Historie van de families

Schootbrugge en Boonstra


1. Inleiding en 2. Jan van de Schootbrugge

3. Jantje Boonstra

4. Jan en Jannie en meer

  1. Inleiding

 

In dit boekje heb ik geprobeerd de historie van het gezin waarin ik ben opgegroeid te beschrijven. Het gezin van Jan van de Schootbrugge en Jannie Boonstra. Wat was hun achtergrond? Hoe hebben ze elkaar gevonden? Hoe zijn ze samen verder gegaan?

Gegevens over hun voorgeschiedenis komen voor een deel uit openbare bronnen zoals die tegenwoordig in digitale vorm via internet zijn ontsloten. De herinneringen zijn deels van de auteur, deels afkomstig van mijn moeder en enkele familieleden van beide kanten. Ik noem in het bijzonder mijn ome Hendrik van de Schootbrugge, de laatst levende broer van mijn vader, mijn neef Appie Boonstra en mijn nicht Louise de Ruijter – van de Schootbrugge. Brokstukjes, onderweg bijeengeraapt. 

 

De tekst is niet bedoeld als een professioneel stamboomonderzoek. Het ging me meer om enkele herinneringen aan mijn ouders en een ruwe schets van de “omgeving” waaruit ze zijn voortgekomen achter te laten. Ik hoop dat ik hiermee vooral mijn kinderen en kleinkinderen, wellicht ook mijn broers Ben, Gabri en Erwin en mijn zuster Linda, en uiteraard familieleden een plezier kan doen.

 

Er komen veel namen langs van familieleden, vrienden en bekenden. De meesten hebben een respectabele leeftijd bereikt. Dat geldt helaas niet voor mijn zusje Lilian dat in 1956 op negenjarige leeftijd overleed aan een hersentumor. Het geldt evenmin voor mijn lieve dochter Maartje die niet ouder werd dan negentien jaar. Zij bezweek aan een zeer agressieve vorm van lymfeklierkanker. En welbeschouwd hoort ook mijn vader tot de pechvogels die veel te vroeg overleden. In zijn geval 52 jaar oud. Een gevolg van complicaties bij een buikoperatie.

 

In de volgende familiegeschiedenis komen veel meer gevallen voor van te vroeg gestorven kinderen. Het grote leed van vorige generaties waarvan wij ons nu nog nauwelijks een voorstelling kunnen maken. Al die gelijke namen in de stambomen.

 

Ik heb zelf de mogelijkheden niet gehad en deels ook laten lopen om uit de eerste hand historische informatie te verzamelen. Zo heb ik over de achtergrond van mijn grootouders nauwelijks iets gehoord. Ik voel dat nu, op mijn 75ste als een gemis. Vooral het verhaal van mijn vader is daardoor magerder dan hij heeft verdiend. Hij overleed toen ik 27 jaar was, lang voordat ik me voor mijn eigen voorgeschiedenis begon te interesseren. En toen ik uiteindelijk mijn moeder naar haar jonge jaren vroeg, miste ik de vragen die ik nu wel heb. Zij was toen al op hoge leeftijd, maar geestelijk nog volstrekt fit. Er zat ongetwijfeld nog veel informatie in haar hoofd, die ik er met de goede vragen uit had kunnen krijgen.

 

Geen stamboomverhaal, maar ik probeer wel zo hier en daar wat voorouderlijntjes door te trekken. Flitsen van een wat verdere voorgeschiedenis. Summier, maar hopelijk toch interessant. Verder heb ik het typisch anekdotische van de levensverhalen bij voorkeur als intermezzo’s gemarkeerd. Erg streng in de ordening van gegevens ben ik niet geweest. Dat heeft ertoe geleid dat er zo nu en dan heen en weer gesprongen wordt op de diverse tijdlijnen. Het verhaal bestaat uit vier delen: Jan, Jantje, Jan en Jannie, Jannie. Helaas vallen er zo hier en daar wat gaten, maar dat hoort ook een beetje bij zo’n project. Misschien zijn er onder de lezers die zich geroepen voelen om in de gaten te duiken….

 

Ik ontdekte een paar interessante parallellen in de levensloop van mijn vader Jan en moeder Jantje. Ga maar na, de voornamen, en verder:

 

Mijn moeder:

Opa Albert Boonstra:                                                                    geboren op 24 januari 1894

Oma Lipkje Boonstra – van Seyen:                                          geboren op 15 maart 1895

getrouwd op 6 september 1917

Jantje geboren in Gorredijk:                                                      9 februari 1918, eerste kind

 

Mijn vader:

Opa Gerrit van de Schootbrugge:                                            geboren op 25 december 1894

Oma Louise van de Schootbrugge – Huurdeman               geboren op 14 september 1895

                                                                                                              getrouwd op 8 augustus 1917

Jan geboren in Hilversum:                                                          4 januari 1918, eerste kind

 

Beide moeders waren bij hun trouwen dus vijf maanden in verwachting.

 

Net als mijn broers en zussen is mijn pakket erfelijke eigenschappen voor de helft afkomstig van mijn moeder Jantje Boonstra en voor de helft van mijn vader Jan van de Schootbrugge. Jantje op haar beurt kreeg de helft van haar moeder Lipkje van Seijen mee en de andere helft van haar vader Albert Boonstra. Jan ontving het pakket van zijn moeder Louise Huurdeman en van zijn vader Gerrit van de Schootbrugge. Deze generatie droeg dus elk voor een kwart bij aan mijn genetische paspoort. In het verhaal dat volgt neem ik ook de generatie daarvoor nog mee. Zij hadden elk een aandeel van een achtste. Dat gaat dus over de vader en moeder van oma Lipkje: Marten van Seyen en Jantje Bakker, de vader en moeder van opa Albert: Lucas Boonstra en Janke Jelsma, de vader en moeder van oma Louise: Johannes Huurdeman en Wilhelmina van der Hoek, en de vader en moeder van opa Gerrit: Jan van de Schootbrugge en Neeltje van der Weerd. Bij de laatsten moeten we een aantekening maken: Jan van de Schootbrugge was niet de biologische vader van mijn opa Gerrit. Die is onbekend. Er zit dus voor een achtste DNA in mij waarvan de oorsprong onbekend is.

 

Het is ook interessant om te bedenken dat zowel langs de lijn van mijn moeder als langs die van mijn vader in de genoemde generaties weinig rijkdom aanwezig was. In de lijn van mijn moeder ziet het er wat minder treurig uit dan bij mijn vaders voorouders. Zijn grootouders van beide kanten hadden het bepaald niet ruim. Over de hele linie is wel duidelijk dat mijn generatie in veel opzichten wel heeft meegelift met de naoorlogse groei van de welvaart die vooral na de Tweede Wereldoorlog spectaculair genoemd kan worden en waar vrijwel iedereen van heeft geprofiteerd.

 

Wat ook opvalt bij mijn grootouders en overgrootouders is het aantal kinderen dat ze op jonge leeftijd hebben verloren. Het herinnert ons er maar weer eens aan dat nog niet eens zo heel lang geleden het bestaan een stuk harder en wreder was dan tegenwoordig. Als mens verschilden onze voorouders niet wezenlijk van ons, maar hun wereld, hun omgeving, hun voorzieningen zagen er echt anders uit en ook de wijze waarop ze in het leven stonden verschilde ongetwijfeld sterk van de manier waarop wij tegen het leven aankijken en wat we ervan verwachten. Mijn ouders hebben een kind verloren, Lilian. Een intens trieste gebeurtenis die een zwaar stempel op het gezin van mijn ouders heeft gedrukt. Ook ons gezin is door een vergelijkbaar noodlot getroffen. Wij verloren in 1995 onze Maartje, 19 jaar oud. Groot verdriet, nooit helende pijn. Hoeveel moeten vorige generaties niet hebben geleden bij het verlies van zoveel kinderen?

 

2. Jan Johannes van de Schootbrugge

(1918 – 1970)

 

Mijn vader Jan Johannes van de Schootbrugge was het eerste kind van Gerrit van de Schootbrugge en Louise Cornelia Johanna Huurdeman. Hij werd op 4 januari 1918 in Hilversum geboren. Het precieze adres van zijn ouders op dat moment heb ik niet kunnen achterhalen.

Hij overleed veel te jong op 26 maart 1970, pas 52 jaar oud. Op exact dezelfde datum was veertien jaar eerder zijn dochtertje en mijn zusje Lilian overleden. Een ramp met ingrijpende gevolgen voor ons gezin.

 

Hierna wat informatie over zijn familieachtergrond en zijn jonge jaren tot circa 1938 als Jannie Boonstra in zijn leven komt. Ze trouwen in 1944. In deel 2 doen we hetzelfde voor mijn moeder. Daarna volgen we de lotgevallen van het gezin van Jan en Jannie.

Voordat we mijn vaders vroege historie beschrijven eerst een korte schets van zijn familiestructuur. Uit welk nest kwam hij? Er waren Huurdemannen (van moeders kant) en er waren Schootbrugges (van vaders kant). Over de eersten is wat meer bekend dan over de tweeden. De reden zal hierna duidelijk worden. We beginnen bij het geslacht Van de Schootbrugge.

 

2.1      Hoe je met een beetje geluk een Van de Schootbrugge kunt worden

 

Lang wist ik niet beter dan dat wij Schootbrugges een beperkte groep met een weinig voorkomende achternaam vormden, gevestigd in Hilversum. Het gaf iets chiques. Ik kan me nog goed herinneren dat ik op een zeker moment, veel later, door ’t Harde reed en daar tot mijn ontzetting de naam Schootbrugge op een uithangbord zag staan. Een onbekend familielid? Het voelde bijna als een inbreuk op onze familiestatus. Op de Veluwe had ik een ver en onbekend familielid gespot! Kon dat zo maar? Trouwens, wij in Hilversum waren allemaal katholiek. Op de Veluwe was dat wel anders.

Mijn nicht Louise van de Schootbrugge kwam wat later met het onthutsende gerucht dat onze opa Gerrit van de Schootbrugge waarschijnlijk een bastaardkind was. Geen echte Schootbrugge! Wij waren dus ook nogal gemankeerde Schootbrugges. Na een periode van ontkenning ben ik toen toch eens wat gaan snuffelen op Internet. Toen werd al snel duidelijk dat dit gerucht op waarheid berustte. Opa Gerrit was niet als Schootbrugge geboren, hij was het geworden toen zijn alleenstaande moeder, Neeltje van der Weerd, op 27 juli 1897 in Kampen in het huwelijk trad met ene Jan van de Schootbrugge, van beroep sigarenmaker.

Kampen was lange tijd een plek van grote sigarenbedrijvigheid. Deze Jan had de kleine Gerrit, geboren op 25 december 1894 en ten tijde van de bruiloft een peuter van twee en een half, als zijn zoon gewettigd zoals het in de huwelijksakte werd genoteerd. De start van een bastaardtak van het geslacht Van de Schootbrugge die in Hilversum vrucht zou dragen. Onze tak….

 

Intermezzo: Oude bronnen en een landgoed

Het geslacht Van de Schootbrugge vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in de omgeving van Doornspijk, het buurtschap Wessinge. Daar moet in de vroege Middeleeuwen, zo rond het jaar 800, al een nederzetting zijn geweest langs een riviertje dat in de Zuiderzee uitkwam. Dit stroompje heette de Scotan en de naam Schootbrugge zou zijn afgeleid van “brug over de Scotan”. Hieronder een passage uit een studie van Michiel van Putten uit 2018.

 

Omstreeks het jaar 800 worden goederen op de Veluwe geschonken aan de evangelieprediker Ludger. Later schenkt Ludger de goederen aan het klooster te Werden in Duitsland, dat hij gesticht heeft. In deze oude oorkondes (jaar 796, 805 & 806) wordt voor het eerst gesproken over Thornspiic (Doornspijk) waar verschillende geschonken goederen gelegen zijn.

