de studenten en het vernielen van lantaarnpalen. Maar ook het jennen en hinderen van en bakkeleien met de Polypen (smerissen) eindigde vaak in de Karzer. Zelf verwoordde men zo’n overtreding op de karzerwand dan wat eufemistischer: “Wij, vijf deugdzame knapen, zitten hier als martelaren van de eerlijkheid omdat we de vijf stenen die we onderweg hadden gevonden bij de ‘Polypen’ afleverden door ze bij het wachtlokaal naar binnen te gooien.” (zie de prent hierboven) Ernstige overtredingen hadden te maken met duels op de degen om de eer of gevechten (mensuren) die een jaap over het gelaat moesten opleveren met een eervol en levenslang litteken als resultaat. Het was verboden maar een arts die tussen 1821 en 1843 aanwezig was bij dergelijke mensuren meldde dat hij in die periode zeker 20.000 verwondingen had behandeld.


De mensuur heeft zijn zegenrijke werk gedaan: een mooie jaap over de wang die door een arts wordt verzorgd zodat zich een toonbaar litteken kan vormen. Als je goed kijkt zie je bij de omstanders dat zij al onder het mes zijn geweest. Een inwijdingsritueel dat in essentie niet veel verschilt van wat bij natuurvolken gebruikelijk was (en soms nog is).


In 1914 werd het academisch fossiel definitief gesloten onder achterlating van een aanzienlijke zij het naïeve kunstschat. Maar al veel eerder was de Studentenkarzer een toeristische trekpleister. Een van die toeristen / bezoekers was in 1878 Mark Twain die ook getuige was van een mensuur en daar toch redelijk van onder de indruk was.



Het bestuur van een Heidelbers Corps, herkenbaar aan de Mütze (zeilpet) en driekleurige sjerp. Het spookachtige licht is de reflectie van een lamp in de vermaarde studentenkroeg Zum Roten Ochsen die de auteur niet wist te omzeilen. Jaartal onbekend maar als je de zeilpet even wegdenkt moet het redelijk recent zijn.



2.    Vier eeuwen vaderlands studentenleven

Mijn middelbareschoolloopbaan begon in september 1957. Het RK Lyceum voor ’t Gooi aan de  Emmastraat in Hilversum. We waren met zijn drieën. Drie van de aanzienlijke groep jochies die dat jaar afscheid namen van de katholieke Willibrordusschool aan het Pieter (Pierre) Cuypersplein in Hilversum-Noord. Het overgrote deel ging naar de VGLO (Voortgezet Lager Onderwijs), de Ambachtschool of de MULO. Drie mochten er toelatingsexamen doen voor het Lyceum en werden toegelaten op de school van rector Stoelinga, de vader van onder meer Tom Stoelinga, die ik heel veel later in Utrecht leerde kennen toen wij beiden al lange tijd reünist waren van de Utrechtse studentenvereniging Veritas. Maar laat ik niet te veel op de zaken vooruit lopen.


Cuypers en Thijm

In Memoriam bij het overlijden van Josephus Albertus Alberdingk Thijm in 1889. Hij was een grote ijveraard voor de vrijheid van de katholieken in Nederland. Mijn oude middelbare school is naar hem vernoemd.



Het RK Lyceum voor ’t Gooi was op 3 oktober 1921 gestart in een villa op het adres Emmastraat 56. Toen nog de R.K. HBS van Hilversum, met 36 leerlingen en 10 leraren (kom daar nog eens om). Vanaf 1924 waren ook meisjes welkom. Het onderwijsaanbod breidde gestaag uit. In 1946 kwam er een Gymnasium bij en werd de school een Lyceum. Nog weer later (en breder) dekte ook Lyceum de lading niet meer. Een examenstunt van de HBS-A in 1966 leverde de nieuwe naam op: Alberdingk Thijm College, naar Josephus Albertus Alberdingk Thijm, de grote ijveraar voor de katholieke zaak in de 19 de eeuw. Thijm was de vader van Lodewijk van Dijssel, maar voor dit verhaal interessanter is het feit dat hij een zwager was van de grote kerkenbouwer P.J.H. (Pierre) Cuypers, naar wie het plein was vernoemd waaraan mijn lagere school en onze parochiekerk was gelegen. En zo plaatste het Lot, of De Voorzienigheid, mijn schoolcarrière toch maar mooi tussen twee namen die, geholpen door Napoleon en Thorbecke, het katholieke volksdeel, na eeuwen van achterstelling, minachting en wantrouwen, weer wat zelfvertrouwen en vitaliteit gaven. De lagere school met Cuypers, de middelbare met Thijm. En ook Veritas kan als een product van deze culturele restauratie worden beschouwd. Maar laat ik niet op de zaken vooruit lopen.

