Historie van de families

Schootbrugge en Boonstra


1., 2. Inleiding en Jan van de Schootbrugge

3. Jantje Boonstra

4. Jan en Jannie en meer

4. Jan en Jannie



Zekerheid hebben we niet maar op grond van beperkte informatie lijkt het waarschijnlijk dat Jan van de Schootbrugge en Jantje Boonstra, vanaf nu Jan en Jannie, elkaar eind augustus 1938 in een feestend Hilversum hebben ontmoet. Jannie zal Jans grootmoeder Wilhelmina van der Hoek ongetwijfeld nog hebben meegemaakt. Die overleed op 22 januari 1942. Helaas kort voor de viering van het 25-jarig huwelijksfeest van haar dochter Louise en haar man Gerrit, de ouders van Jan, later dat jaar op 8 augustus.


Na de capitulatie op 14 mei 1940 konden de meeste Nederlandse soldaten in twee delen terug naar het burgerbestaan. De eerste groep op 28 mei, de tweede groep op 5 juni. Van Jan weten we dat hij op 29 juni officieel met Groot Verlof ging en vervolgens opdracht kreeg om zijn militaire spullen op 29 augustus in Hilversum in te leveren. Een paar dagen daarvoor zat hij nog in Soesterberg.

Opnieuw stond hij voor de vraag: wat nu? Wellicht met het voorbeeld van zijn grootvader Wilhelmus Huurdeman, zijn vader Gerrit, zijn ome Kees Huurdeman en zijn oom Henk van de Pavert (echtgenoot van Alie Huurdeman) voor ogen besloot hij een baan bij de politie in Den Haag te accepteren. Op 18 juni 1940 verklaarde huisarts K.A. Kreyns (Joh. Geradtsweg 74) dat Jan qua gezondheid geschikt was voor het politievak. Op 18 december 1940 liet wnd. burgemeester van Den Haag, Cornelis Lodewijk van der Bilt (in 1942 vervangen door een NSB-er) weten dat Jan van de Schootbrugge m.i.v. 22 november 1940 was aangesteld als Adspirant Agent van Politie met een maximale proeftijd van 1 ½ jaar. Zijn jaarsalaris werd vastgesteld op 1050,- gulden (3 gulden per dag!). Op 18 november 1940 was zijn adres Kootwijkstraat 66, Den Haag. Later vond hij onderdak op de Barentszstraat 47 in Den Haag. Op 1 februari 1941 werd hij aangesteld als Agent van Politie met een proeftijd van 1 jaar. Jaarsalaris 1650,- gulden. Een jaar later gaat het jaarsalaris omhoog naar 1775,- gulden. Op 1 maart 1943 is er door de Duitsers blijkbaar het nodige veranderd in de politie-organisatie. Ze gaan de Nederlandse politie centraal aansturen. Jan krijgt per 1 maart eervol ontslag als agent van politie en wordt vervolgens aangesteld als Wachtmeester der Staatspolitie, in vaste dienst, met een jaarsalaris van 2025,- gulden. De mededeling komt nu uit Hoog-Soeren met als briefhoofd: De Directeur-Generaal van Politie en ondertekend door ene Schrieke en J.J. Boelstra.

Op 1 juli 1944 kan Jan bij de Hilversumse politie aan de slag als wachtmeester met een jaarsalaris van 2050, - gulden. Waarschijnlijk toch nog een vrij plotselinge overplaatsing want Jan en Jannie trouwen twee weken later op 12 juli en op de aankondiging in de Gooi en Eemlander van 28 juni 1944 staat dan nog vermeld dat Jan in den Haag op het adres Barentszstraat 47 woont, Jannie in Hilversum op het adres Huygensstraat 33, en dat het nieuwe adres wordt: Nassaulaan 4, ’s Gravenhage. Die plannen werden echter geheel omgegooid. Op 30 juni 1940 werd Jan weer ingeschreven op het adres Huygensstraat 33, Hilversum. Jan en Jannie trouwden op 12 juli 1944 en kregen een stukje van Huygensstraat 33 ter beschikking. De zijkamer en naar ik vermoed ook een slaapkamer. Op 20 mei 1947 krijgt het gezin, dan uitgebreid met twee kinderen (Gerard, 22 april 1945 en Lilian, 19 februari 1947) toestemming om te verhuizen naar het adres Chrysantenstraat 54, Hilversum. Dichtbij Jans nieuwe werkplek, het oude Politiebureau aan de Langestraat in Hilversum. Per 1 januari 1946 krijgt Jan de rang van agent eerste klas met een proeftijd tot max. 31 december 1946. Zijn jaarsalaris wordt vastgesteld op 2150,- gulden.


Jantje was in 1936 bij haar tante Sjoukje, zus van opa Boonstra en getrouwd met aannemer Jacob de Boer, in Hilversum terecht gekomen. Het ging Sjoukje en Jacob aanvankelijk voor de wind. Jacob haalde grote bouwprojecten binnen, onder meer op de Snelliuslaan waar hij een school bouwde (niet ver van de Huygensstraat). In dat hele, nog maagdelijke gebied werd eind jaren twintig, en in de jaren dertig veel nieuwbouw gepleegd. Sjoukje en Jacob bewoonden een riante villa op de Ministerlaan 9, vlakbij het in 1931 gerealiseerde nieuwe stadhuis van stadsarchitect Willem Marinus Dudok. Alom beschouwd als zijn meesterwerk.

De crisis van de jaren dertig werd Jacob uiteindelijk toch fataal. Hij ging failliet. De huizenmarkt was totaal ingestort. Om toch wat inkomen te hebben startte tante Sjoukje een pension. Met de opkomst van het omroepbedrijf was daar wel vraag naar. Een energieke en betrouwbare meid was meer dan welkom. Een van Jantjes taken werd de centrale verwarming (een luxe) draaiend te houden. Stokerswerk. In de kelder op tijd kolen op het vuur gooien. Een van de bewoners was VARA-man (sinds 1933) Arie van Nierop. Hij kreeg na de oorlog landelijke bekendheid met het radioprogramma “Het hangt aan de muur en het tikt” (object raden door een vragenpanel). Jantje mocht wel eens mee naar een radio-opname. De nieuwe VARA-studio bevond zich op dat moment op het adres Heuvellaan 33. Als haar man Jacob in 1952 overlijdt, verhuist Sjoukje naar de Kastanjelaan met uitzicht op de Kastanjevijver. Heel veel later, rond 1962, keerde ik terug naar de Kastanjevijver. Daar woonden twee meisjes die mijn vriendje Hans Thijsen en ik erg leuk vonden: Yvonne Deauvillier en Margaret Goovaars. Alles wat daarvan over is, is een foto waar we gevieren op staan aan een tafeltje in Grand – Café Gooiland, bij gelegenheid van het jaarlijkse schoolfeest van het RK Lyceum van ’t Gooi dat een paar honderd meter verderop lag (even voorbij de voormalige KRO-studio).


Toen Jan eind 1940 veertig naar Den Haag verhuisde i.v.m. zijn nieuwe baan is Jannie hem zo snel mogelijk nagereisd. Ook in Den Haag was altijd wel plek voor een meid die van aanpakken weet en niet gauw omvalt.

Op haar Distributiestamkaart (Nr. 2167), uitgegeven op 23 oktober 1939 is haar adres Ministerlaan 9 Hilversum, de villa van haar tante Sjoukje de Boer- Boonstra. Daarna (geen datum) staat er Huygensstraat 33, vervolgens op 2 maart 1942 Gov. Johan de Wittlaan in Den Haag (Statenkwartier, ambassadewijk), in de zijlijn ook nog Burchtstraat 16 in Wassenaar (op dit adres vestigden zich in mei 1938 de weduwe G.W. Boland geboren Gelinck met haar gezin en M.H. Gelinck). Op 30 december 1943 staat een stempel op haar stamkaart: geëvacueerd. I.v.m. de aanleg van de Atlantikwall moesten meer dan 150.000 Hagenaars hun huis uit. Ze komt dan op de Nassaulaan 4 terecht. Op 6 april 1944 staat Jannie weer op de Huygensstraat 33 vermeld.