“Wij wensen, dat bekend wordt aan allen, zowel de tegenwoordigen als de toekomstigen, dat ik Liudger, zoon van wijlen Redger en ik, Hiddo, zoon van wijlen Redger en ik, Hiddo, zoon van wijlen Herewinus, overgedragen hebben een deel van ons eigendom aan de bisschop Liudger tot heil van onze ziel en voor eeuwige opbrengst, in de buurschap welke heet Thornspiic, in deze twee plaatsen n.l. in Quarsingseli en in Berugtanscotan, al wat wij daar hebben gehad, hetzij krachtens erfrecht, hetzij ingevolge bezitneming (ontginning) of door andere verwerving welke ook maar, al deze dingen te zamen ongerept onverminderd, hebben wij aan bisschop Liudger zelf overgeleverd tot ons zieleheil, en wij willen dat het voor eeuwig overgeleverd is en op geen enkele tijd ooit verandert, maar tot hun eeuwig gebruikt en tot nut van de kerk van God, al wat hij er van zal hebben willen maken, dat hij hebbe vrije en zekere macht van onze zijde en van de mensen.”

 

Volgens Veen et al. wordt met de naam Berugtanscotan het goed Schootbrugge aan de Bovenweg in wat nu Doornspijk heet verstaan.

(Pag. 44, Buitengewoon Wessinge, De nederzettingsgeschiedenis en bezitsverhoudingen van de buurtschap Wessinge in de Middeleeuwen. Met een detailstudie naar het voormalige landgoed De Haere in de periode 1758-heden. Masterscriptie Landschapsgeschiedenis, RUG, 16-09-2018, Ing. M.J. (Michiel) van Putten)

 

Ter aanvulling: Het erf de Grote Schootbrugge met toebehoren, wordt door Henric Witten verpacht aan Henric Willemsen en Webbetje Harms, echtelieden, met diverse bepalingen rakende de betaling van de pachtsom en eventueel bewonen van het huis door den eigenaar. Ten overstaan van Petrus Martinius, predikant te Nunspeet als getuige. Datering: 1694 juni 11.

 

Tussen de Berugtanscotan en de familienaam Van de Schootbrugge zitten nogal wat stappen en eeuwen. Ik heb die lange weg terug niet verkend.  Einde intermezzo.

 

Intermezzo: Het familiewapen.

Het was een mooie start geweest van een roemrucht geslacht, maar de Hilversumse tak past enige bescheidenheid, dat zal duidelijk zijn. Een harde les die in 2009 een voor mij nogal beschamend staartje kreeg. Wil, de jongste broer van mijn vader vierde zijn 75ste verjaardag in een zaaltje van de Emmauskerk aan de Kerkelandelaan 5 in Hilversum (mijn moeder woonde om de hoek op de Lutherhof 17). Kort daarvoor was er bij ons in Nootdorp via de post een opmerkelijke boodschap achtergelaten door fa. De Heraut uit Rotterdam, specialist in genealogie en heraldiek. De familie Schootbrugge zou een echt familiewapen bezitten. Tegen een redelijke vergoeding konden wij onze stamboom en het wapen toegestuurd krijgen. Het leek mij een mooie verrassing voor mijn ome Wil (en de rest van de familie).

Tijdens de feestelijke bijeenkomst vroeg ik op een zeker moment het woord en bracht de aanwezigen op de hoogte van dit lang verborgen gebleven familiegeheim. De opwinding was voelbaar. De mannelijke Schootbrugges werden op slag anders bekeken door de “kouwe kant”. Ome Wil was zichtbaar ontroerd toen ik hem het geschenk overhandigde. Toen de emotie wat was gezakt, schoot mijn ome Gerard mij aan, ook een broer van mijn vader. Of ik niet wist dat De Heraut al jarenlang bekend stond als een oplichtersclub die leefde van deze nepinformatie. Ik moest echt even slikken. Ga maar eens googelen adviseerde ome Gerard mij. Ik heb dat gedaan en het was direct duidelijk dat ik er op een vreselijke manier was ingestonken. Een gevoelige deuk in mijn familieblazoen. Fakenieuws! Einde intermezzo.

 

Mijn vader kreeg niet alleen de achternaam maar ook de voornaam van zijn opa Jan van de Schootbrugge: Jan Johannes van de Schootbrugge. De tweede naam komt van zijn grootvader van moeders zijde: Johannes Huurdeman. Hij zou zelf trouwen met een meisje dat Jantje Boonstra heette.

 

Intermezzo: Jan en alleman.

De lange arm van zijn opa (mijn vader Jan) bleek nog langer toen mijn zoon Bas ons in 2012 toevertrouwde dat zijn verwachte zoon, ons eerste kleinkind, Jan zou gaan heten. In onze contreien een nogal in ongebruik geraakte jongensnaam. Dus verbazing alom. Zijn jongere zussen Frouk en Brecht (tweeling) konden zich niet voorstellen dat iemand zijn zoon met zo’n ouderwetse naam opzadelde. Gemma en ik zagen dat anders. Een echte Hollandse jongensnaam, kom daar nog eens om. Het bleek uiteindelijk dat Oostenrijk een belangrijke rol had gespeeld in de keuze. De naam Jan bleek in Oostenrijk wel als bijzonder te worden ervaren en Bas is getrouwd met Sabine, een Oostenrijkse, vandaar.

Hoe dan ook, er kwam dus weer een Jan in de familie. En wat voor een. Bas meende te weten dat mijn moeder, zijn oma, Jantje heette. Als dat niet aardig was. Hij was duidelijk niet op de hoogte van het feit dat zijn opa, mijn vader, Jan heette. Hij heeft hem niet gekend. En zo kreeg de leuke Oostenrijkse voornaam ineens een aanzienlijke Hollandse staart. Iedereen blij. Einde intermezzo.

 

Intermezzo: Kampen

We gaan verder met het verhaal van Jan van de Schootbrugge uit Kampen. Jan was bij zijn trouwen sigarenmaker. Kampen was lang de sigarenstad van Nederland. Vanaf 1825 werden er talloze fabrieken opgezet. Eind 19de eeuw was een derde van de Kampense werkende klasse actief in de sigarenindustrie. In 1892 waren er al 34 fabrieken, een aantal dat nog zou oplopen tot circa 110. Later zou ook zijn aangenomen zoon, mijn opa Gerrit, op zijn veertiende, dus rond 1908 in de sigaren gaan werken, als sigarensorteerder, ongetwijfeld een rang onder die van sigarenmaker. Mogelijk in het bedrijf waar ook zijn vader Jan werkte, maar dat is mij niet bekend. Einde intermezzo.

 

Als Jan van de Schootbrugge en Neeltje van der Weerd op 29 juli 1897 trouwen, is Jan 34 en Neeltje 26 jaar. In de huwelijksacte verklaart Jan dat hij de kleine Gerrit, het dan ca. 2,5 jaar oude zoontje van Neeltje, wettigt als zijn zoon. Jan werd in 1864 geboren, Neeltje was van 1871. Zij wordt geboren in Kampen. Haar vader, Harmen van der Weerd, is dan 27 jaar en ook al sigarenmaker. Hij is getrouwd met Hendrika Aarts. Zouden Jan en Harmen elkaar gekend hebben van de sigarenfabriek?

Neeltje overlijdt op 60-jarige leeftijd op 27 december 1931. Zij woont dan met Jan in Purmerend op het adres Gouw 1. Haar man Jan, mijn overgrootvader, overlijdt op 30 mei 1939, ook in Purmerend, op de leeftijd van 75 jaar.

 

Om de stamboom nog een stap verder terug te leiden, melden we, ook vanwege de oorsprong van de voornamen, nog dat Jan een zoon was van Hendrik van de Schootbrugge (1821 – 1894) en Jannigje Franke. Deze Hendrik was eerder getrouwd (1853) met Margje Splinter die in 1859 overleed (zij kregen vier kinderen: Berendje, Berendje, NN, Gerrigje). Vervolgens trouwde hij in 1859 opnieuw met Willempjen Voerman die al twee jaar later in 1861 overleed (een kind: Jentien) en tenslotte voor de derde maal in 1861 met Jannigje Franke (negen kinderen, waarvan er 4 – 5 jong overlijden). Uit dit derde huwelijk stammen overgrootvader Jan (1864) en zijn zus Beertje (10 december 1873). Beertje overlijdt in 1955 en kreeg 8 kinderen. Van bet-overgrootvader Hendrik vonden we dat hij in 1864, bij de aangifte van de geboorte van zoon Jan, als beroep karman opgaf (voerman en/of vuilnisophaler).

Zoon Jan, mijn overgrootvader, werd geboren op het adres Groenestraat 96, Wijk 4, Kampen. In 1873, bij de aangifte van de geboorte van zijn zus Beertje, moest vader Hendrik erkennen dat hij het schrijven niet machtig was. Beertje kwam op 10 december 1873 ter wereld op het adres Kalverhekkenweg 147, Wijk 4, Kampen. Het is wel duidelijk dat we niet met een welgesteld milieu te maken hebben.

                Over de vroege jeugd van opa Gerrit bij zijn moeder Neeltje is weinig bekend. Belangrijkste vraag is wel wie zijn biologische vader is geweest. Misschien is er in de familietak van Beertje, de zus van Jan, nog informatie te vinden over de vroege geschiedenis van haar broer. Daarom nog het volgende.

Beertje trouwde in 1895 (kort na de geboorte van opa Gerrit op de eerste kerstdag van 1894, maar dit terzijde) met Hendrik Jan Feenstra. Broer Jan was getuige. Op 6 juli 1944, op haar 71ste,  trouwde ze in Kampen opnieuw, nu met Johan August Fasse. Ik schrok even toen ik deze naam tegenkwam. Hij leek me nogal Duits en dan 1944. Maar Johan August bleek in 1877 in Zaandam geboren te zijn en hij was later in Kampen sigarenmaker geworden. Wat anders?

Beertje van de Schootbrugge overleed in 1955, Johan August Fasse in 1958. Beertje kreeg met haar eerste man Hendrik acht kinderen: Anne (1896), Rika (1897), Reina (1899), Hendrik (1901), Marinus (1902), Jannigje (1905), Berendina (1908) en Kitty (1914). Misschien horen hier kleinkinderen bij die zich in hun familiegeschiedenis hebben verdiept. Al deze kinderen dragen de naam Feenstra. Dit voor al wie zich geroepen voelt verder te spitten.

 

In de historie van Jan en Neeltje zitten nogal wat gaten. Het lijkt er op dat het gezin een aantal keren is verkast. Niet duidelijk is waarom. Het meest voor de hand ligt dat Jan voortdurend op zoek was naar werk. Welk werk, behalve sigarenmaken, is onbekend. Er zijn in het gezin ook onwaarschijnlijk trieste dingen voorgevallen. Uiteindelijk landde het intussen flink uitgebreide gezin in Purmerend, de eindbestemming. Waarom Purmerend is niet duidelijk.

2.2      Het gezin van Jan van de Schootbrugge Sr. en Neeltje van der Weerd

 

Jan en Neeltje kregen samen de volgende kinderen:

 

-              Hendrieka (Riek), geb. 16-11-1897, Kampen, Voorstraat, ovl. 25-07-1961. Trouwt op 27 oktober 1917 met Harm van der Voort die in Steenwijk is geboren. Van beroep schuitenvoerder. Zij krijgen een dochter Rinie van der Voort. Komen in Amsterdam terecht.

-              Hendrik, geb. 1900, Utrecht, ovl. 20-02-1903 (20.00 uur), Kampen, 3 jaar

-              Jannegje, geb. 1901, Kampen, ovl. 21-01-1903 (9.30 uur), Kampen, 2 jaar

-              Herman, Geb. 1902, ovl. 08-01-1903, Kampen, 11 maanden

-              Jannegje (Jannie), geb. 18-11-1903, Alkmaar, ovl. 9-08-1948 Purmerend, trouwt in 1923 in Purmerend met Jacob Kersloot (1894 – 1974) die een groentezaak had in Purmerend. Kregen twee kinderen. Mijn vader logeerde er wel eens.

-              Hendrik (Henk), geb. 13-07-1906, Oudshoorn (Alphen a/d Rijn), Trouwt op 17-10-1936 in Purmerend met Hermina Nat uit Purmerend. Vier kinderen. Hun zoontje Klaas geb. 1939, overlijdt op 20 juli 1946 op zevenjarige leeftijd. Dochter Neeltje (geb. 1937). Nog een zoon en dochter.