In 1963 breek ik los uit de Hilversumse neogothiek van Cuypers en Thijm en ga naar Utrecht om aan een studie wis- en natuurkunde te beginnen. Je stapt dan een wereld binnen waarin het erg makkelijk is om je van alle geloof en bijgeloof af te helpen. De wereld van de harde feiten. Ik word lid van de RK Studentenvereniging Collegium Studiosorum Veritas. Totaal onvoorbereid, groen tot op het bot en tot op het bord. Geen idee wat me te wachten staat, noch in de wereld van de wiskunde, noch in die van Veritas. Ik ben van de geboortegolf en van de openstelling van de universiteit voor het plebs. Ik moet het nu helemaal zelf doen. Al mijn talenten aanboren, al mijn zelfvertrouwen tot het uiterste oprekken. Leren te lijden, te genieten, te haten en lief te hebben, te zwelgen en te hongeren. Als gymnasiast ken ik gelukkig mijn klassieken en een logopedist heeft de ergste uitwassen van mijn plat-Hilversumse tongval weggepolijst.

Adrianus de Vrankrijker

Het is achteraf maar goed dat ik er zo maagdelijk instapte. Dat ik het omvangrijke boek “Vier Eeuwen Nederlandsch Studentenleven” van dr. A.C.J. de Vrankrijker pas decennia later in handen kreeg. Dan had ik waarschijnlijk ook wat anders tegen het Heidelbergse avontuur aangekeken. Maar laat ik niet op de zaken vooruit lopen.

Adrianus Clemens Johannes de Vrankrijker (Bussum, 26 november 1907 – 25 oktober 1995) was een Nederlandse leraar, publicist en historicus uit Bussum. En laat nu juist deze De Vrankrijker een van de eerste leerlingen zijn geweest van de R.K. HBS van Hilversum. Hij deed HBS-B en daarna nog staatsexamen Gymnasium, omdat hij anders geen geschiedenis kon studeren. In 1933 promoveerde hij, werd leraar en zeer productief schrijver van allerlei historische werken, veelal over Gooische onderwerpen maar ook over de natuur, meer in het bijzonder over de natuur van het student. In 1936 verscheen zijn “Vier Eeuwen Nederlandsch Studentenleven”. Het is integraal op internet terug te vinden. Het kloeke boekwerk schetst een boeiend beeld van de student en het studentenleven. En dat beeld is bepaald niet positief. De Vrankrijker verbloemt niet, maar hij toont wel een vorm van begrip en soms hoor je hem bijna grinniken bij het uitspitten van de archieven. Feit is wel dat het langzaam maar zeker minder rauw en wat meer beschaafd is geworden. Maar de studententijd blijft tot op de dag van vandaag voor veel jonge mensen een bewogen episode op de weg naar volwassenheid en verantwoordelijkheid. De meesten overleven deze periode van emotionele en intellectuele extremen en houden er, naast wat littekens en krassen op de ziel, mooie herinneringen en vrienden voor het leven aan over. Maar als ze, soms na lange tijd weer samen zijn, zingen ook zij steeds weer, met gemeende ontroering:















Die studentejare gaan verby

 

Die studentejare gaan verby,

Verby studentenweelde;

Nooit keer hul ooit terug vir my

Die tyd, die lieflingsbeelde.

Die koringmeul wil nie meer maal,

My skulde moet ik zelf betaal

O, treurigheid op note, ik staan op eie pote.

O, treurigheid op note, ik staan op eie pote.

 

Soos miliepitte spat uiteen 1)

Die ouwe trouwe vriende;

Ik staan nou moedersiel alleen,

En is maar net bediende.

Ik is nie meer mye eie baas,

Ik werk met Paul en Piet en Klaas,

O, treurigheid op note, ik staan op eie pote.

O, treurigheid op note, ik staan op eie pote.