Terzijde: in de editie van de Soester Courant van 27 oktober 1943 troffen we een kleine advertentie aan waarin mw. De Boer, Ministerlaan 9 Hilversum, een hulp in de huishouding zoekt. Dat was dus tante Sjoukje!


Eén Haags adres ben ik niet op de stamkaart tegengekomen, maar daar heeft ze wel degelijk ook gewerkt: de Stalpertstraat 47. Voor mijn moeder een opmerkelijk adres omdat ze in 1951 in Hilversum verhuisde naar een nieuwbouwwoning op de Stalpaertstraat 47. Snap je dat nou, was dan haar commentaar. Het waren overigens niet dezelfde Stalperts. De eerste heette voluit Stalpert van der Wiele, de tweede Daniël Stalpaert. Ook het toeval is niet volmaakt.

Op de Stalpertstraat 47 was ze in dienst bij het deftige gezin van Han Helb en Dies Adam (zus van de bekende vooroorlogse voetbalinternational Lawrence Adam). Het verblijf bij de Helbs heeft bij Jannie de nodige herinneringen achtergelaten.


Intermezzo.Achtergrond Han en Dies Helb.

Josephine Bernardine Helb-Adam, roepnaam "Dies"(1908 -1987), werd in Bandoeng geboren. Gestimuleerd door haar vader besloot ze om rechten te gaan studeren in Leiden. Ze leerde daar vriendinnen voor het leven kennen, onder wie de zuster van haar toekomstige man Mr. Henri Arnold (Han) Helb (1909-1965), met wie ze in het Leids Studenten Toneel speelde. Zij trouwden op 19 oktober 1934 in Den Haag. Het paar woonde in de Stalpertstraat 47 in een voor die tijd modern wit en nogal vierkante woninginrichting, ook wel "strak en symmetrisch" genoemd. In dit huis werden hun twee kinderen geboren, Hans Jochem en Anne Marjanne. De Stalpertstraat is onderdeel van de buurt Duinzigt en de wijk Benoordenhout.

Mr. Henri Arnold (Han) Helb (1909-1965) was juridisch medewerker bij Buitenlandse Zaken, maar tijdens de bezetting ('40 - '45) werkte hij bij het Regerings- commissariaat voor de wederopbouw. Na de bevrijding werd Han diplomaat en zijn eerste post was bij de Nederlandse ambassade in Washington. Vervolgens kwamen plaatsingen in Bonn, Belgrado, New Delhi, Moskou en Pretoria. Als ambassadeur in Moskou moest hij door het hooglopende politieke conflict over de Golub-affaire voortijdig vertrekken, toen hij tot persona non grata werd verklaard. Twee jaar na zijn benoeming in Pretoria overleed hij aan de gevolgen van een hersenbloeding.

Dies woonde van 1965 tot aan haar overlijden in 1987 op een flat in de Mankesstraat. Ze ontplooide allerlei activiteiten, vertaalde boeken, schreef artikelen, o.a. in het alternatieve tijdschrift Bres. Ze schreef o.a. ook veel voor het tijdschrift Margriet, zoals de rubriek Brieven van een grootmoeder en de grote serie Op zoek naar de vrouw van morgen, waarvoor ze de wereld over reisde. De gebundelde uitgave van die serie wordt in boeken over vrouwenemancipatie nog steeds aangehaald. Zelf had zij daar een nuchtere kijk op: “Elke vrouw heeft de uitdaging van de man naast zich nodig”.

Einde intermezzo.


Op een bepaald moment, ik denk begin 1941, heeft mijn moeder haar intrek genomen in het ouderlijk huis van mijn vader, Huygensstraat 33, Hilversum. Kon dat zomaar in het zeer katholieke milieu van oma Schootbrugge? Ja dat kon want haar vriendje Jan was per 1 januari 1941 als aspirant-agent in dienst getreden van het Haagse politiecorps. Zij was van plan om hem zo snel mogelijk achterna te reizen naar De Haag.

Het huis van de Schootbrugges waar mijn moeder terechtkwam, had wel enige allure. Meer dan de maatschappelijke status van opa en oma Schootbrugge misschien zou doen vermoeden. Gerrit en Louise verhuisden er in het voorjaar van 1937 naartoe vanuit de Calandstraat. Het huis was ooit gebouwd voor de hoofdonderwijzer van de naastliggende Huygensschool. In 1905. De eerste bewoner was (waarschijnlijk?) de heer W. Kooiman. Hij ging in 1940 met pensioen. Na een scheiding bleef zijn ex, een vertaalster Italiaans, nog enige tijd in het huis wonen. Naar ik heb begrepen was oma al langer bij haar in dienst als schoonmaakster. Dat verklaart misschien ook dat dit huis überhaupt in zicht kwam. Wat verder meespeelde was a) dat door de grote crisis van de jaren dertig ook de huizenmarkt op zijn gat lag, en b) dat opa bij de gemeente werkte en het huis eigendom was van de gemeente.


Intermezzo.De Huygensschool en omgeving.

De Openbare Lagere School nr. 6, later omgedoopt in Huygensschool, dateert van 1905. De school werd in 1988 gesloopt en vervangen door een semi-permanent gebouw dat Leeuwenhoekschool ging heten (ingang kwam aan de Leeuwenhoekstraat te liggen). Recent (2020) is er een nieuw schoolgebouw voor in de plaats gekomen met als nieuwe naam De Sterrenschool die opvalt door zijn moderne architectuur en zijn moderne leermethodes.

Het huis van de bovenmeester werd eind jaren dertig het domicilie van opa Gerrit, oma Louise en hun zeven kinderen met mijn vader als oudste, geboren op 4 januari 1918, een maand eerder dan mijn moeder. Het schoolplein was voor de kinderen uit de buurt een ideale speelplek.

Tegenover het huis van Gerrit en Louise lagen enkele winkels die elk in hun soort essentieel waren voor het overleven. Op de hoek met de Leeuwenhoekstraat zat de sigarenzaak van de dames Cotelet, onmisbaar voor alles wat in de buurt rookte, vrijwel iedereen, en zeker voor opa Gerrit (sigaren, Elisabeth Bas) en zijn inwonende dochter Miep (sigaretten, Golden Fiction). Daarnaast de groentewinkel van Gerrit Treur, zijn vrouw Corrie en hun dochter Map. In februari 2021 kreeg ik onverwacht contact met Cindy van der Linden, de dochter van Map, die de naam van haar opa had aangetroffen in een verhaal van mij over de hongerwinter met mijn ome Henny in de hoofdrol. Naast Treur zat herenkapper Wim Veldkamp (waar ook ik vele jaren van het Veldkamp-eenheidskapsel mocht genieten, en van het pikant-humoristische tijdschrift De Lach) en daar weer naast melkboer Houter met zijn zoontje Gijs, vriendje van mijn neefje Ton Jansen. Gijs werd veel geplaagd om zijn uitzonderlijke flaporen. Daarnaast normale huizen waarin onder meer mevrouw Van de Kleij, die bij de Schootbrugges bekend stond als Snorrewitz, woonde die allengs dementer werd en bij oma kind aan huis was. Op de hoek (met de Simon Stevinweg) een winkel in garen en band. Schuin aan de overkant een drogist / apotheek waar ze onder meer stenen pijpen verkochten waarmee je bellen kon blazen (uit een sopje van oma’s zachte, bruine zeep). Naast nummer 33 op de hoek van de Simon Stevinweg zat de kantoorboekhandel van Heilman (met kinderen Peter en Carolien). Daarnaast de bakkerswinkel van Paul C. Kayser. Een stukje verderop, om de hoek van de Simon Stevinweg, een groentezaak die zomers ook verpakt ijs verkocht.

Nummer 33 keek vanuit de zijkamer uit over het schoolplein naar de Leeuwenhoekstraat waar onder meer de familie Beerthuizen (waaronder Gerda, de latere vrouw van mijn vaders broer Luuk) woonde. Wat verderop Van de Brink. Op de hoek van Leeuwenhoekstraat en de Huygensstraat stond de in 1923 gebouwde tapijtfabriek van Cornelis van de Brink. Die werd in 1981 gesloopt. Vader Beerthuizen heeft er zijn hele leven gewerkt. Een stukje verderop rechts bevond zich het openbare badhuis waar ook het gezin Van de Schootbrugge wekelijks gebruik van maakte. Achter het badhuis was een speeltuin waar opa Gerrit opzichter van was. Einde intermezzo.


