MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0206

Kort verhaal, 14 september 2019


Loeres, 1 april 1968 


De reis die Jacob Roggeveen in opdracht van de West-Indische Compagnie ondernam op zoek naar het Zuidland. Tijdens deze reis ontdekte Jacob op 5 april 1722, op Paaszondag het Paaseiland.


Van het avontuur dat ik hieronder zal beschrijven, herinner ik me slechts flarden. Ik moest eerlijk gezegd een beetje smokkelen om er nog iets leesbaars van te maken, maar het is te mooi om het zomaar aan de vergetelheid prijs te geven. Dat was overigens al bijna gebeurd omdat het allemaal al zo lang geleden is. We gaan het hebben over het naspel in 1968. Het hoofdspel werd in 1967 gespeeld.

Twee recente gebeurtenissen hebben dit onheil nog net afgewend. De eerste was de kroonjaarreünie in mei 2017 van het Veritasjaar 1967, jaartje 67 zouden ze nu in Utrecht zeggen. De tweede vond twee uur geleden plaats, 13 september 2019, 16.00 uur. Deze laatste was zo’n verrassing dat ik tot de overtuiging kwam dat ik nu iets moest doen voor het te laat was. Doen betekende: opschrijven wat er op 1 april 1968 in Zandvoort gebeurde. En hoe het zover gekomen was. Ik vond namelijk de originele teksten terug van twee korte toespraakjes die ik die dag in Zandvoort heb gehouden. Vervuld van jeugdige overmoed. Ik wist van het bestaan van de tekstjes niets meer af en had ze in ieder geval al zo lang niet meer gezien dat ze voor mij net zo nieuw waren als voor mijn lezers. 

Groentijd 1967

In de nazomer van 1967 maakte ik deel uit van de Introductiecommissie van de Utrechtse studentenvereniging Veritas. De belangrijkste opdracht van deze commissie was om een nieuwe lichting studenten klaar te stomen voor hun lidmaatschap van de vereniging. Het was 1967, the summer of love,  en dat betekende dat wij duidelijk wat anders tegen de ontgroening aankeken dan we zelf als commissie eerder (ik in 1963) hadden ondervonden. Wat ons en de rest van de samenleving betrof, mocht het allemaal wat ontspannener, wat gemoedelijker, en onwijs veel lol. Het was bij tijd en wijlen nog wel even doorbijten voor de foeten, maar het was te doen. Een paar jaar later was het hele fenomeen groentijd, of hoe je het ook wilt noemen, min of meer afgeschreven en bijkans uitgestorven. Over en uit. Nooit meer. Dachten we met zijn allen. Maar dat liep toch wat anders. In de jaren tachtig vond een opmerkelijke reanimatie plaats en werd het afknijpen weer tot kunst verheven. 

Er gebeurde van alles tijdens de introductietijd in 1967. Het was een mooie tijd waar in 2017 met veel plezier en enige weemoed aan werd teruggedacht tijdens de reünie van ‘ons jaar 1967’ in het Utrechtse stadskasteel Oudaen. Een van de opmerkelijke zo niet glorieuze gebeurtenissen tijdens de groentijd was de actie in Brunssum bij het hoofdkwartier van de NATO. Daar werd in de vroege zondagochtend van 17 september 1967 de NATO-vlag verwisseld voor de Veritasvlag. Later op die dag werd de NATO-vlag aan mij als coördinator stunts en andere dwaasheden binnen de Introductiecommissie overhandigd. Ik had in de commissie een wat vrije functie die te boek werd gesteld als Querulant. Het voordeel van deze volstrekt nieuwe functie was dat ik geen speciale verantwoordelijkheden had maar me wel overal mee mocht bemoeien. Als het maar leuk bleef.

Ik heb jarenlang nachtmerries aan overgehouden aan de bliksemactie in Brunssum nadat ik wat later van de grote NATO-baas generaal Von Kielmansegg had gehoord hoeveel risico’s de vier groenen hadden gelopen. Volgens de generaal werd in geval van insluipers (intruders) direct geschoten. Hij vertelde er niet bij door wie. De vier actievoerders, die alle vier in dienst hadden gezeten, wisten het wel. Met behulp van overvloedig gratis bier hadden zij op de zaterdagavond voor hun actie enkele leden van het bewakingsdetachement aan het praten gekregen. Conclusie: in de vroege zondagochtend hoefden zij zich over enige vorm van adequate bewaking geen zorgen te maken. Voor meer details, klik hier.  Ik maak nu een sprong naar 1968. 