 

Maar moe nie gelô al word ons oud,

Ons hart kan nooit verander;

Ons liefde is nog lang nie koud,

Ons staan nog by mekander.

Dus vriende, reik mekaar die hand,

Hernuw die heil’ge vriendskapsband,

Gaat dit met stamp en stote, nog bly ons op ons pote.

Gaat dit met stamp en stote, nog bly ons op ons pote.

1)     Soos miliepitte: zoals maispitten

De tekst van dit mooie, Zuid-Afrikaanse lied is van dr. C.F. Visser, de melodie van Emiel Hullebroeck, een bekende naam in de wereld van het Vlaamse gezelschapslied. Wie wil weten hoe het klinkt moet hier klikken. https://www.youtube.com/watch?v=atCVxhm3Q9k

We duiken nu wat dieper in de historie die De Vrankrijker ons heeft geschetst. Het zijn delen uit zijn boek die direct of indirect te maken hebben met de worsteling van de burgerij van een studentenstad en van het bestuur van de universiteit met de uit de bocht vliegende student. Jongens waren het, jongens die zich op een jongensmanier probeerden te vermaken. Naast hun studie.    


Academische rechtbanken en ander ongerief

Het zal de lezer misschien verbazen maar universiteiten bezaten lange tijd het zogenaamde privilegium fori. Ze hadden het privilege om studenten voor een eigen rechtbank te mogen dagen en zo nodig ook te veroordelen. Direct na de oprichting van de Leidse universiteit in 1575 begon het gedonder. Zo’n juridische uitzonderingspositie voor de academie was men in deze streken niet gewend. Elders in Europa was het gebruikelijk, zoals in Heidelberg. Maar het Leidse stadsbestuur protesteerde. Men was bang dat de universitaire gezagsdragers hun studenten te zachtaardig zouden behandelen en daar kon alleen maar meer ellende van komen. Zachte heelmeesters…. Willem van Oranje moest er aan te pas komen. Hij liet de Rector Magnificus en zijn vier assessoren zitting nemen in een onafhankelijke rechtbank met de vier burgemeesters en twee schepenen om in civiele zowel als in criminele zaken vonnis te wijzen over studenten, pedellen enz., zonder appèl.. 

In Utrecht (universiteit opgericht in 1636) liep het anders. Daar werden de proffen niet capabel geacht om over de baldadigheid en uitspattingen der jeugd te oordelen. Wel vroegen in 1642 de hoogleraren om een forum academicum dat ten minste kon oordelen over ‘saecken van cleijne importantie alsse van schulden van boecken, camerhuyr ende diergelijcke’, maar de Vroedschap voelde daar heel weinig voor. Om de relatie met de universiteit niet al te zeer te vertroebelen werden in 1643 alsnog de Leges et Statuta academiae Ultraiectinae goedgekeurd. Volgens deze wetten zou er een forum academicum zijn, bestaande uit de burgemeesters met de Rector en drie assessoren. Die zou om de acht dagen zitting houden en kennis nemen van schulden wegens huis- of kamerhuur, kleding, eten, drinkwaren, boeken, instrumenten, enz.; voorts over belediging in woord en daad tussen studenten onderling en uitdaging tot tweegevecht, in één woord, van alle misdrijven, op welke geen hogere straf stond dan een boete van honderd Carolusgulden; ernstiger verwondingen en werkelijke misdaden zou de Senaat naar den gewone rechter verwijzen. Terstond protesteerden de beide andere Statenleden tegen deze wetten, waarmee de stad haar bevoegdheid te buiten ging. Het slot was dat er geen forum kwam, dat sindsdien de Vroedschap zich gemengd zag in allerlei strubbelingen en bij tijd en wijle de zedenmeester moest spelen. De Utrechtse Senaat kon alleen na herhaalde aanmaning de namen der grootste lastposten uit het Album academicum schrappen, een bevoegdheid, gelijk aan die, welke het K.B. van 1815 en de H.O.-wet van 1876 de Senaat toekenden. 

Voor zover de universiteiten een eigen rechtbank bezaten, behandelde deze - meestal zonder hoger beroep - alle criminele en civiele zaken van studenten en beambten aan de Universiteit, de professoren evenwel uitgezonderd, die anders over de handelingen van collega's moesten oordelen. In Leiden waren overigens ook alle inwoners die een doctoralen graad bezaten, aan het forum academicum onderworpen (inclusief predikanten). 