-              Neeltje, geb. 17-06-1909, Brink en Orden, Apeldoorn, ovl. 29-06-1914 (5 jaar)

-              Harmen, geb. 19-07-1910, Purmerend, ovl. 29-06-1914 (3 jaar)

-              Cornelia Hermijntje (Corrie), geb. 24-03-1914

-              En dan de oudste, Gerrit, geb. 25-12-1894, mijn grootvader, door zijn vader Jan als zoon gewettigd, waarvan de biologische vader dus niet bekend is.

 

2.3      Trieste feiten

In 1903 overleden in Kampen Hendrik (3 jaar) en Jannegje (2 jaar) een dag na elkaar. Zes weken daarvoor was de kleine Herman, 11 maanden oud, ook al overleden. In zes weken drie jonge kinderen verloren! Een besmettelijke ziekte? Vervuild water? Ik ben er niet achter gekomen.

Een paar jaar later slaat het noodlot nogmaals toe. Nu in Purmerend. Twee van de kinderen, Neeltje en Harmen, 5 en 3 jaar oud, overlijden op dezelfde dag op 29 juni 1914. Het gezin woont dan op het adres Hekkerstraat 88, Purmerend. De oorzaak heb ik niet kunnen achterhalen. Bijzonder is het wel: twee keer twee kinderen vrijwel tegelijk verliezen.

 

2.4      Woonplaatsen Jan van de Schootbrugge

Jan van de Schootbrugge werd in 1863 in Kampen geboren. In 1887 staat hij in Zutphen ingeschreven. In mei ’88 is hij weer terug in Kampen. In april ’89 verhuist hij van Kampen naar Nijehaske. In Utrecht is hij ingeschreven op 25 mei 1899. Hij woont daar op de Stroomkade 8 en de Frederikshof 16. Op 29 juli 1897 trouwt hij in Kampen met Neeltje van der Weerd en wettigt daarbij haar zoon Gerrit als Gerrit van de Schootbrugge. Op 5 oktober 1899 wordt hij uit Utrecht uitgeschreven en gaat dan weer naar Kampen. Blijkbaar is hij op enig moment naar Alphen a/d Rijn vertrokken. Op 3 mei 1905, dan met Neeltje, vertrekt hij uit Alphen a/d Rijn. Vervolgens verblijft hij in Apeldoorn. Op 13 september 1909 arriveert hij in Purmerend. Met Neeltje en zijn kinderen: Gerrit, Hendrieka, Jannegje, Hendrik en Neeltje en Gerrit. In Purmerend worden Harmen en Cornelia Hermijntje geboren. Neeltje en Harmen overlijden jong. Gerrit, Hendrieka, Jannegje en Hendrik bereiken de volwassenheid en stichten zelf een gezin. Over Cornelia Hermijntje heb ik geen gegevens gevonden. Zij is in ieder geval niet op jonge leeftijd overleden. Hoe Jan op al die plekken zijn brood verdiende heb ik niet terug kunnen vinden.

 

 

2.5      Het gezin van Johannes Huurdeman en Wilhelmina van der Hoek


De Huurdemantak komt uit Hoevelaken met vertegenwoordigers in Amersfoort. Johannes Huurdeman (broodbakker, geb. 1832, Hoevelaken, ov. 1918, Stoutenberg) trouwde in 1856 in Hoevelaken met Marghareta Middelaar (1831 – 1924). Zij kregen zeven kinderen: Aleida (1857-1935), Johanna (1858-1922), Gerarda (1860-1865), Wilhelmus (1862-1862), Wilhelmus (1863-1938), Johannes (1867-1915), Gerarda (1869-1898). De op een na de jongste is weer een Johannes, de vader van mijn oma en de grootvader van mijn vader (van moeders kant). Mijn vader (van 1918) heeft zijn grootvader niet gekend maar hij moet zijn overgrootmoeder Marghareta Middelaar nog hebben meegemaakt.

 

Johannes Huurdeman (geb. 21 april 1867, Hoevelaken, ovl. 30 augustus 1915, Hilversum) en Wilhelmina van der Hoek (geb. 14 mei 1874 in Arnhem, ovl. 22 januari 1942 in Hilversum) trouwen op 22 mei 1895. Ze zijn rooms-katholiek. Johannes is dan 28 jaar. Komend uit Arnhem (waar hij naar alle waarschijnlijkheid Wilhelmina heeft leren kennen) werd hij op 27 december 1894 in Utrecht ingeschreven. Wilhelmina wordt op 24 mei 1895 (komend uit Arnhem) ingeschreven, direct na hun huwelijk. Kort daarvoor was Johannes op 29 april 1885, komend uit Hoevelaken, samen met (of bij?) zijn tien jaar oudere zus Aleida gaan wonen op de Korte Viestraat 29 Utrecht, ongetwijfeld omdat hij in Utrecht een aanstelling als politieagent had gekregen.

Kort na hun huwelijk vestigen Johannes en Wilhelmina zich op 5 juni 1895 op het adres Thinstraat 9 te Utrecht, waar op 9 september 1895 hun eerste kind, Louise Johanna Cornelia (mijn oma), wordt geboren. Wilhelmina was dus al ca. 5 maanden in verwachting toen ze trouwde. Zus Aleida verhuist op 1 september 1896 naar de Eerste Daalschedijk 97. Op 3 november 1996 wordt Jan Huurdeman geboren. Op 31 januari 1898 verhuizen Johannes en Wilhelmina met hun kinderen Louise en Jan naar Eemnes, adres Wijk B, nr 188, later naar nr 146. Johannes, ook in Eemnes bij de politie (gemeente-veldwachter), is een reusachtige kerel waarvan mijn vader vertelde dat hij in zijn eentje zorgde dat de kroeg in Eemnes (aan de Wakkerdijk?) zich aan de sluitingstijd hield. De oudste dochter Louise (mijn oma) woont van 18-09-1899 tot 30-10- 1900 in Arnhem (ca. 5 jaar oud; waarschijnlijk bij familie van haar moeder). Reden onbekend.

 

Intermezzo. Wel 200 jaar in Eemnes een café op de plek van “Schippers Welvaren”

Op woensdag 26 oktober 2016 vierde de familie Staal in familiekring het feit dat café “Schippers Welvaren” of “Café Staal” exact 100 jaar in de familie was. Peters opa, Gert Staal, kreeg toen de vergunning van de gemeente Eemnes om ‘in zijn voorvertrek’ te mogen schenken ‘sterke drank in het klein’. Hij had de zaak overgenomen van Wouter “Schepie” Czn. Hagen die er een ‘koffiehuis’ had en zijn vergunning had ingeleverd. Deze Wouter Czn Hagen zat er al sinds 2 maart 1886 toen hij als ‘voorheen landbouwer, thans kastelein’ de zuidelijke helft van het pand (Wakkerendijk 23) kocht van zijn neef en timmerman Wouter Wzn. Hagen, die de noordelijke helft bewoonde. De geschiedenis van tapperijen op deze plek is nog veel ouder. Die gaat met een paar vage perioden in elk geval aantoonbaar terug tot 1816, toen in het huis de weduwe Hendrina van de Kuijnder (1773-1848) woonde. In 1816 hertrouwde ze als ‘herbergierse’ met Meijns (of Mensch) Dop (1787-1850). De familie Dop zou sindsdien meer dan een eeuw hun stempel drukken op deze hoek bij de haven.

Einde intermezzo.

 

Op 11 november 1905 verhuizen Johannes en Wilhelmina vanuit Eemnes naar Hilversum. Hun oudste dochter Louise is dan 10 jaar oud. Ze hebben intussen zeven kinderen. In Hilversum worden Cornelia (tante Cor) en voorts nog drie kinderen, die heel jong overlijden, geboren. De reden  van de verhuizing is mij niet bekend. Op 28 juli 1913 overlijdt dochter Grietje. Bij de aangifte staat vader Johannes dan vermeld als los werkman. Eenmaal verhuisd naar Hilversum is hij blijkbaar niet meer bij de politie gaan werken. Dat roept de vraag op wat de reden was van de verhuizing van Eemnes naar Hilversum. Als Grietje overlijdt woont het gezin op de Palmstraat 41 (nu Swammerdamstraat) in Hilversum, een van de armzaligste plekken van Hilversum, hemelsbreed niet ver van de Huygensstraat. In de Palmstraat woonden Johannes en Wilhelmina dus met acht kinderen! Johannes overlijdt op 30 augustus 1915 ’s middags 15.00 uur op het adres Palmstraat 41. Hij werd 48 jaar. Als beroep wordt dan fabrieksarbeider genoteerd.

 

Intermezzo: Palmstraat

De Palmstraat is genoemd naar kolonel Palm, die in 1673 met zijn mariniers de Fransen uit Naarden verdreef. In 1939 werd in Bussum de Kolonel Palmkazerne in gebruik genomen. Als de rode bal was gehesen werd er op de hei geschoten. In mijn jeugd struinden we vaak de hei af op zoek naar hulzen.

In Hilversum waren het o.a. de tapijtfabrieken (Veneta, C. van den Brink aan de Huygensstraat) en de haardenfabriek van Jaarsma die rond 1961 Italiaanse en Spaanse gastarbeiders begonnen te werven. Andere bedrijven in Hilversum waar (later) gastarbeiders werkten, waren Philips, de Verenigde Schroevenfabrieken Hilversum, drukkerij De Boer en de verbandmiddelenfabriek van Beijersdorff. In 1976 woonden in Hilversum 1104 gastarbeiders, waarvan meer dan de helft Marokkanen. Deze mensen werkten niet alleen in Hilversum, maar ook in andere plaatsen in de omgeving. Een deel van de Hilversumse gastarbeiders woonde in behoorlijke pensions, maar velen ook in schandalige krotten. Vooral de Palmstraat kreeg daardoor een slechte naam.

De Palmstraat lag tussen de Larenseweg en de remise van de Gooise Stoomtram. Gebouwd in 1897 door aannemer W.H. Westerhout uit Utrecht, dus negentiende-eeuwse speculatiebouw. Het was altijd al een buurtje waar sociaal zwakkeren woonden. Vanaf de jaren ’70 kwamen er vooral buitenlandse werknemers met hun gezinnen te wonen, niet in de laatste plaats omdat de woningen

toen al tot de slechtste van Hilversum behoorden en voor een appel en een ei gekocht konden worden. In de aanloop naar de 2de Kamerverkiezingen bracht in 1983 Dries van Agt een bezoek aan de straat wat nogal wat opwinding veroorzaakte. In 1984 besloot de gemeenteraad dat de buurt fors vernieuwd moest worden.

Medio 1988 viel het laatste krot onder de slopershamer en kon de nieuwbouw van start. Om de nieuwe straat niet te belasten met de wel heel slechte naam die de Palmstraat had, besloot de gemeenteraad het straatje te herdopen tot Swammerdamstraat. Einde intermezzo.

 

In 1928 komen in Hilversum de woningen aan de Marconistraat beschikbaar. Rond die tijd heeft Wilhelmina van der Hoek zich daar gevestigd, met haar ongehuwde dochter Mien en vlak naast de woning van het gezin van haar oudste dochter Louise en Gerrit (mijn oma en opa) die daar waarschijnlijk ook in dezelfde periode zijn neergestreken vanuit de Huygensstraat, maar dan op nr 22. Later verhuisden ze naar het adres Huygensstraat 33.

 

Johannes Wilhelmus Huurdeman en Wilhelmina van der Hoek krijgen de volgende kinderen (ooms en tantes van mijn vader):

 

-              Louise Cornelia Johanna (oma Louise, Wies), geb. 09-09-1895 Utrecht (Thinsstraat 9), ovl. 25-09-1974 Hilversum, trouwde op 8 augustus 1917 Hilversum met Gerrit van de Schootbrugge, geb. 25 december 1894 Kampen, ovl. 21 oktober 1965 Hilversum. Zij was lange tijd de spil waarom onze Hilversumse Schootbrugge-tak draaide.

-              Johannes Cornelis (Jan), geb. 03-11-1896 Utrecht (Thinsstraat 9), ovl. 1993 Hilversum, trouwde met Gijsbertje Elisabeth Lankrijer (Bets, geb 19-1-1899), was meubelmaker, had een werkplaats in de Cornelis Drebbelstraat, Hilversum (schuur achter zijn woning), dochter Teuntje “Tonny” Huurdeman (9 juli 1922 - 16 oktober 1991), werd een redelijk bekende artieste. Zij trouwde in 1945 met Philippus Poort en in 1958 voor de tweede keer met Peter Bast.