1968. Bericht uit Zandvoort

In het vroege voorjaar van 1968 werd mij een schrijven overhandigd afkomstig van het Nationaal 1 April Comité, gevestigd in Zandvoort. Er werd daar een belangrijke bijeenkomst belegd met als hoogtepunt de uitreiking van de Bronzen Loeres voor de beste practical joke van 1967. De actie in Brunssum had het Collegium Studiosorum Veritas een Bronzen Loeres opgeleverd. Niemand had ook maar enig idee wat men zich bij een bronzen loeres moest voorstellen. Wij tastten volledig in de mist. Niet dat we daar nerveus van werden. In het toenmalige studentenleven was mist onze natuurlijke habitat.

Ons werd dringend verzocht de boodschap strikt geheim te houden. Wij werden uitgenodigd om op 1 april in het Strandhotel te Zandvoort de prijs in ontvangst te nemen uit handen van de toentertijd zeer populaire, zo niet geliefde tv-persoonlijheid Willem Duis. De Bronzen Loeres bleek een verkleinde kopie te zijn van een enorm Paaseilandbeeld dat op 1 april 1962 werd aangetroffen op het strand van Zandvoort. Een practical joke die aanvankelijk in de wereld van de archeologie toch voor de nodige hoofdbrekens zorgde. De geleerden waren het namelijk niet eens over de aard van de natuurwetten die de wereldreis van een dergelijk object mogelijk hadden gemaakt. Leiden en Groningen stonden lijnrecht tegenover elkaar. Nadat de aap uit de mouw was gekomen werd het Nationaal 1 April Comité opgericht en kreeg het beeld op het eind van de boulevard een ereplaats. Mij werd verzocht zowel tijdens het feestdiner als later op de avond, bij de grote Loeres aan de boulevard, een korte toespraak te houden. En laat ik de tekst van die toespraakjes nu hebben teruggevonden. 

Met een enigszins dubbel gevoel reisden wij op 1 april 1968 af naar Zandvoort. De vier eerstejaars huzaren die het stukje geleverd hadden en ik met mijn nieuwe vriendinnetje. Het had me nog de nodige overredingskracht gekost om haar over te halen. Maar ik wilde me deze kans om een verpletterende indruk op haar te maken niet laten ontgaan. We zijn nog steeds samen. Loeres heeft daar ongetwijfeld zijn eigen onnavolgbare rol bij gespeeld.

De aarzeling waarmee wij op pad gingen, had vooral te maken met de nogal karige informatie die we hadden gekregen. Dit had zomaar weer een volgende practical joke kunnen zijn van welke studentenclub dan ook. Lachen en foto’s op het moment dat wij in vol ornaat en in volle verwachting zouden uitstappen voor het Strandhotel. Maar het was gelukkig bloedserieus. 

Een eerbetoon aan Loeres. Maar hoe?

Voordat ik afsluit met de twee toespraakjes moet ik nog even iets kwijt over de stress tijdens de voorbereiding van ons optreden in Zandvoort. In het schrijven stond namelijk ook aangegeven dat van ons verwacht werd dat wij, ten overstaan van alle genodigden, de grote Loeres aan de boulevard op een waardige wijze eer zouden brengen. Dat heeft me nog wel even beziggehouden. Ik had weinig ervaring met eerbewijzen aan aangespoelde Paaseilandbeelden.

Op 5 april 1722 arriveerde Jacob Roggeveen op een eiland vol opmerkelijke beelden. Omdat het Paaszondag was, noemde hij het eiland Paaeiland.


Even terzijde. Later, werkzaam bij TNO, kreeg ik een collega die Lo Roggeveen heette. Zonder iets van mijn Paaseilandervaring te weten, vertelde hij op een keer tijdens de lunch dat hij een afstammeling was van Jacob Roggeveen, die van 1706 tot 1714 raadsheer voor de VOC was in Batavia en die op 5 april 1722, op Paaszondag, het Paaseiland ontdekte. Jacob was intussen overgestapt van de VOC naar de WIC (de West-Indische Compagnie). Dat had onder meer tot gevolg dat hij via Kaap Hoorn de Stille Oceaan (via de West) bereikte. Dit interessante verhaal van nazaat Lo Roggeveen speelde zich af in een tijd dat er nog open en bloot over VOC en WIC gesproken kon worden. Gauw terug naar Loeres.