Zachte heelmeesters 

In de praktijk betekende deze vorm van rechtspraak dat studenten de hand boven het hoofd werd gehouden. De stedelijke overheid zou te weinig begrijpen van de studentenmentaliteit en te weinig gevoel voor humor hebben als er sprake was van een studentengrap. Anderzijds was het ook wel lastig begrip op te brengen voor ‘studentengrappen’. Ze waren in die vroege jaren nogal ruw en nauwelijks geestig. Een der grote vondsten, uit den treure herhaald, was het vol-teren van een voorgevel en speciaal de woningen van magistraten, die hun dochters tegen studentenliefde wensten te beschermen. De elite bewoonde huizen met glazen vensters. Het ingooien daarvan was ook een geliefde sport. Maar ja, je kon toch moeilijk van een student eisen dat hij dag in dag uit op zijn kamer voor de boekenkast zat en het was dan ook niet te voorkomen dat hij ooit eens uit den band sprong. Wat op de achtergrond ook meespeelde was dat te zware straffen de studenten wegjoegen (naar andere studentensteden, kassa) en ze voor het leven tekenden. 

De academische rechtbank had dan ook gevoel voor de omstandigheden, waaronder jeugdige overmoed tot een wanbedrijf was gekomen en behandelde den beschuldigde vaderlijk en gemoedelijk, zoo vaderlijk zelfs, dat er dikwijls niet de minste kracht van de vermaningen der hoogleraren uitging. Er werd in het algemeen te licht gevonnist. Vaak bleef het bij een reprimande. Zware straffen zoals kamerarrest,  kerkerstraf, schrapping van den naam uit het Album of tijdelijke of eeuwige verbanning, waren zeldzaam. De kerkerstraf was ongetwijfeld een van de meest afdoende straffen. De gewone misdrijven waren overal inslaan van ruiten, beschadiging van stoepen, hekken, bomen, later ook van lantaarnpalen; andere veel voorkomende buitensporigheden waren het vernielen van deuren, het teren en bekladden van muren, verwekken van opstootjes, kortom alles wat onbezonnen jeugd in een baldadige bui zoal kon bedrijven. Ernstiger delicten betroffen ergerlijke straatschenderij, dronkenschap, vechtpartijen, duel en dodelijke verwonding. 

De academische kerker, die zovelen tot tijdelijk verblijf heeft gediend, was overigens een plaats, waar men niet al te ongaarne vertoefde, integendeel, het ging er dikwijls vrolijk aan toe! Gewoonlijk was het een vertrek boven de woning van den pedel. Te Groningen moest de Senaat de pedel in 1657 verbieden iemand tot de gekerkerden toe te laten en beval hem vooral op te letten, dat geen tabak, wijn of sterke drank binnengesmokkeld werd. Misschien is het toen een paar jaar goed gegaan, het duurde echter niet lang, of het spelletje begon opnieuw. Vandaar het besluit van 1689: ‘Vermits door de studenten, bij de incarceratos (opgeslotenen) gelaten wordende groote insolentien en ongeregeldheden werden gepleecht, soo voor het carcer (kerker, aanvankelijk een latijns woord) als inzonderheydt in Curia academica, is verstaen ende de Pedelsche belast niemandt bij de incarceratos oyt meer te laten, ende tot dien eynde de deuren overalle sullen moeten toegehouden worden’! 

Gemoedelijkheid vierde hoogtij, zó zelfs dat een behoorlijke sluiting aan deuren te Groningen geen bezwaar was voor de bezoekers. In 1701 had de kerkerdeur een groot gat, in den loop der tijden door de delinquenten uitgebijteld, zodat het gemakkelijk was de conversatie met ‘buitenstaanders’ gaande te houden en door hen meegebrachte delicatessen te aanvaarden. Voorbeelden van ontsnapping zijn er dan ook verschillende!


Vergeleken met Duitsland viel het hier nog mee 

In de 16e en in de eerste helft der 17e eeuw ging het overal ruw toe. Maar de vaderlandse studenten waren relatief braaf. Een Duitser, die weinig bewondering had voor het slecht ontwikkelde eergevoel van de Hollandse student, schreef op het einde der 17e eeuw over Leiden: ‘Unterdessen gehen allhier nicht so viel Duell und Tödtschläge vor, als auff der teutschen Academien, weil die Holländer kein gross wesen von der Ehrenzeichen machen, und nicht sonderlich empfindlich sich... Denn auch das die studiosi die Zeit wohl in acht nehmen, nicht sauffen, oder sich balgen...’ 