Intermezzo.Badhuis Huygensstraat

De Vereniging Volksbadhuis "Over 't Spoor" stelde op 14 juni 1920 het volksbadhuis aan de Huygensstraat 76 in de wijk Over 't Spoor open. De tarieven bij de openstelling in 1920 varieerden voor een 'stortbad' tussen 8 cent en 25 cent (werklozen met stempelkaart 5 cent) en voor een 'kuipbad' 15 cent tot 40 cent, badmutsen 10 cent, handdoeken 5 cent, haardroog-apparaat 2 halve stuivers. Dit badhuis omvatte 25 douches en 4 badkuipen en tevens een schoolbad met 12 douches. Het ontwerp van het Badhuis Over 't Spoor was onderdeel van het 3de woningbouwcomplex (een van de door de gemeentebouwmeester Dudok ontwikkelde nieuwbouwpeogramma’s. Het 3de woningbouwcomplex omvatte naast het volksbadhuis met een poortgebouw, waarin de woning van de badmeester, tevens 9 woningen. Het badhuis was tezamen met de woningen als een bouwkundig samenhangend bouwwerk gesticht. Schoolkinderen konden in 1948 voor een douchebeurt op woensdagmiddag op school voor een dubbeltje een blauw toegangskaartje kopen. Het normale kindertarief bedroeg 35 cent zonder handdoek of zeep; dat moesten de kinderen zelf meenemen. In 1956 zijn de woningen gemoderniseerd. In ongeveer 1970 is wegens onvoldoende belangstelling het badhuis gesloten. In 2004 is dit bouwwerk met de aanpalende woningen afgebroken. Het in 2004 vrijgekomen bouwperceel is inmiddels in 2016 weer volledig bebouwd met woningen. Einde intermezzo.


Om voor de kerk te kunnen trouwen moest mijn moeder rooms-katholiek worden. Zij werd door een non binnengeleid in de wondere wereld van het rijke roomse leven. Het zei haar weinig, maar ze deed er ook niet moeilijk over. Het doel heiligde ook hier de middelen. Bij haar doop kreeg ze als doopnaam Maria. Twee jaar later, op 12 juli 1944, trouwde ze met Jan Johannes van de Schootbrugge. Eerst in het oude gemeentehuis op de Kerkbrink gevolgd door de trouwmis in de H. Hartkerk. Mijn moeder beloofde dat ze haar kinderen katholiek zou opvoeden en dat heeft ze naar eer en geweten gedaan. Maar niet uit overtuiging. Oma Boonstra was met zus Janke aanwezig bij het huwelijk. Broer Marten zat in Duitsland. Vader Albert Boonstra bleef thuis. Om zakelijke redenen (de boeren konden hem niet missen) maar zeker ook omdat hij het nog altijd niet eens was met de keuze van zijn dochter.

Mijn vader kreeg in 1941 een aanstelling bij de politie. Aanvankelijk in Den Haag. Mijn moeder is hem zo gauw ze kon achterna gereisd. Met ook weer een baantje in de huishouding, dit keer bij vermogende Hagenaren (eerst in Wassenaar), die weinig tekort kwamen. Na zijn dienst ging mijn vader regelmatig naar zijn meisje om stiekem te genieten van het heerlijks dat mijn moeder achterover had gedrukt.

Op het eind van de oorlog kreeg mijn vader een aanstelling bij de gemeentepolitie in Hilversum. Er was nog ruimte op de Huygensstraat. Zus Miep was getrouwd en woonde op de Noorderweg, broer Luuk was te werk gesteld in Duitsland, broer Gerard groef in opdracht van de bezetter tankwallen in de buurt van de Grebbenberg.

Jan en Jannie gingen na hun huwelijk in 1944 inwonen bij opa en oma Schootbrugge. In dat huis ben ik in 1945 geboren net als mijn zusje Lilian in 1947. Wij woonden in het vertrek met de erker. Je zou kunnen zeggen dat met mijn geboorte een nieuwe fase in het leven van mijn moeder aanbrak en in ieder geval in dat van mij.


De trouwpartij op 12 juli 1944 kon je moeilijk een uitbundig feest noemen. Het gerucht gaat dat opa Gerrit met een ander familielid in de loop van de dag samen de enige fles jenever die beschikbaar was, soldaat heeft gemaakt. Het einde van de oorlog naderde, maar voorlopig werd de situatie alleen maar slechter en begon de schaarste aan essentiële levensbehoeften voelbaar te worden. Van de Boonstra’s waren alleen oma Lipkje en zus Janke van de partij. Opa Albert wilde niet, broer Marten was in Duitsland tewerkgesteld.

Een maand eerder, op 6 juni waren de geallieerden (in hoofdzaak Amerikanen, Engelsen, Canadezen en Polen) aan land gegaan in Normandië. Na de mislukte operatie Market Garden (de slag om Arnhem) in de week van 17 tot 25 september werd in de herfst nog wel het deel van Nederland onder de rivieren bevrijd, maar aan de andere kant van de grote rivieren, en dus ook in Hilversum, werd de situatie snel dramatisch slecht. Broer Luuk zat in Duitsland als dwangarbeider, broer Gerard moest voor de Duitsers in de Betuwe loopgraven graven. Jan zat bij de politie in Hilversum en moest de schepen bewaken die in de Nieuwe Haven aankwamen met levensmiddelen uit Noord-Nederland. Transport over de weg en met het spoor was onmogelijk geworden door de acties van Engelse jagers.

In januari 1945 ging het helemaal mis. Het werd extreem koud, het IJsselmeer vroor dicht zodat ook aanvoer per schip onmogelijk werd. De Hongerwinter. Henny, jongere broer van Jan en op dat moment 17 jaar, werd op pad gestuurd om te proberen ergens in Overijssel iets eetbaars te bemachtigen. Op de fiets van overbuurman Gerrit Treur, de groenteboer. Een fiets met een houten “voorband” en een massief rubberen achterband. De fiets begaf het op de terugweg, ergens onder Apeldoorn. Henny moest verder lopen met zijn schamele buit. Jan benutte zijn nachtelijke bewakingswerk soms om in het duister van de nacht een maaltje aardappelen van een schip achterover te drukken. Het had hem duur kunnen komen te staan als hij was betrapt.

Hoewel in april 1945 de kou wel was verdwenen was de voedselvoorziening nog steeds catastrofaal. Intussen was Jannie in verwachting van haar eersteling, van mij dus. Oma Schootbrugge spaarde zich de laatste kruimels uit de mond om in ieder geval mijn moeder fit te houden. Op 22 april werd er iemand naar dokter Kreijns gestuurd omdat de bevalling op handen was. Met zijn speciale ontheffing arriveerde hij in de spertijd. Volgens mijn moeder was mijn entree niet erg overtuigend. Ik kwam wel ter wereld maar vergat adem te halen. Ik was al aardig blauw aangelopen toen de huisarts opdracht gaf om me in een bak koud water te dompelen. Het werkte.

Op 7 mei rijdt een Engelse verkenningseenheid Hilversum binnen. Kort daarna bereikt het Canadese Regiment van “Stormont, Dundas and Glengarry Highlanders (SDG)” Hilversum. Vertrokken op 16 mei 1945 vanuit Noord-West-Duitsland bereiken zij, via Groningen, Zwolle, Apeldoorn en Amersfoort, op 18 mei Hilversum, iets voor tien uur in de ochtend. Diezelfde dag nog marcheren ze in een grote parade door het centrum van Hilversum. De manschappen worden gelegerd bij schoolgebouwen. De 450 Highlanders (“Glens”) blijven tot 14 juni in Hilversum en hebben het daar uitstekend naar hun zin. Ze zijn dan overigens al geruime tijd van huis. De Highlanders mobiliseerden op 18 juni 1940. Op 30 juli 1941 arriveerden ze in Engeland. Op 6 juni 1944, rond het middaguur, gingen ze aan land in Normandië bij Bernières-sur-Mer. Op 7 november 1945 keerden ze terug naar Engeland en voeren vervolgens met de Queen Elisabeth naar New-York. Op 29 december 1945 waren ze terug in Cornwell, Canada. Ook op de Huygensstraat 33 was het feest. Daar zorgden York, Tony en Walter wel voor die op de Snelliuslaan verbleven. Ze kwamen graag bij “Mam”, mijn oma Schootbrugge.