Op 1 april 1962 spoelde in Zandvoort een beeld van het Paaseiland aan. Hier komt het wettig gezag zich op de hoogte stellen. Links de burgemeester.


Uiteindelijk, zeg maar op het laatste moment, kwam ik op het idee om de bekende vaderlandse uitdrukking 1 april, kikker in je bil als uitgangspunt te nemen voor een eerbewijs aan Loeres. Diep in de nacht van 30 maart 1968 heb ik toen, gewapend met enig gereedschap, in de kelder van Het Eigen Huis, het onderkomen van Veritas, met de nodige moeite en vechtend tegen een onstuitbare walging, de door onzorgvuldig en langjarig gebruik voor het leven getekende bril (op een bepaalde manier van een grote doorleefde schoonheid) van een toilet verwijderd. Het kostte de nodige moeite omdat de moeren flink waren vastgekoekt. Ik herinner me nog dat tijdens het sleutelen het gebruik van het toilet gewoon doorging. Niemand keek echt vreemd op van mijn werkzaamheden. Sommigen moedigden mij zelfs aan omdat een nieuwe bril hen geen overbodige luxe leek.

Nachtelijk loodgieterswerk wel en niet gewaardeerd

Nadat ik de bril had losgekoppeld heb ik hem in mijn studentenhuis met een hete pook voorzien van een de eerder genoemde, pakkende tekst. Op zolder lag nog wat vergeten kerstpapier zodat ik al met al een waardige erekrans had om bij Loeres te plaatsen. Met een stijve bries van zee zou de uitstoot van geabsorbeerde lichaamsgeuren geen onoverkomelijke barrière hoeven te betekenen voor de aanwezigen en later voor belangstellende badgasten die even stil wensten te staan bij Loeres. Het diner was nog wel even een puntje van aandacht. Om zicht te houden op de erekrans had ik hem, uiteraard ingepakt, onder mijn stoel neergezet. Het kan toeval geweest zijn, maar naarmate het diner vorderde werden er in de eetzaal steeds meer bovenraampjes opengezet. 

Speciaal voor de Duitse gasten schijnt het Comité de briltekst kort na de officiële plechtigheid ook in het Duits vertaald te hebben. De Duitse tekst was aangebracht op een bordje dat naast Loeres aan een paaltje in het zand was geprikt. Nog weer later was er alleen nog het bordje met de Duitse tekst. Op last van de burgemeester was de bril waar ik zo mee had gezeten, door enkele lieden in witte pakken verwijderd. 

Ik sluit, zoals beloofd, af met beide korte toespraakjes. Nogmaals, het was 1 april 1968, ik was dus 23 jaar. Zo sprak ik toen. Ik heb het niet mooier gemaakt dan het was. En dan te bedenken dat mijn kleine oogappel Lieke door haar vader, mijn zoon Bas, onwetend van dit verhaal, liefkozend PoepeLoeres wordt genoemd. Ik hoop dat hij, als hij dit heeft gelezen, zich realiseert hoeveel betekenis dit alles voor mij heeft. 

Korte toespraak na aanvaarding van de Bronzen Loeres 1968 op 1 april 1968.

 Dames en heren,

De Bronzen Loeres zoals door mij in ontvangst genomen op 1 april 1968, later overgedragen aan de vier musketiers die dit op hun geweten hadden, en daarna nooit meer iets van het kleinood teruggezien.


Nu Loeres ons aan de dis verenigt, past het om enige ogenblikken stil te staan bij deze unieke kreatie. Nadat wij vernomen hadden, dat Veritas dit jaar de Bronzen Loeres zou worden toegewezen, ben ik op zoek gegaan naar iemand die mij over deze materie wat meer kon vertellen.

Via de I.S.C.U., de vereniging van buitenlandse studenten, kreeg ik een adres door van een student uit Leiden, die van het Paaseiland afkomstig zou zijn. Mooier kon het al haast niet.

Bij nadere kennismaking bleek dit niet helemaal juist te zijn. Hij kwam van een eilandje in de buurt. Wel had hij het Paaseiland verschillende keren bezocht en kende er vrij goed de weg.