Ome Jan werd in 1916 ingeschreven in het Militaire Register. In 1936 zat zijn dienstplicht erop. Ome Jan en tante Bets waren heel actief in het Hilversumse toneelgezelschap Justus. Zij hadden een papagaai die onder meer riep: “Bets, kom je praten?”. Het beestje had duidelijk behoefte aan een praatje en Bets praatte veel. Zij kwam vaak bij schoonzus Louise praten (woonde bij haar in de buurt). Ik zie haar nog zitten aan de keukentafel in de keuken van Huygensstraat 33. Zij kon huilen op afroep. Zij was dan ook een geboren toneelspeelster. De toneelrequisieten lagen bij ome Jan op de vliering van zijn werkplaats. Jan verhuisde vanuit de Palmstraat 41 op 16-4-1928 (moeder Wilhemina van der Hoek was daar toen al uit; is Jan daar blijven wonen?) naar het adres Palmstraat 1B en vandaar op 30-11-1938 naar de Corn. Drebbelstraat 7.

-              Wilhelmina (Mien), geb. 10-09-1898 Eemnes, ovl. …. Bleef lang alleen. Op 17 oktober 1917 wordt ze in Hilversum ingeschreven als dienstbode. Woonde / werkte onder meer op de volgende adressen: Naarderstraat 7, Sterrenlaan 9 en Hoge Laarderweg 6. Woonde later bij haar moeder Wilhelmina van der Hoek, onder meer in de Marconistraat. Trouwde uiteindelijk op 20 juni 1945 in Hilversum met Christiaan Roest (geb. 04-03-1899, ovl. 20-07-1964). Mien was voor zover ik me herinner het zwarte schaap van de familie. Ik kan me in ieder geval niet heugen dat ik haar ooit bij mijn oma heb gezien. Haar naam werd zelden genoemd en meestal in een sfeer van onmin. Mijn ome Henny (broer van mijn vader) vertelde ooit dat er tijdens zijn communiefeest (1934) onenigheid ontstond tussen de zussen Mien en Grada waardoor zijn hele feestje in het honderd liep. Sindsdien had hij een hekel aan zijn tante Mien.

-              Gerarda Margaretha (Grada), geb. 05-08-1900 Eemnes, ovl. 01-12-1952 Hilversum, getrouwd op 07-01-1920 met Pieter van Velsen (geb 21-08-1897, ovl. 13-03-1959), groenteman met ventvergunning in Bussum (ook nog in Hilversum). Eerst met paard en wagen, later met een driewielauto (Dreirad), adres: Leeuwerikstraat 31, Hilversum. Zij bleven kinderloos. Hadden wel twee vervaarlijke bouviers die gewenst en ongewenst bezoek danig wisten af te schrikken. Mijn vader ging met enige regelmaat op bezoek en ik ben vaak met hem mee gegaan (achterop de fiets). Tante Grada bewaarde voor mij de sigarenbandjes. Ome Piet was een grote kerel en nogal dominant. Zijn echtgenote had weinig te vertellen. Mijn ome Henny hielp hem wel eens. Weet nog dat ome Piet na een dag venten bij een slager op de Jan van der Heijdenstraat een bal rauwe gehakt kocht en die vervolgens ook rauw verslond. Als jochie had hij meegemaakt dat ome Piet op Oudejaarsavond op bezoek kwam op het adres Huygensstraat 33 met twee grote emmers vol oliebollen. De jonge kinderen, waaronder Henny, waren al naar boven gestuurd. Maar ome Piet haalde ze uit hun bed voor een maaltje oliebollen.

-              Ludovicus Joldert (Luuk), geb. 05-04-1902 Eemnes, ovl. 1984 Edam, woonde in Edam, Spuistraat 15. Hij was meubelmaker net als zijn oudste broer Jan. Trouwde op 03-04-1926 in Edam met Trijntje Meulenbroek (geb. 28-08-1904 Alkmaar, ovl. 1987). Trijntje ontving bij koninklijk besluit d.d. 19 – 12 – 1963 de onderscheiding in zilver in de Orde van Oranje – Nassau voor haar functie als organiste van de Doopsgezinde Gemeente te Edam. Kees Meulenbroek was met zijn Rietje een trouwe bezoeker op de Huygensstraat. Zij waren met name goed bevriend met mijn tante Miep die lang bij oma en opa heeft ingewoond. Volgens mijn ome Henny was Kees Meulenbroek een jongere broer van Tante Trijn. Kees werkte bij de NSF en heeft ook enige tijd op de Huygensstraat 33 bij Louise en Gerrit een kamer gehuurd voor tijdelijk onderdak.

-              Cornelis Wilhelmus (Kees), geb. 1903 Eemnes, ovl. 1981 Hilversum, monotypegieter (degene die de gietmachine van de monotype bediende; met de monotype werden identieke prenten gedrukt), werkte in Amsterdam. Trouwde in februari 1933 met Adriana Petronella Karhof, tante Jeanne (Sjaan), (geb. 18-10-1907 Amsterdam, ovl. 21-0-1976 Hilversum). Vier dochters: Wilhelmina Gerdina (Miep) (geb. 2-9-1934), Gerdina Wilhelmina (Gerda) (geb. 19-10-1936), Louise Johanna (Wies) (geb. 6-9-1938) en Hanneke (geb. ca. 20 april 1948). Laatste adres: Hertog Aelbrechtstraat, Hilversum. Eerder op de Voltastraat 42. Ome Kees was een verwoed duivenmelker en ging prat op zijn status als BOD-er: Buitengewone Opsporingsdienst. Mijn vader ging geregeld met hem op de fiets naar boer Roodhart in Eemnes (op donderdagavond?). Kwamen dan regelmatig met een zak aardappelen thuis. Deze boer Roodhart woonde op Laarderweg 19 en had mijn vaders grootvader, Johannes Huurdeman, de veldwachter, nog gekend. De dochters van ome Kees Huurdeman pasten soms op toen wij in de Stalpaertstraat (in de buurt) woonden en Gabri, Erwin en Linda nog klein waren. Gerda was peettante van mijn zusje Linda.

-              Aleida (Alie), geb. 04-06-1905, Eemnes, op 11 december 1929 in Hilversum getrouwd met Hendrikus Lambertus Antonius van de Pavert (Henk) (geb. 23-05-1903 Brink en Orden, Apeldoorn), politieagent en zoon van een hoofdconducteur. Zij vestigden zich in Bloemendaal. Op 3 april 1945 vindt er in Bloemendaal een overval plaats. Voor het bureau worden hoofdagent (hoofdwachtmeester) H. Bikkel en de agent (opperwachtmeester) H.L.A. van de Pavert neergeschoten. Bikkel dodelijk, vd Pavert in een long. Hij overleeft. Henk en Alie krijgen een groot gezin. De jongste is een jongen met het Down-syndroom.

-              Cornelia Esselina (Cor), geb. 03-09- 1906 Hilversum, ovl. 05-05-1997 Haarlem. Getrouwd op 08-08-1934 in Hilversum met Theodorus Johannes Angenent (Theo, geb. 21-08-1910 Wageningen, ovl. 14-03-1977 Haarlem). Machinist bij de NS. Dochter Corrie (geb. 3 april 1937 in Rotterdam). Ome Theo kon veel hebben maar niet als de NS werd aangeduid als Het Spoortje. En dus werd hij daar regelmatig mee geplaagd als hij op bezoek was in Hilversum.

-              Grietje, geb. ca. 23 mei 1908 Hilversum, ovl. 21-08-1910, Hilversum

-              Kind, doodgeboren meisje, 23 januari 1911, Hilversum, Palmstraat 41

-              Grietje, geb. augustus 1912 Hilversum, ovl. 27-07-1913 Hilversum, Palmstraat 41

 

Johannes Huurdeman overleed in 1915. Waarschijnlijk woonde het gezin toen nog in de Palmstraat. Later, rond 1928 heeft zijn echtgenote, Wilhelmina van der Hoek, een woning op de Marconistraat gekregen (mogelijk nr. 16) naast dochter Louise die op nr 18 woonde. Daarvoor heeft ze, volgens mijn ome Henny, nog in de Vogelenbuurt gewoond (bij de gasfabriek). Wilhelmina heeft nog enige tijd een relatie gehad met iemand waarvan we de naam niet kennen. Mijn ome Henny wist nog wel dat het een voormalige KNIL-soldaat was die nog in Atjeh had gevochten en die steevast in huilen uitbarstte als hij het Wilhelmus hoorde.

 

Deze Huurdemannen heb ik allemaal goed gekend (op een enkele uitzondering na). Jan, Grada en Kees woonden in Hilversum (in de buurt) en kwamen zeer geregeld bij Gerrit en zus Wies (mijn opa en oma) op de Huygensstraat. Ook Cor en Theo uit Haarlem waren er vaak. Alie en Henk uit Bloemendaal kwamen ook graag maar zij hadden een groot gezin met als jongste een zoontje met Down. Dat beperkte hun bewegingsvrijheid. Broer Luuk met echtgenote Trijntje uit Edam waren er wel op belangrijke evenementen.

De relatie met de familie van opa Gerrit van de Schootbrugge was duidelijk wat minder hecht. Daarbij zal de speciale positie van opa in het gezin van Jan van de Schootbrugge en Neeltje van der Weerd mogelijk hebben meegespeeld. Hij was immers een halfbroer van de andere kinderen en niet de biologische zoon van zijn vader Jan. Op het 25-jarig huwelijksfeest van Louise en Gerrit in 1942 hebben we op de groepsfoto zijn halfbroers en -zussen Riek, Hendrik, Luuk en Jannie wel kunnen terugvinden.

 

2.6      Het gezin van Gerrit van de Schootbrugge en Louise Huurdeman


Opa Gerrit heeft alleen de Lagere School genoten. In 1913 wordt hij in Purmerend ingeloot voor de militaire dienst. Op 25 juni 1913 wordt hij goedgekeurd. Hij meet 1,69 meter lang. Hij wordt in 1914 (19 jaar oud) ingedeeld bij de geneeskundige troepen en komt dan in zijn diensttijd waarschijnlijk in Hilversum of omgeving Amersfoort zijn aanstaande bruid Louise Johanna Cornelia Huurdeman tegen.

 

Twaalf jaar na de verhuizing van het gezin van Johannes Huurdeman naar Hilversum treedt oudste dochter Louise Huurdeman op 8 augustus 1917 in het huwelijk met Gerrit van de Schootbrugge die op dat moment (WO 1) nog in het leger zit. Het vraagt wel van Gerrit dat hij zich bekeert tot het geloof van zijn vrouw, rooms-katholiek. Mogelijk is het kerkelijk huwelijk in de Onze Lieve Vrouwe Kerk op de Naarderstraat in Hilversum gesloten. Overigens wordt Gerrit pas op 31 augustus 1920 als nieuwe ingezetene van de gemeente Hilversum als gezinshoofd vermeld (bericht in de Gooi- en Eemlander). Waarschijnlijk kwam hij toen pas uit dienst. Hij was onder meer gelegerd in Zuid-Limburg en kreeg daar te maken met lijders aan de zeer gevaarlijke Spaanse Griep. In genoemd bericht staat dat Gerrit zich vestigt op het adres: Huijgensdwarsstraat 45. Deze straat bestaat nu niet meer. Hij lag in het verlengde van de later aangelegde Leeuwenhoekstraat en is hernaamd in Leeuwenhoekstraat toen het deel van de Leeuwenhoekstraat richting Cornelis Drebbelstraat werd aangelegd. De Huygensdwarsstraat liep van de Huygensstraat naar de Simon Stevinweg (richting spoorlijn).

                Ik heb niet kunnen achterhalen waar Gerrit en Louise na hun trouwen zijn gaan wonen. Op een document van de gemeente Hilversum van 18 juni 1940, verband houdend met mijn vaders intrede bij de Haagse gemeentepolitie, staat dat hij sedert 2 maart 1920 woonachtig is in Hilversum. Klopt met de gegevens hierboven. Niet duidelijk is het gegeven op de achterkant van een foto waar Louise op staat samen met een Indonesische jonge vrouw Thasmini Sosro, datum 10 oktober 1917, plaats Huygensdwarsstraat 45. Het is duidelijk te zien dat Louise in verwachting is van mijn vader. De vraag blijft waar het gezin van Gerrit en Louise tussen 1917 en 1920 heeft gewoond. En op welk adres Jan, mijn vader, is geboren.