De eerste die na de bevrijding met Jantje meekwam naar het hoge noorden was ik. Eind mei 1945, ik was toen zes weken oud, besloot mijn moeder met mij naar Appelscha te gaan, of beter naar Groningen. Daar lag haar vader in het ziekenhuis met hersenvliesontsteking en het zag er niet goed uit. En antibiotica waren nog niet veel meer dan een ver gerucht van een wondermiddel. Nu wilde het toeval dat haar oom Hielke, de man van tante Riemkje, een zus van opa Boonstra, aardappels vervoerde vanuit Friesland naar het Westen. Als bijverdienste maakte hij dan een tussenstop in Hilversum. Hij was namelijk zelfbenoemd bookmaker tijdens de draverijen in Hilversum. Volgens mijn moeder kon hij blind dingen noteren in een boekje in zijn broekzak waar hij vervolgens zijn voordeel mee deed. Vraag me geen details. Mijn moeder had ook geen idee hoe dit spel gespeeld werd.

Belangrijker was dat ze na afloop van de races, ’s nachts, met haar oom Hielke mee kon rijden naar Friesland. Naar haar vader. Achter op de open vrachtwagen, met haar zes weken oude eersteling (ik dus). Zij zat in wat stro op de laadbak, ik ernaast in de kinderwagen. Als ik aan de borst moest, tikte ze op het raampje van de bestuurderscabine. Dan werd er even gestopt. Ma werd in Jubbega, waar oom Hielke woonde, vroeg in de ochtend afgezet en heeft vervolgens nog vele uren met mij in de kinderwagen, met daar bovenop haar koffer, naar Appelscha gelopen. Het was heet die dag. Het laatste stuk samen met haar jongere zus Janke die haar tegemoet was gekomen.

Opa heeft de meningitis overleefd maar hield er wel tinnitus en een knorrig karakter aan over. Niet teveel herrie van kleine kinderen aan zijn hoofd. In dezelfde periode voltrok zich bij de Boonstra’s nog een dramatisch tafereel. Opa lag in het ziekenhuis in Groningen. Oma was bij hem. Mijn moeder zat in Hilversum. Haar broer Marten was vanwege de Arbeitseinsatz in Duitsland te werk gesteld. Rond het einde van de oorlog werd er op de Drentscheweg een brief afgegeven van het Rode Kruis. Alleen zus Janke was thuis. Die wist dat berichten van het Rode Kruis in die periode kort na de oorlog meestal weinig goeds inhielden. Zij opende de envelop en las dat haar broer Marten als vermist was geregistreerd. Een eufemisme voor overleden. Uiteraard een enorme schok. Maar toen ze weer wat was bijgekomen realiseerde ze zich dat dit bericht wel eens de genadeklap voor haar vader zou kunnen betekenen.

Ze besloot om de brief achter te houden en te zwijgen over de boodschap. En dus bleef de familie in onwetendheid en toenemende bezorgdheid wachten op een bericht van zoon Marten. Totdat er een soort wonder gebeurde. Daar stond na een aantal weken ineens de verloren zoon. Terug na een lange zwerftocht door Duitsland, Frankrijk en België. En toen durfde Janke eindelijk het geheim waar ze zo lang in alle eenzaamheid mee had rondgelopen, te openbaren.


Toen ik op 22 april 1945 geboren werd, leefden er van mijn vaders kant geen overgrootouders meer. Mijn moeder had toen nog wel een grootmoeder: Jantje Bakker. Ik heb haar, mijn overgrootmoeder, één keer ontmoet in 1954 in Terwispel.

In 1970 stond mijn moeder er weer alleen voor, ook 52 jaar oud. Zij heeft het tot 30 maart 2013 volgehouden. Dat betekent 26 jaar samen met mijn vader en daarna nog 43 jaar alleen. Het scheelde niks of ze was ook op 26 maart overleden. Ze hield het nog vol totdat ze haar eerste achterkleinkind Jan van de Schootbrugge had gezien die met mijn zoon Bas en zijn vrouw Sabine een dag eerder uit hun toenmalige woonplaats Frankfurt waren overgekomen. Kleine Jan was op dat moment bijna een half jaar. “Zien” is misschien wensdenken. Zij was na een zware hersenbloeding steeds verder weggezakt. Toen kleine Jan in het hospice De Beukenhof in Loosdrecht op de rand van haar bed werd gezet heeft ze heel even een oog geopend. Wie zal zeggen hoeveel moeite dat haar heeft gekost. Toen liet ze haar lange en bijzondere leven los en overleed kort daarna.


Toen mijn vader in 1970 overleed was ik net bezig mijn studie in Utrecht af te ronden. Er stond ook een huwelijk in de planning. Gemma Eijzenbach durfde het aan een arme student met een ongewisse toekomst in leven te houden. Mijn vader heeft het niet meer mee mogen maken. Net zo min als mijn afstuderen en de geboorte van een kleinkind. Hij moet zich er zo op verheugd hebben. Het zou de beloning geweest zijn voor een zorgzaam en serieus leven.

Een vermoedelijk fatale complicatie (fout?) bij een darmoperatie betekende een inktzwarte streep door de rekening. Zijn rekening en nog heel veel andere rekeningen. Het ontroert me nog steeds als ik denk aan dit wrede lot van mijn vader. Dat had hij niet verdiend. Het motiveert me om ook de herinnering aan hem tot leven te laten komen. Wat laat, ik geef het toe. Na het overlijden van mijn moeder werden de levende getuigen van mijn vaders leven wel erg schaars.

Een bijeffect was dat ik ook geen gelegenheid heb gehad om mijn vader te vragen hoe zijn leven zich had voltrokken. Wat er met name in zijn jeugd was gebeurd. Geen idee. Wat ik wist was dat hij een goeie voetballer was geweest, niet onbelangrijk, een aantrekkelijke jongen ook voor de meisjes, een overtuigde politieman, een zeer overtuigde katholiek en een fijne vader.

Natuurlijk mag en kan ik hem niet vergelijken met mijn moeder die haar hele bestaan in dienst van haar kinderen heeft gesteld. Zorgzaam en zichzelf wegcijferend tot in het extreme. Het was ongetwijfeld haar manier om haar liefde te tonen. Zij was wat minder knuffelig dan mijn vader. Ze was ook niet zo van de gezelschapspelletjes. Mijn vader had wat daar meer gevoel voor en behoefte aan gezelligheid, spelletjes, knuffelen. Zo heb ik veel halma met hem gespeeld. Kaarten. Dammen. Hij stond in politiekringen bekend als een sterke dammer. Het gaf dan ook geen verbazing dat hij relatief snel van de geüniformeerde politie werd overgeheveld naar de afdeling die gekleed ging in trenchcoat en gleufhoed en die het vooral moest hebben van nuchter denkwerk. Hij kwam bij de recherche. Mijn vader werd “een stille” in de terminologie van mijn vriendjes. Nog weer later ging hij deel uitmaken van de kinderpolitie.

Verschil in het milieu waarin mijn vader en moeder opgroeiden heeft ongetwijfeld een rol gespeeld in de manier waarop ze hun ouderrol invulling gaven. Beiden naar beste vermogen. Mijn moeder afkomstig uit een klein gezin waarin het bestaan hard was. Mijn vader uit een groot gezin waarin het bestaan ook karig was. Maar de sfeer moet sterk hebben verschild. Bij de Schootbrugges was mijn oma de bepalende factor. Bij de Boonstra’s was het opa die domineerde.

Wij hadden het later zeker ook niet breed, maar onze jeugd werd gekenmerkt door geborgenheid en geluk. Mijn vader lette op de kleintjes, mijn moeder kon vrijwel alles zelf. Zo zeilden wij voorzichtig maar hoopvol de opbouwjaren door. Ieder jaar ging het een stukje beter.