Hij vertelde me, dat hij regelrecht van een gesettelde boekanier afstamde. Ik nam dit eerst met een korreltje zout, maar toen hij opstond om een kopje koffie in te schenken, kwam het me, afgaande op zijn slordige manier van·lopen, niet geheel onwaarschijnlijk voor, dat één van zijn voorouders met een houten been gesukkeld had. Een lui oog ondersteunde dit. Vol trots liet hij me zeer oude foto’s zien van een ongure groep zeerovers, bezig met het begraven van een schat. Daar betaal ik mijn studie van, vertrouwde hij me fluisterend toe. Hij bleek al een jaar of 13 te studeren, zonder erg hard op te schieten, zodat z’n onwillige oog ook een symptoom van zijn hele instelling kon betekenen.

Pas toen de fles op tafel kwam, die me trouwens niet zo aantrok, omdat er niet alleen cognac, maar ook een flinke zeilboot in zat, kwam hij goed los en kreeg ik de kans om wat te weten te komen over het Paaseiland. Het was jammer, dat ik hele stukken miste, omdat hij ,meegesleurd in z'n geestdrift, zo nu en dan overging op z'n moedertaal. Wat ik wel verstond, is echter de moeite waard om u mede te delen.

Het Paaseiland heeft, ondanks z'n afgelegen positie, een bewogen historie achter de rug. De Bruggenaar Gaston Vandebeukelaere ontdekte het in 1423. Hij liet een telegram doorsijpelen naar Italië, waarin melding werd gemaakt van de-ontdekking van een bijzonder rijk eiland. Terstond koos een omvangrijke Venetiaanse vloot zee.

Aangekomen op de plaats, die in het telegram aangegeven stond, bleek er van een eiland geen sprake te zijn. Er dobberde slechts een boei rond, waarop in grote letters: 1 april stond. Honger en dorst zorgden ervoor, dat er van de hele vloot geen spaander is teruggekeerd. Vanaf dat moment had Brugge van de Venetiaanse konkurrentie niets meer te duchten. Dit is de eerste 1 aprilgrap uit de geschiedenis, die met zekerheid vaststaat, hoewel men vermoedt, dat reeds in het oude Babylon men elkaar op deze dag kostelijk bij de neus nam.

De beroemde-beelden is een verhaal op zich.

Hun betekenis moet op het religieuze vlak gezocht worden. De Bruggenaren hebben er nimmer over gerept , zodat we moeten aannemen, dat de beelden pas na hun komst verschenen·zijn. De Vlaamse kolonie is halverwege de-16-de eeuw van de aardbodem weggevaagd, waarschijnlijk door een tropische epidemie.

Tijdens de Kon-Tiki-expeditie van Thor Heijerdahl wordt het Paaseiland herontdekt. Dan ineens wemelt het er van de beelden. Naspeuringen in zeer oude archieven, waarbij vooral de Oostduitse dominicaan Rüssel genoemd moet worden, hebben uitgewezen, dat de gelijkenis met portretten van Gaston Vandebeukelaere meer dan toevallig is. Bijkbaar is de herinnering van de eenvoudige inlanders aan deze grote Belg in de loop der tijden uitgekristalliseerd tot een goddelijk wezen.

Reeds ten tijde van Heijerdahl was men bezig de reusachtige beelden met man en macht in zee te werken.

Volgens mijn gastheer had dit de volgende verklaring.

Het gebied, waarin het Paaseiland ligt, bezit een sterk vulkanische natuur. De aardkorst is er voortdurend in beweging. De simpele autochtonen zagen hierin een teken van hun godheid dat deze terug wilde naar het water waar hij in lang vervlogen dagen uit tevoorschijn was gekomen. Omdat ze reeds tot hun enkels in het water stonden, besloten ze hun goddelijke meester een handje te helpen door de beelden in zee te laten verdwijnen.

Zo kon het gebeuren dat niet lang daarna over alle wereldzeeën Loeressen dreven. Het schijnt zelfs dat één van deze beelden enkele jaren terug hier in de buurt is aangespoeld en grote konsternatie teweeg heeft gebracht..()

 

Hier stopt de teruggevonden tekst. Een beetje abrupt einde is het wel, maar dat past bij dit wonderlijk evenement.

 

Toespraakje bij de kranslegging op de boulevard bij het grote beeld van Loeres. 1968, op het moment dat 1 april het stokje en het slokje overdroeg aan 2 april.