 

Gerrit en Louise kregen de volgende kinderen:

 

-              Jan Johannes (Jan), mijn vader, geb. 04-01-1918 Hilversum, ovl. 26-03-1970 Hilversum. Trouwde op 12-07-1944 Hilversum met Jantje Boonstra. Zij kregen zes kinderen: Gerard (1945), Lilian (1947, ovl. 1956), Ben (1948), Gabri (1957), Erwin (1958), Linda (1960). Woonden achtereenvolgens in Hilversum op de Huygensstraat 33 (1944 – 1947), de Chrysanthenstraat 54 (1947-1951), de Stalpaertstraat 47 (1951-…) en de Lutherhof 17.

-              Wilhelmina Cornelia (Miep), geb. 3-2-1920  Hilversum, ovl. 13-01-1986, Kortenhoef. Trouwde in 1942 met A. (Ton) Jansen, kregen een zoon Ton (1944). Echtgenoot A. (Ton) Jansen had een drogisterij, glas- en verfhandel (Kleine Drift 54, Liebergerstraat 80). Na enkele jaren gescheiden. Zij werkte in de winkel van modezaak Etam. Lange tijd inwonend bij haar vader en moeder, later opnieuw getrouwd met Edouard Jan Nijman die een bonthandel runde. Mijn vaders broer Henny heeft er nog een tijd gewerkt. Miep woonde laatstelijk in Kortenhoef.

-              Levenloos kind (02-12-1921) volgens acte geboren op het adres Koningsstraat 7. Zou een dependance van het katholieke ziekenhuis RKZ geweest kunnen zijn. Ziekenhuis zelf had overigens als adres Koningsstraat 21. Zou ook het adres kunnen zijn waar ze op dat moment woonden.

-              Ludoficus Joldert (Luuk / Wiet), geb. 24-08-1923 Hilversum, ovl. 13-06-2002, Laren. Trouwde in juli 1948 in Hilversum met Gerarda Maria (Gerda) Beerthuizen, geb. 24-10-1924, Hilversum, ovl. 20-10-1988 Huizen. Gerda was het overbuurmeisje. Ze kregen drie kinderen: Louise, Ella en Gertjan. Luuk werkte als instrumentmaker bij Philips (NSF), eerst in Hilversum, later in Huizen. Was in de oorlog te werk gesteld in Duitsland (Arbeiseinsatz).

-              Gerardus Pieter Canisius (Gerard / Gradus/Sas), geb. 12-04-1925 Hilversum, ovl. 06-08-2001 Hilversum, op 18 oktober 1951 getrouwd met Annette (Netty) Jacobs. Zij kregen drie kinderen: Frans (1956), Ed (1958) en Karin. Gerard was enige tijd voorzitter van EMM. Hij werkte lange tijd als vertegenwoordiger bij de fa. Dobbelman en was in die periode zeer herkenbaar door het enorme pak “Castella Parels” op het dak van zijn auto. Later kreeg broer Kees dezelfde baan met dezelfde auto en hetzelfde pak erop en werd het even opletten wie wie was. Tijdens de oorlog ingezet om voor de Duitsers loopgraven te graven bij de Grebbenberg. Opa Gerrit heeft hem daar weg weten te krijgen. Gezin woonde aanvankelijk op de Adm. De Ruyterweg, later op de Vogelpan (bij de Kamerlingh Onnesweg)

-              Levenloos kind, 30-11-1926, Hilversum.

-              Hendricus Wilhelmus Antonius (Henny), geb. 5-11-1927. Dreigde in de oorlog opgepakt te worden. Moeder Wies wees de Duitsers op het feit dat hij maar een oog had. Henny is begin 1945 op een oude fiets van overbuurman, Gerrit Treur, in de hongerwinter op pad gegaan richting Overijsel, Achterhoek om nog wat voedsel te scoren. Trouwde in november 1960 met Jettie van der Meijden. Zij adopteerden twee meisjes. Petra kwam uit een  tehuis in Leiden, haar moeder was Nederlandse, Debby (Tamara) kwam uit een tehuis in Rotterdam. Haar moeder kwam uit Aruba. Zij eiste haar dochtertje na een jaar weer op. Henny en Jettie woonden aanvankelijk in Rotterdam-Zuid. Later in Hilversum op de Kretschmar van Veenlaan. Vele jaren op de Van Kretschmar Van Veenlaan. Daarna op de Hushof in Kerkelanden. Vlakbij mijn moeder en bij jongste broer Han en Wil. Henny werkte lange tijd in de textielbranche en de bonthandel (bij de partner van tante Miep). Henny voetbalde bij de katholieke voetbalclub Actief (aan de Lage Naarderweg).

-              Cornelis Wilhelmus Hendricus (Kees), geb. 05-03-1929 Hilversum, ovl. 22-07-2013, Hilversum. Trouwde met Annie Broeke, geb. 17-08-1931, Breukelen, ovl. 21-07-2014, Hilversum. Zij kregen drie kinderen: Koos (1957), Anja (1960) en Marc. De familie Broeke woonde op een sprookjesachtige plek in het bosgebied achter Anna’s Hoeve (Monnikenberg). Zoon Koos was enige tijd voorzitter van EMM (mogelijk toen al omgedoopt in HSV Wasmeer (sinds 1995)).

-              Levenloos, jongetje, 24-11-1930, Hilversum

-              Gerrit Cornelis (Gertje), geb. 03-09-1932 Hilversum, ovl. 16-02-1934 Hilversum, Marconistraat 18.

-              Wilhelmus Maria (Wil), geb. 15-04-1934 Hilversum, ovl. 25-10-2017 Hilversum. Trouwde met Hanny Wiegers (geb. 5-11-1934). Kenden elkaar van EMM. Wil voetbalde, Hanny handbalde. Kregen twee kinderen: Milko (geb. 1961, ovl. 1978) en Robert (1963). Zat in de grafische wereld. Vele jaren verzorgde hij vanuit zijn eigen bureau voor klanten productadvertenties. In 1957 stond ik opgesteld in het elftal van de Willibrordusschool dat was ingeschreven voor de schoolvoetbalcompetitie. Ik had alleen geen voetbalschoenen. Ik mocht een paar ouwe kissies van ome Wil lenen. Han en Wil waren zeer betrokken bij de Hilversumse Emmausparochie.

 

 

2.7      Waar woonde het gezin van Gerrit en Louise?


Ik heb geprobeerd te reconstrueren waar Gerrit, Louise en hun kinderen hebben gewoond. De aanwijzingen waarover ik beschikte, waren beperkt. Het plaatje is dan ook niet compleet.

 

  1. Huijgensdwarsstraat 45. In een bericht in de Gooi en Eemlander uit 1920 (eerste week maart) staat Gerrit als nieuw-ingeschrevene van de gemeente Hilversum op dit adres vermeld. Ook mijn vader, twee jaar oud, staat daar dan ingeschreven. Waar zij voordien hebben gewoond is niet bekend Er is ook een foto waarop Louise samen met een Indonesische jonge vrouw staat afgebeeld. Achterop de datum 1917. Misschien is Gerrit wat laks geweest met inschrijven en is hij pas in 1920 uit militaire dienst gekomen. Hij is uiteraard wel in 1917 getrouwd en heeft op 4 januari 2018 zijn eerste zoon Jan (mijn vader) gekregen. Of Jan ook op dit adres is geboren weet ik niet. Ze hebben daar gewoond tot 25 april 1924.
  2. Koningsstraat 7. Op 2 december 1921 doen Gerrit en Louise aangifte van een doodgeboren kind. Op genoemd adres. Het huis (huizen) is later gesloopt. Op nr 7 staat nu een appartementencomplex. Vermoedelijk het adres van een dependance van ziekenhuis RKZ waar het kindje dood is geboren.
  3. Huygensstraat 22. Van 25 april 1924 – 7 april 1929. Ome Henny (broer van mijn vader Jan) verklaarde dat hij op 18 november 1927 is geboren op genoemd adres (geboorte-acte). Ook broers Luuk, Gerard en Kees zijn er geboren. Dit huis (huizen) is later gesloopt en in 1932 vervangen door nieuwbouw (woningen aan de spoorzijde van de Huygensstraat). In de Gezinskaart staat op 15 september 1927 dat Gerrit meteropnemer is bij het Gemeentelijk Lichtbedrijf.
  4. Marconistraat 18. Van 7 april 1929 – 30 juni 1934. Op 15 februari 1934 wordt aangifte gedaan van het overlijden van Gertje. Als adres wordt de Marconistraat 18 opgegeven. In de aangifte staat als beroep van opa vermeld: incasseerder. Hij was in dienst van de Gemeentelijke Lichtbedrijven. Op 15 april 1934 is Wil op dit adres geboren. Nummer 18 was een tussenwoning. Volgens mijn ome Henny woonde opoe Wilhelmina van der Hoek (moeder van oma Louise), samen met haar ongetrouwde dochter Mien in het huis ernaast (nummer 16). Dit was een hoekhuis. Deze woningen op de Marconistraat werden in 1928 opgeleverd. De verhuizing had zeker te maken met de aankondiging dat de huizen aan de Huygensstraat rond 1930 gesloopt zouden worden.
  5. Calandstraat 18. Van 30 juni 1934 – 8 maart 1937 (volgens de Gezinskaart, maar wel met een vraagteken). Het gezin heeft in de Calandstraat gewoond waarvan de huizen in 1928 beschikbaar kwamen. Ome Henny herinnerde zich dat hij als jochie van een jaar of drie aan de hand van zijn vader en moeder vanaf de Calandstraat naar de Huygensstraat was gelopen om daar nummer 33 te bekijken, de woning van de bovenmeester van de Huygensschool. Dat moet dan rond 1930 zijn geweest (hij werd in 1927 geboren). Op dat moment woonde hij echter in de Marconistraat. De prille jeugdherinnering is dus niet correct, wat uiteraard ook niet heel erg verbazingwekkend is. Het duurde daarna blijkbaar nog een aantal jaren voor nummer 33 de nieuwe behuizing werd. Eerst was er nog als korte tussenstop de Calandstraat. Broer Jan Huurdeman met zijn echtgenote Bets en dochter Tonny woonden om de hoek van de Calandstraat in de Cornelis Drebbelstraat 7, waar Jan Huurdeman in een schuur achter het huis als meubelmaker actief was. Als ik uit school wel eens met mijn neef Ton Jansen meeging, liepen we standaard even bij ome Jan naar binnen. In zijn werkplaats was het erg stoffig. Lange tijd lag er achter de Calandstraat een open veldje waar gevoetbald werd.


Ome Henny ging aanvankelijk vanuit de Marconistraat naar de kleuterschool en de Willibrordusschool. Hij herinnerde zich dat hij in de derde klas overging naar de Jozefschool, wat te maken had met een nieuwe parochie-indeling van de Jozefparochie en de H. Hart parochie (waar de Willibrordusschool bijhoorde). Daaruit kan worden afgeleid dat het gezin rond 1935 op de Huijgensstraat 33 is gearriveerd.

Veel later werd er een jeugdgebouw (KAJ-gebouw) neergezet waar we op de zaterdagavondsoos samenkwamen om te biljarten en feest te vieren (rond 1961). Carel Henny was dan vaak de D.J. van dienst. Hij had een pickupje en bouwde zelf versterkers (buizen) en luidsprekers. Van de singeltjes die hij vaak draaide, herinner ik Freight Train (Tradional van Elisabeth Cotton) en Are You Sure van The Allisons. Wij kwamen regelmatig ernstig aangeschoten thuis van de drankjes (bocht!) die we lospingelden bij jongens die al een baantje hadden, zoals Theo (Sally) Saalbrink, die als bakker wat verdiende.