Intermezzo. De redding van de reiger.

Ooit, heel veel later, heeft ze een poging gedaan om een reiger voor de hongersdood te behoeden. Ze moet toen al ver in de zeventig zijn geweest en woonde in Hilversum. Ze had in de krant gelezen dat er aan de kop van de Oude Haven (bij de Havenstraat) een reiger was gesignaleerd. Het was een strenge winter en mijn moeder begreep onmiddellijk dat er werk aan de winkel was. De kop van de Oude Haven, een dood en onsmakelijk stukje water, was immers bevroren. Daar viel voor een eenzame reiger weinig te foerageren. Overigens was het diezelfde Oude Haven waar in mijn jeugd Sinterklaas aankwam, maar dit terzijde. Verder moet ik nog toevoegen dat deze oude waterverbinding tussen Hilversum en Amsterdam aan de Hilversumse kant eindigt in een hoger gelegen deel van het dorp. Het water ligt dan ook diep en er liggen hoge en steile taluds langs de wal. Dit is belangrijk om te weten omdat mijn moeder op die bewuste woensdag, tevens haar verjaardag, eerst 's ochtends naar de markt op het Langewenst ging om daar bij de visboer een zak met visafval te scoren. Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed dat ze de visboer niet heeft verteld dat ze jarig was. En ook niet dat ze met het afsnijsel een kleumende reiger wilde verrassen. Met de vissenkoppen fietste ze naar de Oude Haven waar de reiger was waargenomen.

Ik heb haar later voorgehouden dat reigers in onze buurt (Nootdorp, Zuid-Holland) een plaag aan het worden waren. Ze visten alle sloten en vijvers leeg. Maar dat maakte op haar, ook al was ze ruimhartige dierenbeschermster, geen enkele indruk. Hilversum had maar één reiger en die was in gevaar. Mijn moeder was de goedheid zelve, maar je moest van goede huizen komen om haar op andere gedachten te brengen.

Eenmaal op de plaats van bestemming aangekomen stelde ze vast dat de reiger gezelschap had van een grote groep meeuwen. Het was volstrekt duidelijk dat zo maar vanuit de hoogte uitstrooien van het visafval vooral de meeuwen ten goede zou komen. En daar was ze nu even niet voor gekomen. Soms moet je keuzes maken. Dit bracht mijn moeder tot een besluit dat haar bijna fataal werd. De vissenkoppen moesten onder aan het talud direct bij de reiger worden bezorgd zo was haar besluit. En dat betekende dat ze met de zak afval langs de steile en diepe wand naar beneden moest zien te komen. Dat ging halverwege dus mis. Ze gleed uit op de bevroren en beijzelde helling en verdween eenparig versneld in het smerige water, door de ijslaag heen. Onderweg kreeg ze de inhoud van de zak met vissenkoppen over zich heen.

Ze is er opmerkelijk genoeg weer uitgeklauterd, nat, smerig en stinkend. Bezorgd is ze naar huis gefietst. Bezorgd om de reiger maar ook om de indruk die ze zou maken op de koffievisite. Die zou al gearriveerd kunnen zijn. Ze was immers jarig, ze deed de deur nooit op slot en de visite stond altijd klokslag halfelf op de drempel. Het niet afsluiten van deuren was een gewoonte die berustte op twee pijlers: a) dat deden ze in haar jeugd op het platteland ook nooit, en b) ze was jarenlang getrouwd met Jan van de Schootbrugge. En die was toevallig wel bij de politie.

Vele jaren heeft mijn moeder de eenden in de vijver bij haar huis in Kerkelanden van voer voorzien. 's Avonds haalde ze bij Albert Hein het broodafsnijsel op. Grote hoeveelheden. 's Winters werd overgeschakeld op krachtvoer. Dan kookte ze pannen vol macaroni waar ook nog allerlei additieven aan toe werden gevoegd. Einde intermezzo.


Intermezzo. Psssst, inbreker

Onverschrokken, zo mag je haar wel noemen. Dat bleek eens te meer toen ze, intussen ver in de tachtig en beneden slapend (voor het gemak), 's nachts wakker werd en ontdekte dat er een vreemde man naast haar bed stond. Niet in het minst in paniek wist mijn moeder de insluiper (via de voordeur die natuurlijk niet op het nachtslot zat terwijl mijn vader toch al jaren dood was) te verjagen op de wijze waarop ze ook vreemde katten het huis uit joeg: een aantal keren streng Psssssssst roepen. De man was blijkbaar zo verbouwereerd of professioneel, of had ineens zo'n respect voor het koelbloedige oude mensje, dat hij rechtsomkeer maakte en heel ontspannen, zonder buit, het huis weer verliet.

Mijn moeder vertelde dat ze hem door het raam in het licht van een straatlantaarn nog heeft nagekeken. Nu zou je verwachten dat ze direct de politie zou bellen, zo niet mijn moeder. Waarschijnlijk vond ze het vervelend om op het politiebureau opschudding te veroorzaken. Ze wilde eigenlijk nooit iemand tot last zijn. En ze wist natuurlijk ook dat de Hilversumse politie ’s nachts niet in de hoogste staat van paraatheid verkeerde. Ze heeft zich omgedraaid, heeft nog een flinke tuk gemaakt, en heeft de volgende ochtend de politie in kennis gesteld. Een puur administratieve actie, dat wel. En uiteraard pas na het opruimen van de sparrenappels die vanuit haar, na jaren van onstuimige groei, monumentale spar voor een flink deel in de tuin van de buren belandden. Voor dag en dauw, en in ieder geval ver voor het ontwaken van de buren, raapte ze iedere morgen de buurappels bij elkaar. Anderen lastig vallen, al was het maar met sparrenappels vond ze onverdraaglijk. Ze zag er zelfs de humor van in. Wat moeten de buren niet gedacht hebben, zo hield ze mij ooit voor, dat er nooit een appel uit die enorme boom bij hun in de tuin terechtkwam? Ze zag hun verwondering voor zich. Einde intermezzo.

Heerenveense Courant, zaterdag 16 juni 1951

Een kwart eeuw tussen het vee

Interview met Albert Boonstra 25 jaar veel verloskundige


(transcript van het krantenartikel)

Met de tip van een onzer lezers, dat de heer Albert Boonstra al zo’n 25 jaar te Appelscha het beroep van veeverloskundige uitoefent tot grote tevredenheid van zijn klanten, en zeker en van zijn ervaringen wel het een en ander zou willen vertellen, zijn we niet bedrogen uitgekomen, want Boonstra kan vertellen van zijn vak, en de omzwervingen bij de boeren langs. Op onderhoudende wijze, maar plotseling ook fel als het uitsterven van zijn beroep als gevolg van naleving van een in de Duitse tijd gemaakte wet ter sprake komt. Een schandaal, zegt hij dat zoiets mogelijk is, een vakmanveeverloskundige heeft altijd een taak gehad en zal die ook in de toekomst houden. Waarvan de boeren wel doch anderen blijkbaar niet zijn overtuigd.

Op wel eigenaardige wijze is is Boonstra in dit vak terecht gekomen. Of eigenlijk ook niet, want hij was nog maar een jongen van een jaar of 14 toen zijn belangstelling voor in nood verkerend vee al werd gemerkt door de oude veearts Eggink van Beetsterzwaag, die met “hynder en wijn” de klanten bezocht en als hij naar de Kompanije moest ging uitspannen aan de Liphuster sluis waar vader Boonstra (Lucas, GvdS) een café-winkel-boerderij dreef. Deze veearts zag waarschijnlijk toen al iets in die altijd belangstellende jongen en bood hem aan in opleiding te nemen.

Daar kwam echter niets van in, althans voorlopig niet, want Albert kom thuis niet worden gemist, maar… oude liefde roest niet zegt men en toen Boonstra na de wapenrok te hebben gedragen in Beetsterzwaag als timmerman werkte aan een nieuw huis voor veearts Heida, en daar vlak tegenover veeverloskundige Hummel woonde, kwam het al gauw tot een accoord: tegen de herfst in opleiding. Een hele stap voor een getrouwd man.