’s Nachts had de student standaard aanvaringen met het wettig gezag. Vaak liep het uit op een knokpartij met de politie als die burgers of hun goederen wilde beveiligen of op wacht stond voor de woning van de Rector. De ‘philistijnen’ of nachtwakers werden uitgedaagd  door met de degen op de stenen te ‘Kratsen’ of te ‘scrappen’. De klepperman was vaak het slachtoffer van studentenagressie. Het was een van de weinigen die zich, beroepshalve, 's nachts op straat begaf waar hij vooral bezopen studenten tegenkwam die in hem een dankbaar slachtoffer zagen voor hun primitieve neigingen.

Verbanning (relegatie) was de straf voor het studentetype, dat in de Spectator het volgende schreef: ‘Het koffyhuis was des morgens, de kolfbaan na den middag, of de kamer van een nyver vriend des avonds, en het thuis van het een of ander aartig en inschikkelyk meisje des nagts mijn gewoon verblijf. Het spel, de flesch, de paerden en de vrouwen waren de voornaamste onderwerpen van myne bezigheden. Glazen in te slaan, banken en luiffels af te breken, schellen van de deuren te draijen, en met de wachts te schermutselen was myn grootste vermaak. Veelmalen wederom heb ik my genoodzaakt gezien, myn heil in de vlucht te zoeken, en driemaal ben ik als prisonnier de guerre naar het cachot gebragt. Zulk een doorluchtige studietyd is door eene relegatie besloten; en ter naauwernood heb ik op eene kleene Hoogeschool, door middel van myn geld, en de hulp van anderen, den naam van Meester gekregen’.

 

Sport, vermaak en feest. De Maliebaan.

...

....

De Utrechtse Vroedschap liet in 1637 een zogenoemde maliebaan aanleggen, waar verschillende spelen beoefend konden worden, speciaal het maliënspel of paille-maille. Op deze wijze hoopte men extra studenten te trekken. De bovenste prent is in 1637 in opdracht van de Vroedschap gemaakt. Een reclameplaatje. De maliebaan liep van het Lepelenburg tot aan de Biltstraat. Met de ontwikkeling en groei van Utrecht zijn telkens weer nieuwe plannen gemaakt om de Maliebaan in te passen in de veranderende stadsstructuur. Ook op dit moment speelt dit weer. 


De belangrijkste oorzaken van het wangedrag waren jeugdige overmoed, drank en verveling. Herbergen en bierhuizen niet meegerekend was er aanvankelijk in de studentensteden bar weinig vermaak. Om welgestelde studenten te lokken liet de Utrechtse Vroedschap in 1637 een zogenoemde maliebaan aanleggen, waar verschillende spelen beoefend konden worden, speciaal het maliënspel of paille-maille (pall-mall). Dit werd gespeeld met een lange, taaie stok met fluwelen handvat en onderaan een gebogen verbreding met ijzer beslagen. Met deze malie moest de speler proberen de bal met zo min mogelijk slagen de maliebaan te laten afleggen. Een eenvoudig concept dat het niettemin heeft gebracht tot ons zeer gerespecteerde golfspel (en ook crocket). Reeds in de Gouden Eeuw deed men aan het verwante ‘kolven’. De malies werden in het maliehuis bewaard en de bewaarder wist zich langzamerhand tot kastelein van een wijnhuis op te werken, waardoor het ‘Maliehuis’ na verloop van tijd tot een studentensociëteit werd. In 1811 werden de schuttingen weggehaald en is de Maliebaan tot een publieke wandelplaats ingericht.