  1. Huygensstraat 33. Vanaf 8 maart 1937. Deze datum van de verhuizing naar de Huygensstraat 33, genoteerd op de gezinskaart, roept wel een vraag op. Op een zeker moment krijgt Jan (mijn vader) een bewijs van eervol ontslag als hulp-monteur bij de firma Electro-Technisch Bureau W. Visser, gevestigd op de Hilvertsweg 17B te Hilversum. Hij was daar in dienst van 11 januari 1932 tot 1 mei 1935. In het adres van de ontslagbrief staat Huygensstraat 33. Als dit bericht kort na zijn vertrek bij Visser is verstuurd betekent dat dat hij zeg medio 1935 op de Huygensstraat 33 woonde. Het kan ook zijn dat de brief later is verstuurd, wellicht voor hij in dienst moest (in 1938) of toen hij solliciteerde bij de politie eind 1940. Dan kan de datum op de Gezinskaar natuurlijk wel kloppen.
  2. Hertog Aelbrechtstraat 91. (1970- …) Na het overlijden van opa Gerrit in 1965 verhuisde oma rond 1970 met dochter Miep. Zij kwam te wonen naast haar broer Kees Huurdeman na een periode van 33 jaar op de Huygensstraat.

 

Er zitten dus nog wat hiaten in de tijdlijn van de woonplekken.

 

 

Intermezzo: Opa Gerrit incasseerder en opa.

Opa Gerrit was in dienst van de in 1920 geformeerde Gemeentelijke Lichtbedrijven (fusie van het gasbedrijf en het elektriciteitsbedrijf) in de functie van incasseerder. Voor de verlichting werd elektriciteit maar aanvankelijk vooral gas gebruikt. Het stadsgas werd geproduceerd in de gasfabriek, gebouwd aan de Kleine Drift. De introductie van de muntgasmeter betekende een doorbraak voor de verlichting op gas. Dit apparaat werd in 1897 door het gasbedrijf ingevoerd en was vanaf het begin een doorslaand succes. Dit soort meters leverde pas (een bepaalde hoeveelheid) gas als er een muntje ingegooid werd. Aanvankelijk een munt van 2,5 halve cent, later speciale gasmunten die bij elke kruidenier op de hoek verkrijgbaar waren. Hierdoor was de kleinverbruiker in staat zijn gasverbruik in de hand te houden zonder achteraf geconfronteerd te worden met hoge rekeningen. Ook al was het ‘muntgas’ een halve cent per kuub duurder, het succes was zo groot dat er wachtlijsten voor plaatsing van een muntmeter ontstonden. Al in 1914 overtrof in Hilversum het aantal muntgasmeters het aantal ‘gewone’ meters-met-rekening-achteraf.

De meteropnemer, ook wel incasseerder, was dag-in-dag-uit langs de weg. Tot zijn taak behoorde het noteren van de meterstanden, het incasseren van de gaskwitanties en het ledigen en afrekenen van de muntgasmeters. Menig huisgezin met een muntgasmeter zag die afrekening met belangstelling tegemoet. In de meeste gevallen bleven bij de afrekening enkele muntjes over, waarvoor bij voorbaat al een bestemming was bedacht; het was een klein spaarpotje in een tijd dat ieder dubbeltje er één was.

Opa Gerrit heeft deze functie tot zijn pensioen vervuld. Hij deed alles te voet. Ik heb hem nooit op een fiets gezien, evenmin als oma. Ook niet met enig ander vervoermiddel. Als onze familieclub EMM thuis speelde liepen wij, mijn neefje Ton en ik, met opa een uurtje van de Huygensstraat naar de Oude Amersfoortseweg om daar rond half drie te arriveren. Hij had daar geen enkele moeite mee. Op vrijdagavond werd aan de grote tafel met het hoogpolige tafelkleed de kas opgemaakt. Er werd geteld en nog eens geteld en vervolgens werden de geldstukken gestapeld en in papier gerold. Niet zelden was er een tekort. Heel vervelend, want men had het niet breed. Oma kon daar tamelijk chagrijnig van worden. Opa was een echte Schootbrugger: laconiek. Uiteindelijk kwam de aap altijd wel weer ergens uit een mouw. Dan had hij in de loop van de week even iemand wat voorgeschoten zonder een duidelijke schuldbekentenis. Het kwam altijd weer goed. Het ging nooit om grote bedragen. Einde intermezzo.

 

2.8      Jan Johannes van de Schootbrugge: jonge jaren


Toen Jan van de Schootbrugge en Neeltje van der Weerd op 29 juli 1897 trouwden, was Jan 34 en Neeltje 26 jaar. Jan werd in 1864 geboren, Neeltje was van 1871. Neeltje had op dat moment een zoontje Gerrit, een kerstkindje, geboren op Eerste Kerstdag 1894. Dit alles speelde zich af in Kampen. Jan “wettigde” de kleuter van ruim twee-en-een-half, die daarmee ook zijn achternaam kreeg: Gerrit van de Schootbrugge.

Via onder meer Apeldoorn en Alphen a/d Rijn arriveren Jan en Neeltje op 13 september 1909 in Purmerend. Wat Jan en Neeltje in Purmerend heeft gebracht is mij niet bekend. Gerrit is dan veertien jaar en heeft intussen een aantal halfbroertjes en –zusjes geboren zien worden. Daarvan bereiken Hendrieka (Riek, 1897 - 1961), Jannegje (Jannie, 1903 - ?), Hendrik (1906 - ?) en de in Purmerend geboren Cornelia Hermijntje (Corrie, 1914 - ?) een volwassen leeftijd. Vijf kinderen overlijden voor hun vijfde levensjaar.

In het jaar dat Corrie, zijn jongste halfzusje, wordt geboren, en de Eerste Wereldoorlog ontbrandt, wordt Gerrit in Purmerend ingeloot voor militaire dienst. Hij wordt ingedeeld bij de geneeskundige troepen. Tijdens zijn diensttijd, waarin hij ook nog in Zuid-Limburg terecht komt en onder meer te maken krijgt met de Spaanse Griep,  ontmoet hij waarschijnlijk Louise Huurdeman die sinds 1905 in Hilversum woont. Het gezin Huurdeman had daarvoor in Eemnes gewoond. Het hoofdkwartier van de geneeskundige troepen bevond zich Amersfoort. Johannes Huurdeman kwam uit Hoevelaken en had daar nog familie.

Er is een foto waarop een geüniformeerde Gerrit met enkele maten voorkomt, samen met een zedig ogende Louise Huurdeman met enkele gezinsleden. Op de foto ook haar moeder, opoe Van der Hoek, en haar nieuwe levensgezel (naam onbekend) na het overlijden van haar man Johannes Huurdeman in 1915. Opoe heeft een baby in haar armen. Ik ben er bijna zeker van dat dit haar eerste kleinkind Jan (mijn vader) is. In dat geval dateert deze foto uit het voorjaar van 1918. Als dit juist is dan zou Kees (voorgrond midden) een jaar of 15 moeten zijn. Het zou ook betekenen dat Gerrit nog steeds, al vanaf 1914, in militaire dienst was. Dit klopt wel met de toestand van mobilisatie (vanaf 1 augustus 1914) die voor ons land de hele Eerste Wereldoorlog heeft geduurd.

Tijdens deze periode vindt op 8 augustus 1917 het huwelijk van Gerrit en Louise plaats. Louise is dan in verwachting. Op 4 januari 1918 wordt Jan, mijn vader, geboren. Hij werd als Jan Johannes vernoemd naar zijn beide grootvaders, Jan van de Schootbrugge, die sinds 1910 met vrouw en kinderen in Purmerend woonde, en Johannes Huurdeman, die in 1905 met Wilhelmina van der Hoek en hun kinderen vanuit Eemnes naar Hilversum was verhuisd. De Grote Oorlog eindigt op 11 november 1918 (wapenstilstand).

Uit de paar plaatjes die we uit zijn vroegste jaren hebben, wordt duidelijk dat kleine Jan zeer welkom was. Oma Louise en opa Gerrit waren duidelijk blij en trots. Een kereltje dat fris uit zijn ogen keek en al snel een bepaalde mate van zelfvertrouwen uitstraalde. Twee dagen voor het feest van Driekoningen geboren. Nu verdwenen in de mist van de ontkerstening, toen een mooie afsluiting van het grote kerstverhaal.

 

 

Intermezzo. Kerststal

Veel later kregen mijn vaders jongere broers Luuk en Gerard als verkenners opdracht een kerststal te bouwen. Daar hebben ze geen half werk van gemaakt. Er verscheen in het huis van opa en oma in de Huygensstraat een kerststal die in de Sint Pieter niet had misstaan. Het transport van het bouwwerk van en naar zolder was ieder jaar weer een operatie die met militaire precisie moest worden uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat je in zo’n stal geen huis-tuin-en keukenbeeldjes kon zetten. En dus kreeg de stal een bemanning van bijna realistische allure. Ooit is er bij het transport waarschijnlijk iets misgegaan want een van de drie koningen was een arm kwijt en moest het verder doen met een uit de kalk stekend stuk ijzerdraad. Voor ons kleinkinderen was het deze koning die de show stal. De drie koningen met hun levensgrote kamelen en met hun goud, wierook en mirre daalden na Kerstmis in een aantal dagen af van de zolder naar het Kindeke. Voor ons kleinkinderen een magisch theater, opgesteld voor de openslaande deuren van de woonkamer in het grote huis aan de Huijgensstraat 33 in Hilversum. Het huis waar het gezin, inmiddels compleet na de geboorte van benjamin Wil in 1934, medio jaren dertig naartoe was verhuisd. Einde Intermezzo.

 

Opa was een echte opa. Een leuke opa voor zijn kleinkinderen. Hij was ook op allerlei terreinen sociaal actief. Zo was hij collectant in de kerk (met eens per jaar een uitje dat volgens mijn ome Henny ook een keer naar Parijs voerde; opwindend). Hij speelde trombone in de katholieke “Leo” fanfare en vervulde daarin ook een bestuursfunctie. De trombone stond als een standbeeld rechtop in een kast in de deftige voorkamer die alleen bij feesten en partijen werd ontsloten. Opa zat in het jeugdwerk, zoals de Katholieke Jeugd Centrale (K.J.C.), later de Katholieke Arbeiders Jeugd (K.A.J.). Voor de jeugd organiseerde hij in de grote vakantie filmvoorstellingen in de zaal van hotel Santbergen (tekenfilms, Dikke en de Dunne). Dat was pas feest! Ook was hij nauw betrokken bij de speeltuin aan de Huygensstraat (achter het Badhuis). Hij trad thuis op met zijn toverlantaarn en kon ook een beetje pianospelen. Voor ons heel opmerkelijk. Er was enige tijd een piano in huis, eigendom van een ondergedoken Joods gezin. Eerst verborgen op de werkzolder bij zwager Jan Huurdeman in de Cornelis Drebbelstraat, maar toen daar Duitse inspectie dreigde ijlings overgebracht naar de Huygensstraat 33. Enige jaren na de oorlog is de piano weer overgedragen aan de rechtmatige eigenaar.

 

Opa Gerrit herinner ik me als een kindervriend, uitermate relaxed en gezellig. Veel te vertellen had hij niet. Oma regeerde met strakke hand en bleef dat doen ook toen al haar kinderen, op tante Miep na, het huis hadden verlaten. Oma was serieus, oppassend en zeer gelovig. Als ik na school wel eens bij haar langs ging, trof ik haar vaak aan, zittend aan de met een dik tafelkleed beklede eettafel bij invallende schemering en lezend uit een boek met levensbeschrijvingen van heiligen. De heilige Theresia van Lisieux (of Avila daar wil ik van af zijn) of Bernadette Soubirous uit Lourdes.