En na die opleiding kwam de altijd belangrijke vraag: waar zich te moeten vestigen. De keus viel, na veel zoeken, op Appelscha, waar overigens ook al een verloskundige zat en, zo knoopte Boonstra hier direct aan vast, de eerste jaren zijn uiterst moeilijk geweest. Van alles moest vaak worden aangepakt om aan de kosten komen, maar met een onverzettelijke wil werd vanaf de 9de februari 1926, eigenlijk waren we dus een paar maanden te laat in Appelscha voor dit zilveren een jubileum, gebouwd aan een volledige bestaan in het vak. Strijd was er tegenwoordig soms ook, en het werk was zwaar omdat een groot rayon per fiets moest worden de bereisd.

Er zijn van die dingen welke me nooit vergeet: zo weet Boonstra nog precies hoe hevig hij wel schrok, toen hij voor zijn eerste verlossing werd gehaald bij een koe van Jan Haan en… tot de conclusie kwam dat er een dubbel gegroeid kalf in lag. Om daar nu zomaar aan te beginnen, dus werd leermeester Hummel opgebeld die direct per motor overkwam. Maar wat gebeurde, Hummel waarschuwde de Boer een enkele nieuwsgierigen dat deze verlossing wel uren zou kunnen duren, moedigde Boonstra aan met een paar woorden en… vertrok. “Op dat ogenblik zat ik er wel even mee in mijn maag, maar achteraf”, zo weet Boonstra nu te vertellen, “moest ik mijn leermeester wel heel erg dankbaar zijn voor dat vertrouwen. Want die verlossing verliep prima en dat is mijn mooiste reclame geweest.”

Langzaam maar zeker kwam de zaak op gang. Uit die tijd herinnert Boonstra zich nog hoe hij eens vier dagen en nachten in touw is geweest en ook hoe hij in die bar strenge winter van ’28 – ’29 ‘s nachts om 2:00 uur uit zijn bed werd gehaald voor een verlossing aan het Oranjekanaal. Op de fiets heen en toen werken in de schuur waar je dwars door het dak heen kon kijken en de koeien wit op stal stonden. Haast niet te geloven, maar de pootjes van het kalf zaten in het ijs en de instrumenten kleefden aan de handen vast zoals soms een deurklink dat kan doen bij felle koude. De volgende dag om 2 uur zat ik nog aan het Oranjekanaal, nog steeds niet op temperatuur gekomen.

Een paar tegenslagen kijk kreeg Boonstra nog te verduren, doch hij had het geluk reeds een andere in opleiding te hebben gehad toen hij zelf wegens ziekte een tijd lang zijn werk niet kon uitvoeren. Een zwager nam zijn taak over, althans het werk, want Boonstra trok steeds met hem er op uit. Over die opleiding horen we nog even een aardig staaltje. Zo was iemand uit Brummen wel heel toevallig aan Boonstra’s adres gekomen, namelijk door een los blaadje van een oud telefoonboek, dat lag op een plaats waar de meesten dagelijks moeten verschijnen.

Tot het werk hoorde ook het castreren van paarden, het opereren van breukbiggen en het besnijden van hoeven. Over al die dingen raakte Boonstra, wel zo in zijn werk opgegaan dat hij zich door zelfstudie een grote algemene kennis van vee heeft verworven, niet gauw uitgepraat. Het aantal gecastreerde paarden moet wel tegen de 2000 lopen en het is zijn trots, dat er in die kwart eeuw geen enkel paard verloren ging. Dat “blanco” is thans verdwenen, kort geleden is een paard na het castreren gestorven en Boonstra vertelt het eerlijk, omdat hij weet dat het zijn reputatie allerminst zal schaden.

Door serieuze opvattingen, in al die 25 jaar ging hij nog geen nacht van huis, en vakkennis wist hij zich een drukke practijk op te bouwen, waarin thans een zoon meehelpt. En het briefje met de “tip” van de lezer getuigt er van dat Boonstra’s werk door de boeren in Appelscha en wijde omgeving zeer wordt gewaardeerd.

(Einde interview)

In 2009 interviewde Appie Boonstra in Appelscha zijn tante Jantje


voor het blad Zoolstede van de Historische Vereniging Appelscha. Jantje was toen 91 jaar.


De familie Boonstra, bestaande uit Albert Boonstra, Lipkje van Seyen en de kinderen Jannie, Janke en Marten, verhuisde in 1926 van Lippenhuizen naar Appelscha. Ze ging wonen aan de Boerestreek in De Oude Hof.


]annie van der Schootbrugge-Boonstra:

'Mijn moeder, Lipkje, deed de zaak als m'n vader naar de boeren was. Hij was toen kroegbaas, veeverloskundige en castreur. Ik weet nog wel dat m'n moeder overdag koffie en thee verkocht, voor, ik geloof, vijftien cent per kopje. Aan de woning van De Oude Hof heb ik de herinnering dat er in de kelder in de winterperiode altijd een dikke laag water stond. 's Zomers werd de kelder ook gebruikt door de ijscoman die er zijn staven ijs, waar hij z'n consumptie-ijs mee koelde, in had staan. De ijscoman stond tussen De Oude Hof en Duinen-Zathe in.

Mijn vader had ook wel eens een leerling die het vak veeverloskundige wilde leren en die kwam dan ook bij ons inwonen. Eén van de leerlingen was een zoon van een boer uit Oude Willem. Ik geloof dat die boer Bakker heette. Toen de zoon ging trouwen hebben ze nog een tijd bij ons ingewoond.

Waar we geslapen hebben weet ik niet, want zoveel ruimte was er niet in de woning van De Oude Hof. Achter De Oude Hof hadden we een speeltuin. Niet zo'n grote, want de meeste mensen gingen naar DuinenZathe, de speeltuin daar was veel groter. Janke, mijn zus, heeft later jaren in de keuken van Duinen-Zathe gewerkt. Hard gewerkt kan ik wel zeggen.

Van de speeltuin weet ik nog dat er ook groepen geestelijk gehandicapten bij ons kwamen. Volgens mij kwamen ze uit Franeker. Vroeger noemden we die mensen "achterlijken"

of ook wel "gestoorden". Ja, dat klinkt niet zo leuk, maar het woord geestelijk gehandicapt werd toen

nog niet gebruikt door de gewone burgers. Onze speeltuin was lekker rustig voor hen en zo konden ze lekker schommelen, klimmen en "raar doen". Ze hadden dande grootste lol en maakten heel veel lawaai. Op een keer was één van die gestoorde vrouwen helemaal gek op de chauffeur. Die man heeft een zware dag gehad. Hij wist niet wat hij doen moest om die vrouw kwijt te raken. Wij als kinderen vonden dat geschreeuw en gegil van die mensen prachtig.

Bij De Oude Hof en de speeltuin van ons hadden we ook een fietsenbewaker. Als fietser en klant van De Oude Hof moest je dan een paar centen betalen en dan paste hij op je fiets. Deze man, hij heette Jelte, had op een dag zijn brood vergeten. En zoals mijn moeder was, vroeg ze hem bij ons te komen eten. Na die dag heeft hij nooit meer brood meegenomen.'


'We hebben drie of vier jaar in De Oude Hof gewoond. Het ging geloof ik niet zo goed met de combinatie van mijn vaders werk en De Oude Hof. We zijn verhuisd naar "de vaart". Naast de openbare lagere school stond een klein huisje en daarnaast weer een groter huis, een

boerderij. Daar woonde Van der Duin (nu bewoond door Lammert Smit, A.B.). Wij huurden daar de halve woning. Ik herinner mij het huis als tochtig, in de winter konden we het amper warm krijgen. De scheiding tussen de woning van de oude man, Van der Duin, en ons stelde niets voor, door de kieren kon je hem zien zitten.