Zo werd om dezelfde reden (beschaafde ontspanning) het schermen gecultiveerd, kwamen tennis en later voetbal en rugby op en werd ook de paardensport een geliefde bron van afleiding. Zo werd in Utrecht in 1641 een vaste piqueur aangesteld, Christoffel Candelaer, die van de stad een beetje subsidie ontving met vrij gebruik van het Magdalena-klooster. De stad kreeg in 1705 in de Achterklarenbrug een academische rijschool. Aanvankelijk viel de belangstelling tegen. Dit werd geweten aan het ontbreken van rechtenstudenten, die overal de meest fervente ruiters leverden, omdat er in Utrecht geen hoogleraar was om rechten te doceren. In 1708 was de vacature ingevuld en begonnen de zaken te floreren. De paardenrijschoolhouder moest met zijn studenten ook schermen, dansen en exerceren. Ook militaire oefeningen werden allengs een manier om de studenten bezig te houden.

De Vrankrijker vat zijn studie als volgt samen:

“Zóó was de student van een eeuw geleden, een branie, die klepper-lieden op de vlucht joeg, belknoppen stal om ze op zijn kast als tropheeën te bewaren, thuis verhalen over piertogten vertelde, waar zijn broer op kantoor van rilde, ploerten vervloekte, maar gebruikte waar hij ze noodig had, de hospita schold over te laat gebracht theewater, doch het goede mensch uit den slaap hield met zijn lawaaierige vrienden, zonder interesse voor wat er in de wereld gebeurde, alleen even geïnteresseerd, wanneer er een geliefd professor in betrokken was, vol critiek op het onderwijs, dat hij genoot, één vlammend protest tegen de maatschappij, hoog heffend de kreet om vrijheid .... maar omgeven met schijn, zwierend tusschen twee uitersten in en in de meeste gevallen op weg om een normaal burger te worden, die later met eenige zorg zijn kinderen zelf naar de academie zou zenden.” 

Als je maar bereid bent de wijde blik over eeuwen uit te strekken, kan er toch wel gesproken worden van een zekere ontwikkeling richting beheersing en beschaving. De grote emancipatiegolf van de jaren zestig in combinatie met de heftige ideeën over gezag en hiërarchie en samen met de nieuwe maatschappelijke positie van meisjes en vrouwen, legden de bijl aan de wortels van het klassieke studentenbestaan. Zo werd ook Veritas in de jaren zeventig door de tijdgeest omver geblazen. Het student verdween van het toneel, zijn toneel, zoveel was wel duidelijk. Deste groter was in ieder geval mijn verbazing toen in de jaren tachtig een krachtige revival optrad. Je zou kunnen zeggen dat het spel nu weer op de wagen is. Niet voor alle studenten, maar de klassieke studentenvereniging heeft, in navolging van de samenleving in het algemeen, weer een positie en een aanzienlijke aantrekkingskracht.

















Ook in Heidelberg veranderde er het nodige. Maar de studenten hielden problemen met het gezag, de universiteit en de politie.


3. Mee naar de Brasserie


De vergadering was niet erg opwindend geweest. Drie oude mannen met tien jonge studentes (waaronder een paar studenten) bijeen om na te denken over de invulling van het onlangs geformuleerde reünistenbeleid. De drie oude mannen, waaronder de auteur, waren zoals steeds (een keer per jaar) vervuld van grootse vergezichten, de anderen, slim genoeg om te beseffen dat de uitvoering daarvan op hun al zo zwaar belaste schouders terecht zou komen, probeerden op een quasi-doortastende manier de vergadering zo snel mogelijk naar een zalig uiteinde te geleiden. De wereld had nog zo veel meer te bieden dan al die oudemannenverhalen uit de prehistorie van de vereniging die zij overigens, zonder dat wij daar enige zeggenschap in hadden gehad, steevast aanduidden met “Der Verein” wat natuurlijk moet kunnen nu wij van onze oosterburen ook weer twee tanks mogen lenen om onze cavalerie scherp te houden, terwijl ze er zelf nog maar één over hebben om het gevaar uit hun oosten op afstand te houden. Het getuigt in ieder geval van een hoopgevend, zij het latent historisch besef bij de huidige leden van Veritas, hoewel ze wel weer verrast opkijken als wij tijdens de vergadering spontaan en met uitgekiende tongval het Alte Burschenherrlichkeit aanheffen. Ja, zo kan het ook. Toch net even wat anders dan “Der Verein” en twee tanks.


Der Verein

1928 - 1929. Veritasbestuur bij het achtste lustrum. V.l.n.r. R. Smit (vicarius), Th. Verhoeven (fiscus), R. Merx (praeses) P. Weterings (abactis) en mej. Sluyter (abactis II). Het plaatje ziet er toch net iets anders uit dan van het Heidelbergse bestuur dat we hiervoor toonden.