Opa stopte ons kwartjes toe om bij ijssalon Ben Ebbing op de Koninginneweg in hemels ijs om te zetten (“gaan jullie maar een warm ijsje kopen”). We waren uren onderweg omdat er op de voetgangersbrug over het spoor veel te beleven was (stoomlocomotieven). Hij liep met ons (mijn neef Ton en mij) op zondagmiddag naar de Oude Amersfoortseweg om een thuiswedstrijd van EMM, waar hij een trouwe supporter van was, te bezoeken (in de rust weer wat kleingeld voor klapkauwgum met filmsterrenplaatjes). De looproute was als volgt: Huygensstraat richting Geuzenweg, op de Geuzenweg rechtsaf via de Noorderweg naar de Kleine Drift. Daar linksaf en via de Kleine Drift naar de Jan van der Heijdenstraat. Daar aangekomen rechtsaf de Jan van der Heijdenstraat op, langs de gasfabriek (stank) en langs Polak & Schwarz (nog meer stank),  verder over de Oosterengweg tot over de spoorbomen, vervolgens rechtsaf op de Oude Amersfoortseweg, en een paar honderd meter verder links tussen de huizen door een pad op naar de bonkige velden van EMM met het verleidelijke snoeptentje van vader. En dan maar hopen dat mijn held, middenvoor Jan van Berkel, zijn dag had.  Zo’n wedstrijd was om 16.15 uur afgelopen. Dan liepen we zonder veel dralen weer terug naar de Huygensstraat omdat we om 17.30 uur klaar moesten zitten voor het hoorspel Monus, de man van de Maan (VARA-productie naar de boeken van de Hilversumse jeugdboekenschrijver A.D. Hildebrand), waar we geen minuut van wilden missen. En opa wilde liefst om vijf uur de uitslagen weten van “hedenmiddag gespeelde wedstrijden in de eerste klasse”, verzorgd door de AVRO.

Opa Gerrit leerde ons onder meer de volgende rijmpjes.

 

Twee oliebollen met witte schortjes voor

Dansten samen de hele wereld door

Een mand spinazie danste in het rond

Oh, wat een blamage dat ik haar niet verstond

Een grote paardevlieg als ik me niet bedrieg

Lag in een stoel te slapen

En toen ik hem wakker riep begon hij te gapen

 

Onder de brug van Laren lag een hoopje kak

Een van de dames heeft erin getrapt

Een van de politie had het net gezien

Zij moest betalen 1 gulden 10

 

De bakker van de hoek

Die heeft vannacht geblazen

De bollen uit zijn broek

Ze hangen voor de glazen

En waren niet van koek

Rom bom, wat maal ik erom

Zij waren niet van koek

Rom bom

Verder zat opa Gerrit veelal tevreden in zijn Liberty rookstoel en rookte onverstoorbaar zijn sigaren, zoals het hoort als je op je veertiende in Kampen als sigarensorteerder geacht werd wat mee te gaan verdienen en je vader als sigarenmaker zijn brood verdiende. Opa was op Eerste Kerstdag jarig en incasseerde in de loop van de dag in opperbeste stemming een groeiend aantal dozen met sigaren. De stapel reikte aan het eind van de dag tot aan het (hoge) plafond. Tegen de tijd dat de drie koningen hun opwachting maakten (6 januari), was de stapel al aardig los van het plafond. Indruk maakte hij ook als op zondagmiddag om 12.00 uur het diner werd opgediend en opa als enige een bord vol doorgekookt Brussels lof kreeg voorgeschoteld. Voor ons onbegrijpelijk dat iemand daar plezier aan kon beleven. De rest van de genodigden, meestal een heel gezelschap, deed het met appelmoes. Allemaal een karbonaadje. En met het toetje van bitterkoekjespudding.

Verder droegen wij opa op handen omdat hij ons allerlei rare, lees vieze, liedjes en rijmpjes leerde als oma even uit zicht was. Soms “overliep” ze ons en werd opa bestraffend toegesproken. Het resultaat was een glimlach en een knipoog in onze richting. Opa was een beetje een kwajongen.


Mijn moeder had een andere relatie met opa Gerrit. Ze had moeite met al die rare grapjes en plagerijen. Met oma was haar relatie aanzienlijk plezieriger.

Mijn vader leek tot op zekere hoogte op opa. Het flegmatieke, het gevoel voor humor, de liefde voor kinderen. En het lopen. Opa liep. Mijn vader ook, hard, vooral in zijn jonge jaren. Van zijn moeder had hij het serieuze, het zorgzame en het katholieke. Opa, katholiek geworden, was overigens niet te beroerd om ’s zondags in zijn zwarte pak in de kerk als collectant op te treden. Ook zijn er plaatjes waarop hij als leider van een jeugdclub staat afgebeeld, zoals de KJC, de Katholieke Jeugd Centrale, tegenhanger van de AJC.


Oma moest, zoals toen gebruikelijk was, veel energie in het runnen van haar grote gezin steken. Daar kwam nog bij dat er verder regelmatig commensalen in huis waren die wat extra inkomsten genereerden, en ook wel kinderen die een opvang nodig hadden. Zo kwamen er op de Huygensstraat 33 op zeker moment in het weekend geregeld drie zusjes langs, Amsterdamse weesmeisjes. Een werd hevig verliefd op mijn vader, maar daar kwam op een zeker moment mijn moeder tussen, een ander is uiteindelijk getrouwd met mijn vaders beste vriend uit die tijd: Henk Kok.

Oma Louise werkte in de vooroorlogse jaren ook nog buitenshuis in de huishouding. Maar haar grootste opdracht was toch wel haar kinderen als goede burgers en gelovige mensen klaar te stomen voor het leven en voor het leven na dit leven. Niet onbelangrijk daarbij was dat haar kinderen er netjes en verzorgd bij liepen. Het zal in het huishouden van Louise en Gerrit geen vetpot geweest zijn, maar het was hun eer te na om dit buitenshuis te tonen.


Intermezzo.Kleding.

Ook mijn vader ging steeds goed gekleed en besteedde veel zorg aan zijn kleding. Hij was er zuinig op. Ik zie nog voor me met hoeveel zorg hij een broek in de plooi om een knaapje drapeerde. In de plooi blijven, dat gold in verschillende opzichten voor mijn vader. Maar vlak ook mijn moeder niet uit. Ook zij heeft altijd veel energie gestopt in de zorg voor haar huis en de verschijning van haar kinderen. Trouwens ook voor zichzelf. Ze was niet van de make-up, ja misschien in haar meisjestijd. Ik heb haar nooit gezien met nagellak of lipstick. Maar kleding was voor haar net zo belangrijk als voor mijn vader. Het enige verschil was dat zij ontelbaar veel kleding voor haar kinderen en voor zichzelf (en voor onhandige familieleden) heeft genaaid en gebreid, lapjes van de markt, maar dat een herenkostuum haar toch wat te veel was. Het gevolg was dat mijn vader een beperkte garderobe had (zo’n kostuum was kostbaar) en dat mijn moeder ruim in de kledingstukken zat. Ik heb haar twee keer bezig gezien met volwassen herenkleding.

Eenmaal was ik het doelwit. Voor mijn “Groot Aannemen” moest ik uiteraard in het nieuw. Mijn moeder heeft toen zelf mijn eerste colbert gemaakt. Ik was twaalf. Er zijn een paar foto’s van die tonen dat ik me niet erg senang voelde in dit belangrijke symbool op de weg naar de volwassenheid. Laat ik maar zeggen dat het colbert wat knelde in de oksels. Later heb ik gezien hoe mijn moeder, die moeite had om nee te zeggen, werd opgezadeld met textiele opgaven. Zij was zeer inventief en wist bijna altijd wel een oplossing te bedenken. Soms ging het om nogal hopeloze klussen. Zoals in het geval van ome Piet de groenteboer, die getrouwd was met tante Grada, een zus van oma Louise. Hij was een zeer fors geschapen man die op latere leeftijd sterk begon af te vallen wat meestal, en ook in dit geval, geen gunstig teken was. Zijn enorme pakken begonnen aan alle kanten te slobberen. Of mijn moeder het een en ander wat kon innemen zodat het weer draagbaar werd. Ik herinner me dat dit ongeveer evenveel werk was als een compleet nieuw kostuum fabriceren.

Ik zie haar nog op de grond bezig met het uitraderen van patronen. Boorden van overhemden keren was ook een vak apart. En hoe blij was ze niet met haar nieuwe naaimachine die ook kon zigzaggen! Dat scheelde een hoop handwerk bij het afhechten, de productie van knoopsgaten en het inzetten van ritsen. Ze heeft korte tijd productiewerk verricht. Eens in de zoveel tijd kwam er een man langs met kledingonderdelen waar mijn moeder regenjassen van moest maken. Het was dusdanig slavenwerk dat mijn vader al snel deze vorm van bijschnabbelen heeft verboden. Dat kon toen nog. Geheel tegen haar gewoonte in verzette mijn moeder zich niet. Zij zag in dat dit een onmogelijke klus was die behalve stress en chagrijn niets opleverde.

Einde intermezzo.

De drukte in het huis van opa en oma kreeg een ander karakter toen de kinderen stuk voor stuk uitvlogen. Ze woonden in de buurt en kregen zelf kinderen. Zo bleef het huis op Huygensstraat nog lange tijd het kosmisch centrum van de “extended family”. Op zondag, na de kerk, verzamelden zich daar een omvangrijke menigte kinderen, kleinkinderen, verloofden en relaties en werd het familienieuws uitgewisseld en tegen het licht gehouden. Een flink deel at tussen de middag vervolgens ook nog mee.

 

Intermezzo. Het Rijke Roomse leven

Het gezin van Louise en Gerrit maakte deel uit van een hechte katholieke gemeenschap in Hilversum “Over het spoor”. Van de wieg tot het graf was het allemaal geregeld. Ernst en vermaak, sport en ontspanning. Voor ons stukje Hilversum was er een belangrijke rol weggelegd voor de Heilig Hartparochie aan het Pieter Cuypersplein, geflankeerd door de Willibrordusschool (1928), een jongensschool, en de Gertrudisschool voor de meisjes die een jaar later werd opgeleverd. Ook de kerk dateert van 1928, het jaar waarin een uitgebreid nieuwbouwplan in Hilversum-Noord gereed kwam. Enerzijds de buurt van de Cornelis Drebbelstraat, anderzijds de buurt van de Marconistraat.

De H. Hartkerk werd voor de familie Schootbrugge de plek waar gedoopt, gehuwd en begraven werd. Waar er nauwelijks genoeg ruimte was voor de gelovigen tijdens de nachtmissen met Kerstmis en Pasen. Zondags waren er vier missen: 7 uur, 8.30 uur, 10 uur (gezongen hoogmis) en de laatste mis om 11.30 uur. Mijn vader ging bij voorkeur naar de hoogmis, mijn moeder vond de late mis om 11.30 uur al een grote opgave. Het gaf altijd gedoe omdat mijn vader zich ergerde aan het feit dat mijn moeder ook nog eens steevast te laat van huis ging. Dat geloof bleef voor haar een exotisch verschijnsel waar ze weinig mee had. Dat wil niet zeggen dat ze niet haar best deed als er wat te vieren was. Ze wilde het heel graag heel goed voor haar gezin. Aan het eind van de eerste klas deden de kinderen hun Eerste Heilige Communie, vaak beloond met een mooi kerkboek. Ze hadden dan hun eerste biecht achter de rug, een zenuwslopend sacrament waar velen slapeloze nachten van kregen. Later volgde het Vormsel waarvoor de Bisschop langs kwam. En het Groot Aannemen, een bevestiging van de doopbelofte met uiteraard ook weer een passend geschenk. Een horloge of een nieuwe tweedehands fiets want de middelbare school kwam er aan.

Op school zaten er altijd wel een aantal leerlingen die de taak van misdienaar vervulden. Die mochten dan zomaar de klas uit als er een uitvaartmis of een trouwmis was. Klasgenoten met een mooie sopraan mochten op het koor (in mijn tijd o.l.v. meneer De Hoog, bijnaam: Piet Pukkel). Een hele eer, spannend ook daar boven bij dat grote orgel. Geestelijken die ik heb meegemaakt waren de pastores Elschot en Weller en de kapelaans Hagdoorn en Koch. Een tijdlang was bouwpastoor Miedema te gast.  Hij moest in Hilversum Noord de Verrijzeniskerk realiseren. Daar werd dan ook regelmatig voor gecollecteerd. In 1962 werd deze kerk ingewijd.  Onder de Verrijzeniskerk werd op zaterdagavond een soos gehouden waar ik enige tijd graag naar toe ging. Al eerder hadden we de uitgaanssmaak te pakken gekregen in het wijkgebouw naast de Gertrudisschool.