Omdat wij vlak naast de school woonden ging ik, als mijn moeder de was ophing of in de tuin was, in de morgenpauze vaak stiekem van het schoolplein af (je mocht het plein niet verlaten). Ik ging dan snel de afwas voor haar doen. Of een ander klusje in huis waarmee ik haar kon helpen. Het huis naast de school was erg koud. Als het hard vroor stond het ijs op de onder het bed staande pispot. Op de dekens lag vaak ijs door het bevriezen van de uitgeademde lucht. Ik was nog jong, maar altijd als eerste van bed af. Maakte dan het kleine duvelkacheltje aan met een oude krant onderin, daarop een lichte turf en daar weer een dikke zwarte turf op. Dan wat petroleum erover en dan de fik erin. Als de rest dan uit bed kwam was het al aardig warm in de keuken.

Toen ik op de lagere school zat kon ik al mooi tekenen. Ik was al een aantal jaren van de lagere school af, toen er nóg een paar tekeningen van mij in de school hingen. Tekeningen van zwaluwen op de elektriciteitsdraden, die toen nog boven de grond aan palen hingen, en van een

olifant met een jong.

Natuurlijk was er nog geen aardgas en zoals ook de woningen werd de school verwarmd met turf en eierkolen. Die kolen lagen in het kolenhok (het hok staat er nog) en als je iets heel vervelends had uitgevreten dan moest je voor straf in het kolenhok zitten. Nou, dat was echt niet leuk hoor. Gelukkig heb ik er nooit ingezeten. Vroeger kreeg je al snel een tik of een klap van de meester

als je iets verkeerds deed. Dat kunnen de kinderen van nu zich niet voorstellen, maar ik heb eens een klap van de meester gehad omdat ik niet oplette.

Hier hebben we niet lang gewoond, we gingen naast de woning van Transportbedrijf Betten wonen. Aan de ander kant zat een timmerbedrijf, Veenstra geloof ik (later Hendrik Oosterloo, A.B.).

Het cachot weet ik mij ook nog te herinneren. Volgens mij zat er, behalve tijdens de feestdagen en kermissen, nooit iemand in.'


'Hoe lang we daar gewoond hebben weet ik niet meer, maar daarna zijn we naar de Drentseweg verhuisd. We huurden de woning van Jan van Buiten, de vader van Kobus, Hendrik en Roefke van Buiten. (Nu woont er een zoon van Kobus zijn tweede vrouw. Achter de woning stond een boerderij en daar woonde Kobus van Buiten. Mijn tante weet niet meer wie er voor de oorlog woonde, maar volgens Luwe Oosting was dat Hendrikus Tichelaar. A.B.)


Toen we verhuisden naar de Drentseweg was ik al van de lagere school af. Ik herinner mij nog de vriendinnen van de lagere schooltijd. Aukje Bakker, dochter van een "grote boer" uit Oude Willem. Lamkje Vondeling, zuster van Anne en Lense Vondeling, die woonde aan de overkant

van de vaart. Meester Tiemstra was hoofdmeester van de lagere school en die had een dochter, ze heette Siemie. Zij was ook een vriendin van mij. Die Tiemstra had altijd hele vette kleren aan, vooral de broekzakken waren erg vet en daarom noemden we hem ook wel vetzak.

Dirkje Jongsma woonde bij het Bergje. In mijn lagere schooltijd hadden we juf Kerkhof of juf Ebbinga, ze kwam uit Lippenhuizen en gaf aan ons handwerken. Tussen de middag holde ik, maar ook m'n zus Janke en broer Marten, via de Smidslaan, wat toen nog een modderpad was, naar huis. Dan bleef je weer met een klomp of schoen in de modder steken, natte kousen natuurlijk. We moesten wel hollen, want we aten tussen de middag altijd warm en dan had je net genoeg tijd om weer op tijd op school te zijn. Vaak met steken in de zij van her hardlopen met een volle maag. Ja, het was met slecht weer altijd een geploeter om via de Smidslaan thuis te komen. Binnendoor soms over sloten heen. Aan één kant was toen alleen maar weiland en aan de andere kant stonden een paar huizen.


Wat gek dat ik mij geen smederij herinner aan het begin van de Smidslaan. Een tijd lang was ik heel vaak zondagsmiddags bij Henk Zwart thuis in All American. Dan zaten we te tekenen, te kleuren en te schilderen. Zijn vader kreeg ik bijna nooit te zien. Ik weet ook niet meer wat die man voor werk deed, maar volgens mij was het wel iets bijzonders. Jammer dat Henk is overleden, ik had hem toch nog graag eens gesproken, maar daar denk je dan weer aan als je zo’n interview hebt.


Henk liep mij altijd achterna. Hij liep mij wel wat te veel achterna en als ik hem dan vanuit huis aan zag komen, vroeg ik mijn moeder wel eens om te zeggen dar ik er niet was.

De naam Hendrik Morsje ken ik ook nog, wat was ook al weer zijn echte naam? (Hendrik de Vries, A.B.) In mijn herinnering was die Hendrik nogal eens aan het vechten, vooral als het Kermis in Appelscha was. Ik weet nog dat hij tijdens een kermis eens grote ruzie heeft gehad met Rooie Arie (Arie de Boer, A.B.) en daar kwamen ook messen aan te pas.


Toen wij aan de vaart naast Betten woonden had je ook de kroeg van Bruinsma. Die had een zoon die Koert heette. Koert was een klier, heel vaak liep hij mij uit school achterna en trok hij mij aan de haren. Hij heeft mij ook eens een bloedneus geslagen. Ik herinner mij ook een winkeltje van Oldersma, die klompen te koop had.


Sommige jaren ging ik in de herfst eikels zoeken. Daar kreeg je dan geld voor. Dit was dan voor de bosbouw zeiden ze, maar ik denk dat de varkens de eikels kregen. Omdat ik thuis altijd als eerste van bed was, ging ik vaak al heel vroeg op pad met jutezakken om eikels te zoeken. Volgens mij kreeg je voor een volle jutezak wel een rijksdaalder en dat was veel geld in die tijd.

Aan de overkant van ons huis aan de Drentseweg (tussen de achterweg, nu Oosterse Es, en de Drentseweg) had je veel land met knollen. Witte knollen met een paarsachtige bovenkant bij het loof. Die waren lekker. Een enkele keer zie je ze nog wel eens op de markt liggen.


In Appelscha was, toen ik jong was, een apotheek waar ze schoenen verkochten (Dit was de drogisterij en schoenhandel van familie Hoogeveen. Nu is Woningstoffering en Zonwering Dillingh hier gevestigd, Vaart Zuidzijde 76. Red.).'


Zoon Gerard, die bij een deel van het interview aanwezig was, vroeg aan z'n moeder: 'Ma vertel eens hoe jullie vroeger Sinterklaas vierden.' 'Dat vierden we niet', zei zijn moeder, mijn tante, 'we wisten nauwelijks dat we jarig waren. Ik herinner me wel een keer dat m’n moeder mooie appels aan de deur had gekocht en die wilde ze met Sinterklaas te voorschijn halen. Niemand mocht het weten, Marten, Janke en natuurlijk ook mijn vader niet, maar we moesten wel iedere week naar boven op zolder om te kijken of de appels nog goed waren. Dan draaiden we ze ook om. Maar we hebben geen Sinterklaas gevierd. Mijn vader wilde daar niets van weten, hij vond dat niet nodig, evenmin als het vieren van verjaardagen en kerstdagen. Je begrijpt wel. Mijn moeder had niet veel, zeg maar niets, te vertellen. Hoe het met die appels is afgelopen weet ik niet meer.'


Jannie van der Schootbrugge-Boonstra vervolgt: 'In het Compagnonshotel heb ik al heel jong leren dansen omdat ik vriendin was met het meisje, de dochter van de uitbater. Dat was leuk. Want er kwamen ook mensen met de tram, die door Appelscha reed, naar het Compagnonshotel. En dan mocht mijn vriendinnetje voor die mensen een beetje op de piano spelen. Dat was altijd heel gezellig. Als ik mij goed herinner heette mijn vriendinnetje De Vries van achternaam. Vanuit het Compagnonshotel is de familie toen verhuisd naar de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Ik heb ze daar later eens opgezocht.