Dames en heren,

1 April, kikker in je bil. Het is een jeugdherinnering. Mijn grootvader Gerrit is er mee aan komen dragen en het heeft grote indruk op me gemaakt. Jaren vijftig. Wij jochies, op straat, stiekem, onder elkaar, dat kon nog. Maar als je opa zoiets zegt! Alleen als oma niet in de buurt was. Helemaal deugen deed hij dus ook niet. Het was daarom een leuke opa.

Het schijnt een uitdrukking te zijn die stamt van zeer oude, Germaanse vruchtbaarheidsriten. Omstreeks 1 april vierden de oude Germanen het Lentefeest. Dit stond in het teken van de vruchtbaarheid. Derhalve werden op een open plek in het woud, een heilige plek met goed zicht, naakte vrouwen neergezet die tussen hun billen een kikker geklemd hielden. Flink knijpen was het parool. Overigens ook kleine meisjes met donderkopjes waren ruim aanwezig. Als voorbereiding. Op deze wijze moesten de ooievaars aangetrokken worden, wat meestal niet lukte. Maar de mannen hadden dan in ieder geval even rust om op hun eigen wijze het lentefeest te vieren. Niet gericht op ooievaars maar op lentebokjes.

Van dit eeuwenoude en ontroerende gebruik is niet veel meer over. Daar moeten we ons bij neerleggen. Maar dat nu juist van de magische spreuken die in het bos geklonken moeten hebben alleen dat ordinaire rijmpje de tand des tijds heeft weten te doorstaan, dat valt op geen enkele manier goed te praten. Helaas was er niet meer. Daarom is het met de grootste schroom dat ik nu de erekrans met spreuk aan de voet van Loeres neerleg. Meer zat er vandaag niet in.

 

Espunt, 14 september 2019



P.S.

Op 11 oktober 2019 ontving ik het bericht dat de dag daarvoor mijn goede Veritasvriend Willem de Vries volkomen onverwacht was overleden. Samen hebben we vele jaren een flink aandeel gehad in de vulling van het reünistenblad van Veritas. We deelden de belangstelling voor de historie van de vereniging, de betrokkenheid bij de vereniging en de lol in het schrijven over alles wat daar gebeurde en vooral wat er was gebeurd. Dit is niet de plek voor een In Memoriam, maar wel voor de mededeling dat Willem lang geleden aan de wieg stond van het Veritasdispuut Kikker. En dat past hier wel. Net zoals de herinnering die enkele uren geleden opborrelde dat Willem, die vierdejaars was toen ik in 1963 de ontgroening op Veritas onderging, een duidelijke rol in die groentijd had gespeeld. Willem zat in het bestuur van de Sociëteit. Als wij 's avonds onze vrouwelijke jaargenoten naar huis hadden gebracht, werden wij geacht terug te keren naar Veritas om daar nog eens stevig onder handen genomen te worden. Een geliefde manier om ons af te knijpen was een rondje kikkeren. Willem wist wat dat betekende want vier jaar eerder had hij hetzelfde meegemaakt. Hij was verre van sadistisch maar hij wist ook dat de dingen vaak gaan zoals ze gaan en niet zoals ze moeten gaan. De afgelopen jaren liepen wij, na afloop van een of andere reünistenactiviteit, vaak samen van de Kromme Nieuwe Gracht naar Utrecht Centraal. Dat konden we fysiek nog wel aan, maar kikkeren, nee, die tijd lag ver achter ons.

Toen ik een paar dagen geleden 's avonds de deur van de garage wilde afsluiten, in het tamelijk donker, schrok ik van iets onder mijn schoen. Een naaktslak? Ik trok mijn voet terug en zag, toen ik mij bukte, tot mijn ontzetting dat ik op een mooie, groene, volwassen kikker had gestaan. Ernaast een tweede kikker. Onbeweeglijk. Wat beleven die dieren? Ik vermoed dat ze samen op weg waren naar een plek om te overwinteren. Wat te doen? Ik voelde machteloosheid en een soort medelijden. Wat doe je met een kikker die misschien dood is of misschien nog niet? Ik wist het niet. Ik heb niks gedaan. Hopend op een wonder maar met een rot gevoel ben ik weer naar binnen gegaan. De volgende dag was duidelijk dat de kikker niet meer leefde. Maar, owee, hij bevond zich misschien 20 cm vanaf de plek van het drama. Ik zag ook hoe hij eraantoe was. Hoe was het mogelijk dat hij zich in die toestand nog had kunnen verplaatsen. Ik had hem op geen enkele wijze kunnen redden. Maar ik bleef me rot voelen.