Het was overigens, Zeus leve, ook niet toevallig dat de stuwende kracht achter het ontstaan van “Der Verein” de erudiete priester dr. Andreas Jansen (hoogleraar aan Rijsenburg en pastoor te Jutphaas) was die zelf, vóór zijn priesterwijding, in Duitsland had gestudeerd en in Munster nog een jaar praeses was geweest van de Katholische Studentenverein aldaar. We mogen zelfs aannemen dat hij in Munster een leuke en leerzame tijd heeft gehad want eenmaal terug in het vaderland werd hij een van de aanjagers van een vereniging voor katholieke studenten in Utrecht.


In 1889 was het zo ver. De geboorte van Veritas. Andreas Jansen zorgde persoonlijk voor het vaandellied: Heft Broeders aan.

Leden en aankomende leden van de Meisjeskring van Veritas. Jaar onbekend. Hoewel meisjes al vanaf 1906 lid konden worden, duurde het nog geruime tijd voordat ze volledig konden profiteren van de stormachtige emancipatie van vrouwen in onze samenleving.


Jong en oud in “Der Verein”. Twee parallelle universa. We weten intussen dat er fundamentele wetten bestaan die de uitwisseling van informatie tussen parallelle universa verbieden. Maar in ons geval is er blijkbaar sprake van een zeldzame anomalie, een wormhole dat contact mogelijk maakt. Vanzelf gaat het niet.


Feest!

Dit alles klinkt misschien een beetje “grumpy” en zo is het ook bedoeld. Niet om te klagen maar om de tegenstelling met het vervolg van de avond eens lekker vet te kunnen aanzetten. ‘Vind je het leuk om mee te gaan naar de brasserie?’ De aanzoek van mijn vergadertafeldame deed me even de adem stokken en bokken tegelijk. Als 74-jarige met een jonge studente van, pak hem beet 22 lentes, naar een Brasserie? Het CBS heeft net de resultaten van nieuw onderzoek naar de stabiliteit van relaties bekend gemaakt: hoe groter het leeftijdsverschil des te groter de kans op een scheiding. Een leeftijdsverschil van vijftig jaar, twee parallelle universa met hooguit een wormhooltje ertussen! Nuchter blijven. Een ding is rustgevend: de kans op een scheiding is in dit geval nul.

Zij merkt aan mijn aarzeling dat ik in een dijk van een dubio verzeild ben geraakt. Dus zegt ze: ‘Beneden in de nieuwe feestzaal is vanavond Brasserie. Brassen. Deden jullie dat vroeger ook?’ Ik sta op het punt om te zeggen: ‘Nou, reken maar’, maar ik kan nog net op mijn tong bijten. ‘Wij waren goed in verbrassen, maar dat bedoel je vast niet,’ zeg ik. Ze hoort het niet, ze wil het niet horen of ze weet niet waar ik het over heb. Het is door het hele gebouw een teringherrie. Het Eigen Huis vibreert. Er hangt een ondefinieerbare energie in de brakke binnenlucht. Ik kijk haar vragend aan. Ze straalt en zegt: ‘Vanavond wordt de Braskoning gekroond.’ Ik ben verkocht. Kroning van de Braskoning! Misschien is dit voor mij wel de laatste kans om deze belangrijke gebeurtenis life mee te maken. Dus volg ik haar naar beneden waar het festijn zich zal afspelen. Onderweg legt ze me uit wat ons te wachten staat. Ik kan me langzaam maar zeker een beeld vormen bij de Brasserie. Brassen is een studentikoze variant van worstelen. Beide brassers dragen daarbij een blazer, mag afgedragen zijn, en pakken elkaar bij de revers, moeten stevig ingezet zijn. Vervolgens is het een kwestie van duwen, trekken en uit evenwicht brengen. Wie het eerst op zijn rug ligt, heeft verloren en valt af. Een afvalrace. De Braskoning blijft over(eind). Hij kan met rechte rug en opgeheven hoofd een jaar lang op zijn lauweren rusten.