Vanaf de lagere school ben ik naar Van der Zee in Gorredijk gegaan. Daar heb ik misschien twee jaar gewerkt, toen moest ik van mijn vader naar Apeldoorn. Dat moest van hem, want hij vond het nodig dat ik daar de opleiding voor leerling-verpleegster zou doen. Ik had daar helemaal geen zin in, maar mijn vader kende daar een verpleegster. Die had eerst in Appelscha in het sanatorium gewerkt en was een hele goede vriendin van een vrouwelijke dokter. Mijn vader kwam regelmatig in het sanatorium, want met sommige doctoren had hij goede contacten.

Die verpleegster en de vrouwelijke dokter hadden samen een groot huis laten bouwen aan de Jachtlaan in Apeldoorn. Daar moest ik toen heen van mijn vader, daar zou ik een goede opleiding krijgen. Veel later vermoedde ik dat ze lesbisch waren, maar toen in die tijd, omstreeks 1934, wist ik daar natuurlijk niets van. Maar het klikte blijkbaar toch niet zo goed tussen beide dames, want toen ik daar werkte en leerde heeft één van de twee zelfmoord gepleegd. Welke van de twee weet ik niet meer. Het was voor mij een schok, want ik vond haar in de tuin voor het huis en heb direct de buren gewaarschuwd.


Na dit drama wilde ik daar vandaan. Het gespaarde geld, zestig gulden (ruim 27 euro), waar ik trots op was, heb ik van de bank gehaald en daarna ben ik naar mijn ouderlijk huis in Appelscha aan de Drentseweg gegaan. Mijn vader zei dat ik nog wel opgeroepen zou worden als getuige, maar ik heb er nooit meer iets van gehoord. Heel vreemd.


Een paar weken later werd ik door mijn vader naar Hilversum gestuurd. Daar woonde mijn tante Sjoukje, de oudste zus van mijn vader, die was getrouwd met een aannemer: Jaap de Boer uit Lippenhuizen. Die ome Jaap had een paar huizen in Bussum gebouwd, maar hij kon ze niet allemaal kwijt en ging er bijna aan failliet. De jaren vóór de Tweede Wereldoorlog waren voor veel mensen slechte jaren. Hoe dat allemaal gegaan is met de verkoop van die huizen weet ik niet, maar op een bepaald moment had hij een hele grote villa in Hilversum gehuurd of gekocht. Daar hebben ze een pension van gemaakt. In dat pension heb ik gewerkt.


Met tante Sjoukje kon ik helemaal niet opschieten, wat een drama, maar ik heb er wel zes jaar gewerkt! Wat moest je anders? Je was allang blij dat je werk had. In die tijd leerde ik Jan van de Schootbrugge kennen, hij woonde in Hilversum en werd later mijn man. Gelukkig vond ik na al die jaren bij mijn oom en tante een ander werkhuis, toen was het al oorlog. Werken, vroeger heette dat dienen, bij een familie met een heel groot huis in Wassenaar. Daar woonde ik, net zoals bij mijn tante, bij in. De man van dat gezin is ambassadeur geworden in de Sovjet-Unie, dat was volgens mij nog in de oorlog (de familie Helb, gvds). In Wassenaar woonde ik dicht bij Jan uit Hilversum. Jan werkte toen in Den Haag.


De familie waar ik toen diende had, in tegenstelling tot de meeste Nederlanders, heel veel eten in huis. Dat voedsel lag boven op zolder, achter hekken. Allemaal balen rijst en veel blikken met hammen, ja en nog veel meer. Maar de hekken zaten op slot en de vrouw des huizes had de sleutel, dus konden wij als diensters (er was nog een meisje) er niet bij komen. Maar op een dag gebeurde er iets .... Het tweede meisje, ik was het eerste meisje, ja, we hadden ook nog een rangorde, had een dag vrij en ik dacht, oh jee, dat arme kind krijgt nu de hele dag niets te eten. Het was immers oorlog, je kon niet zo maar ergens eten halen. Ik moest natuurlijk zoals elke dag het eten voor de familie verzorgen en alles wat daar bij hoorde, voordat ze aan tafel konden. Stiekem sneed ik voor her tweede meisje een dik plak ham af, ze zou dat van mij krijgen als ze die avond weer terugkwam. De plak ham verstopte ik helemaal achterin de bestekbak, maar dat rijke rotwijf van het huis vond het! Ze had ongemerkt gezien wat ik had gedaan en was zo verschrikkelijk kwaad op mij, dat ik echt bang was dat ze me weg zou sturen en dat wilde ik beslist niet. Waar kon je weer aan het werk komen? In de oorlog en met de referenties dat ik ham had achtergehouden. Gelukkig kreeg ik geen ontslag.


Het dienstmeisje en ik kregen wel overal de schuld van. Onder het huis was een hele grote kelder waar ook de restjes van het eten bewaard werden. De zoon, een opgroeiende jongen, zat wel eens bij die restjes als hij trek had. Dat mocht niet van zijn ouders en daarom deed hij het stiekem. Maar zijn moeder, onze bazin, dacht dan weer dat wij, de dienstmeisjes, dat hadden gedaan en dan kregen we er weer van langs.


Regelmatig smokkelde ik in de oorlog eten naar buiten en verstopte het in het kolenhok dat opzij van het huis stond. Als Jan avonddienst had gehad, kwam hij met het trammetje van Den Haag naar Wassenaar en haalde dan met grote voorzichtigheid het eten uit het kolenhok. Ik heb heel wat eten naar het kolenhok gesleept. Voor Jan was het ook nog heel gevaarlijk, want het was daar spergebied in de oorlog.


Na de oorlog werd ik huisbewaarster van een advocatenkantoor in Wassenaar en moest voor de heren advocaten onder andere het ontbijt klaarmaken en serveren. Het grote huis schoonhouden de kachel stoken en alle klusjes doen die er te doen waren op huishoudelijk gebied, enz. Op een bepaald moment kon Jan voor zijn werk bij de politie terug naar zijn woonplaats Hilversum. Daar ging hij werken en dat wilden we ook heel graag. We woonden niet samen, oh nee, dat deed je niet in die tijd. Maar mijn werkgever(s) in het advocatenkantoor hadden bedacht dat wij dan maar op de bovenetage van dat grote huis moesten wonen en ze lieten al muren uitbreken om er een bovenwoning van te maken. Maar Jan en ik besloten bij zijn moeder in Hilversum te gaan inwonen. Ja, dat was wel een drama voor die mensen van het advocatenkantoor.


Nadat we getrouwd zijn hebben we nog een aantal jaren bij mijn schoonmoeder ingewoond. Onze eerste twee kinderen (Gerard en Lilian) zijn daar geboren. Later, in de jaren vijftig en zestig, gingen we meestal naar Appelscha op vakantie. Marten haalde ons in het begin op uit Hilversum, want wij hadden toen nog geen auto en zij wel. Wij logeerden dan een week, later wel eens twee weken bij mijn ouders aan de Drentseweg.


Jij, Appie, stond dan vaak al 's morgens op tijd voor de deur. We zagen je dan wel aan komen lopen vanuit de Smidslaan de Drentseweg op en dan zeiden we, "jongens schiet op, Appie komt er al aan." Veel gingen we het bos in, naar de zandvlakte, waar we diepe kuilen groeven en daar een soort auto van maakten. De jongens klommen wel in de bomen. We gingen naar het zwembad en ook wel eens een keer naar het openluchttheater.


Vissen was ook een veel voorkomende bezigheid in die vakanties. Dat kon ook haast nier anders, want mijn vader zat, als het maar even kon, langs het water van de vaart of één van de wijken. Vissen was zijn grote hobby. Voer maakte hij van havermout, aardappelen en oud

brood en de dobbers maakte hij zelf, van pauwenveren.


Gerard had, toen hij wat ouder werd, wel eens een vriendinnetje in Appelscha en dan was hij met een meisje bij de tent. Het kon dan wel eens gebeuren dat hij niet thuis kwam te eten. Dan vloekte mijn vader er weer op los en verkondigde dat hij geen eten meer kreeg als hij thuiskwam. Maar mijn moeder zorgde er wel voor dat Gerard niets te kort kwam. Ze gooide het eten niet weg.' (slot interview)


N.B. Ik heb deze tekst niet aangepast. Niet alle historische details zijn volgens mij helemaal correct. Het vertrek uit Den Haag vond plaats in 1944, kort na het huwelijk op 12 juli 1944.