Brassen

Iets vergelijkbaars, maar wel ongestructureerd eerder spontaan, deden wij in onze vormingsjaren ook wel, in de kleine uurtjes, op de sociëteit. Maar toen was het toch meer een kwestie van het beproeven van de aanhechting van het pochetzakje, het uitprepareren van een complete mouw of, hoogtepunt, het in twee gelijke helften te verdelen van het rugpand. Vooral de veterinairen waren geduchte brassers. Ik weet eerlijk gezegd niet meer of wij het ook zo noemden. Gelukkig begonnen de colleges diergeneeskunde op de Biltstraat ’s ochtends heel vroeg en moesten die ruwe bonken daarom op tijd naar bed. Dat wil zeggen, de verstandigen, die uiteindelijk dan ook veearts werden. Er waren er echter ook studenten diergeneeskunde die brassen leuker vonden, ook al omdat ze daar heel goed in waren. Potige knapen uit Brabant of Twente, die een rondje brassen benaderden als was het een moeilijke bevalling van een kalf dat dwars lag. Ze waren onverslaanbaar, dronken dan ook de hele nacht voor niks en werden allengs onverslaanbaarder. Belangrijkste tactiek: het colbertje van de tegenstander vanaf de rug zo snel mogelijk over zijn hoofd trekken en vervolgens even stevig vasthouden. Succes verzekerd. Dit alles uiteraard “Men Only”. Hoe anders gaat het een halve eeuw later toe. Overigens wil ik nog wel even kwijt dat de Brasserskade de belangrijkste fietsverbinding is tussen mijn huidige woonplaats en Delft. Het zijn van die kleine dingen die vroeg of laat hun ware aard en betekenis blootgeven.


In de ban van de ring

Beneden in de feestzaal is het feest. Een opgewonden menigte Veritijnen van beide geslachten verdringen zich rond een heuse boksring met dikke scheepskabels afgezet en met een rubberen inlegvloertje van de Gamma dat een ruglanding enigszins dragelijk moet maken. Midden boven de ring hangt aan een snoer een microfoon, die zo nu en dan gegrepen wordt door een vrolijke ophitser in een theatrale outfit. Zijn gedrag doet me sterk denken aan het optreden van “Johnny the Selfkicker” tijdens de Veritasdies van 1966. Hij warmt, volstrekt onnodig, met groot enthousiasme zijn publiek op en probeert de gereedstaande brassers uitspraken te ontlokken die hen later nog lelijk kunnen opbreken. Kortom, de sfeer is goed, de verwachtingen hoog en het kan niet meer stuk. Het laatste geldt niet voor de vele brassers die in hoog tempo worden gevloerd of door de touwen heen in het publiek belanden. Mijn metgezellin brult me toe dat de winnaar eigenlijk al jaren bekend is. Een knaap die hoog staat aangeschreven in de vaderlandse judowereld. Dat er nog altijd tegenstanders zijn heeft alles te maken met een door bier aanjaagde overmoed. Een stabiele factor in dit artikel. Geheel in lijn met de tijdgeest is het festijn genderneutraal opgezet. Er is ook plek in het programma voor een Braskoningin. Maar er hebben zich geen kandidaten gemeld. Wel genderneutraal is dat meisjes zowel als jongens blijkbaar meer interesse hebben voor mannelijke brassers. Zoals in mijn studententijd de verering van de Beatles alle denkbare grenzen overschreed. Of heb ik het nu weer even niet begrepen?

Wat is nu de moraal van dit verhaal, zal de moedige lezer zich misschien afvragen. Lastige vraag. Misschien moet ik me een beetje op de vlakte houden. Wat ik nog wel durf te verdedigen is dat er ook in de studentenwereld sprake is van een zekere beschavingsontwikkeling. Branie en bravoure zijn, gelukkig maar, nog steeds aanwezig, maar zelfs het brassen is, vergeleken met vijftig jaar terug, blijkbaar onderhevig aan een cultuuroffensief. Het rauwe brassen is veranderd in een sport met een begin van regels. Zoals ooit het duelleren op het scherpst van de snede uiteindelijk in het kalme vaarwater van de schermsport terecht kwam. En je wil niet weten welke weg ons brave VAR-voetbal heeft afgelegd. Omdat ik de laatste trein moest halen, heb ik de grote finale gemist. Mijn Brasseriedame troostte me. De winnaar was immers toch al bekend. Net zoals de vertrektijd van de laatste trein. Wat is het leven toch heerlijk overzichtelijk geworden.


Espunt, 24 juni 2019