Als lid van de padvinderij werd je niet alleen geacht voor een heitje een karweitje te doen, maar je werd ook ingezet bij het distribueren van wijwater tijdens de paasvakantie. Met een grote melkbus gevuld met gezegend water. En palmtakken. Alles te vervoeren op een zelfgebouwd karretje opgebouwd op het onderstel van een afgedankte kinderwagen (die er nogal anders uitzagen dan de luxe modellen die later gelanceerd werden. De kleintjes maakte het niets uit. Met Palmpasen, de zondag voor Pasen, waren er optochten met versierde palmpasenstokken (Ei koerei, ei koerei, een ei is geen ei, twee ei is een half ei, drie ei is een paasei) waar ook allerlei lekkers in hing. De vastentijd liep dan op zijn eind en gevast werd er. Mijn moeder was handig en wij liepen dan ook altijd met een bezienswaardige palmpasenstok. De opgetuigde stok bevatte allerlei symbolische objecten waaronder een broodhaantje. Brood verwees naar het laatste avondmaal, de haan had te maken met de verloochening van Jezus door Petrus. Kinderen hadden ook hun vastentrommeltje, in de loop van de vastentijd gevuld met snoep, dat op Paaszaterdag om 12 uur geopend mocht worden.

 

Er kwamen met enige regelmaat missionarissen voor een korte vakantie terug uit verre landen. Zij kregen dan de gelegenheid om een bedelpreek te houden. Als het verhaal goed was werd er ruimhartig geschonken. Met name een missionaris die ons vertelde over zijn leven tussen de eskimo’s herinner ik me nog goed. Missionarissen en andere weldoeners hadden het adres van oma Louise overigens bovenaan hun lijstje staan. Zij gaf onvoorwaardelijk. Ze was ieder jaar weer ruim voorzien van missiekalenders die de missionarissen achterlieten en die vervolgens in de familie werden verspreid.

                Bijzonder was de uit de parochie voortgekomen jonge priester die dan in zijn parochiekerk zijn eerste mis mocht celebreren. Dan werd qua entourage en aankleding alles uit de kast gehaald. Ik herinner me het feest toen een zoon van de familie Goes uit de Floris Vosstraat als jonge priester werd ingehaald. Het voor ons kinderen allemaal iets magisch.

 

Een evenement van grote allure was in die jaren op 24 juni de Sint Jansprocessie die voerde van de Larense Basiliek naar het Sint Janskerkhof (en terug). Alle katholieke scholen in ’t Gooi hadden dan vrij. De belangstelling was massaal en ook de processiestoet was zeer omvangrijk. Oma Louise liep vaak mee, samen met haar schoondochter Gerda Beerthuizen (en haar moeder oma Nel Beerthuizen), de “Leo” Fanfare met familieleden waaronder opa Gerrit, mijn vader in een delegatie van de katholieke politievakbond Sint Michael. Pijnlijk blijft de herinnering aan de processie van 24 juni 1955. Juist op die dag, we stonden zoals ieder jaar langs de weg om de stoet te zien, kreeg mijn zusje Lilian de eerste, nog niet herkende, symptomen van de hersentumor waar ze op 26 maart 1956 aan zou overlijden. Negen jaar oud.

Andere katholieke gebruiken die in die jaren aftrek vonden waren retraites, enkele dagen bezinning in een bezinningscentrum (mijn vader, oma Louise), een negendaagse gebedsoefening (novene) binnen de hele familie om het herstel van een ernstige zieke af te smeken. Veel vetrouwen had oma ook in de hulp van de Heilige Antonius als er iets belangrijks moest worden teruggevonden. De belangrijkste bemiddelares was natuurlijk Maria, de Moeder Gods. Rose-Mary. Voor haar werd uitbundig de rozenkrans gebeden. In ieder geval op zondagavond om zeven uur tijdens het Lof. En natuurlijk allemaal bij opa en oma op de knieën als op Paaszondag de Paus zijn zegen Urbi et Orbi uitsprak (voor de radio). Feesten en recepties in het KAB-gebouw (Katholieke Arbeidersbeweging) aan de Sint Annastraat, bij slecht weer ingebonden jaargangen van de Katholieke Illustratie bekijken. De KRO. Voor mijn vader was het geluid van een socialistische voorman als Evert Vermeer op de VARA-radio onverdraaglijk. Atheïsten die voortdurend tegen die onbetrouwbare roomsen aanschopten. Dit ging zelfs zijn flegma te boven.

In de loop van de jaren vijftig werd hij toeschietelijker en werd op zaterdagavond (ik mocht dan opblijven) het VARA-radioprogramma De Showboat (onder regie van Karel Prior) aangezet. Dat was met Willem Parel (Wim Sonneveld), Dorus (Tom Manders) en Mimoza (met o.m. Rijk de Gooyer in de rol van Bartels) nog net wat leuker dan het concurrerende KRO-programma Tierelantijnen op Hilversum 2.

Binnen het katholieke Hilversumse volksdeel  opereerden allerlei organisaties die in dit verband een duidelijke maatschappelijke functie hadden. Denk aan de RK “Leo” Fanfare (opgericht in 1900 als onderdeel van de rooms-katholieke Werknemersvereniging) die bij allerlei gelegenheden van zich deed horen. Dirigent was lange tijd de heer Rijke, die ook het muziekkorps van de politie dirigeerde,  en tambour-maȋtre was in mijn jeugd Cor van Dalen die in de Floris Vosstraat woonde. Opa Gerrit speelde trombone, zijn zonen Kees en Wil resp. bugel en klarinet.  Later voegde mijn neef Ton Jansen zich erbij als tamboer. Voor een impressie van 121 jaar Leo Fanfare zie hier:

https://www.youtube.com/watch?v=yEIoES6E2So&feature=youtu.be

 

Mijn vader Jan werd na de oorlog tamboer (dieptetrom) bij het Hilversumse politiemuziekcorps Excelsior. Als jochie oefende ik samen met hem op mijn kleine trommeltje (wel met varkensblaas; eerst even boven de kachel zodat het vel strak trok). In de hoogtijdagen van de grote showprogramma’s van de radio werd Excelsior ingeschakeld om bezoekers van het radioprogramma De Bonte Dinsdagavondtrein (1936 – 1957) van de AVRO van het station in Hilversum te begeleiden naar de AVRO-studio op de ’s Gravenlandseweg. Excelsior verving dan de Philips Fanfare als die verhinderd was. Ook de familie van Annie Broeke (echtgenote van mijn vaders broer Kees) was actief in de Leo Fanfare (Theo?).

 

Behalve gemusiceerd werd er ook katholiek gesport. EMM (1915), Olympia (1925, voortgekomen uit de Clemensparochie) en Actif (1927, een initiatief van leerlingen van de Aloysius-Ulo) waren katholieke voetbalverenigingen in Hilversum. De grootste betrokkenheid  van onze familie was er bij EMM (Eendracht Maakt Macht, met jennende varianten als Elf Makke Muizen en Elf Mooie Meiden), rode shirts, witte broeken en in die tijd kousen met rood-witte banden, aanvankelijk spelend op het knollenveld aan de Oude Amersfoortseweg, later verhuisd naar Anna’s Hoeve en na een fusie met Donar verder gegaan als VV Wasmeer.  Op de Oude Amersfoortseweg was EMM bijna een overbuur van de Ludgeruskweekschool. De fraters die er les gaven en iets met voetbal hadden, meldden zich graag als lid van EMM. De familie Peet was in die jaren een belangrijke pijler onder de club. De thuiswedstrijden van EMM begonnen op zondagmiddag om half drie.

 

Mijn vader was voor, tijdens en na de oorlog succesvol in EMM, evenals later zijn jongste broer Wil. Ook broer Luuk heeft er nog gevoetbald net als de broers van zijn echtgenote Gerda Beerthuizen, Arie en Piet. Piet was linksbuiten, Arie stapte op een zeker moment over naar Victoria. Opa en oma Beerthuizen, wonend aan de Van Leeuwenhoekstraat 60 (aan de overkant van het schoolplein tegenover de Schootbrugges op de Huygensstraat), waren waarschijnlijk de fanatiekste supporters die de club ooit heeft gekend.  Broer Gerard was enige tijd voorzitter evenals later zoon Koos (mijn neef) van mijn vaders broer Kees. Bij EMM werd ook gehandbald door de dames. Die sportcombinatie bleek een effectief middel bij de vorming van paartjes. Dat gold ook voor Wil van de Schootbrugge en zijn levenslange partner Hannie Wiegers.  VIF was de RK Gymnastiekvereniging. Einde intermezzo.

 

Jan volgde acht jaar lager onderwijs en ging ook vijf jaar ’s avonds naar de Ambachtschool. Hij ging in 1923 (vroege leerling) naar de in 1910 opgerichte St. Jozephschool, een R.K. jongensschool aan de Koninginneweg 44, bij de O.L. Vrouwenparochie. Hoofd van de school was Frits Beemer (1883 - 1968). Zijn jongere broer Arie (1887 - 1968) zou een aantal jaren later het eerste hoofd worden van de Willibrordusschool (1928 – 1952) aan het Pieter Cuypersplein (vanaf 1951 ook de Lagere School van de auteur, GvdS), naast de H. Hartkerk. Eveneens een R.K. jongensschool. De school werd op 3 september 1928 officieel geopend. Pastoor van de H. Hartparochie, H.L. Averkamp, was de opdrachtgever. Jongere broers, Luuk, Kees, Gerard en Henny konden wel terecht op de Willibrordusschool. In 1936 kwam er een nieuwe schoolwijkindeling (of was het de verhuizing naar de Huygensstraat?) die ertoe leidde dat Gerard, Kees en Henny alsnog naar de Jozephschool moesten. Dat gold in 1940 ook voor benjamin Wil. Luuk was al van de Lagere School af toen dit speelde. (De zoons van Jan en Jannie, waaronder de auteur, zaten, veel later, ook op de Willibrordusschool. Mijn zusje Lilian op de naastliggende meisjesschool, de Gertrudisschool. Daarover later meer.) In september 1929, in klas 6 van de lagere school, begon Jan ook aan avondonderwijs: de 5-jarige ambachtschool.  

 

In zijn jonge jaren werd mijn vader op maandag regelmatig thuis gehouden om zijn moeder te helpen  met de was. Een forse klus waar vuur, grote ketels en veel handenarbeid bij kwam kijken. Van broer Luuk wist mijn vader nog dat hij nogal opstandig was en soms weigerde naar school te gaan. “Eerst een cent,” eiste hij dan. Oma moest hem dan met de nodige dwang het huis uit richting school zien te krijgen. “En nou naar school!” “Eerst een cent.” (5x)

Een jaar nadat Jan zich meldde op de Lagere School, slaagt vader Gerrit in Amsterdam voor het politiediploma van de katholieke Politiebond Sint Michael aldus een bericht in de Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche Courant van 8 oktober 1924. Was schoonvader Johannes Huurdeman een voorbeeld geweest? Gerrit heeft zijn diploma nooit verzilverd in de vorm van een baan bij de politie. Zijn zoon Jan wel.

 

De lagere scholen hadden in die tijd vaak een driejarig vervolg, een Ulo / Mulo. De leerplicht liep tot aan de leeftijd van 14 jaar. Na 8 jaar lagere school verlaat Jan op 4 januari 1932 (op zijn verjaardag) de lagere school. Net als zijn latere vriendin Jannie in Friesland die een maand later 14 wordt (9 februari). Zij ging aan de slag als jongste meisje in een hotel in Gorredijk. Jan moest op zoek naar een baantje. Op 11 januari 1932 wordt hij aangenomen als hulpmonteur bij het elektrotechnisch bedrijf Visser op de Hilvertsweg 178. Als beroep staat hij dan te boek als elektricien (in opleiding). In deze periode heeft hij waarschijnlijk ook in de nieuwbouw gewerkt. Ik herinner me dat hij wel eens een practical joke memoreerde uit deze tijd. Hoe hij als jongste bouwvakker door zijn maten naar een opzichter werd gestuurd om een schop met een voetje te halen. Het resultaat was een schop onder zijn reet en dikke pret van de maten.

Intussen was hij in september 1929 wel begonnen aan de avondopleiding van de R.K. Nijverheidsschool in het gebouw van de Aloysiusschool aan de Prins Bernhardstraat. De vijfjarige Ambachtschool. Die opleiding (een aantal deelvakken) rondde hij af in 1934. Op zijn diploma staat 29 maart 1934. Hij heeft dan de theoretische vakken en tekenvakken “voor smeden” met goed gevolg afgelegd. Wilde hij smid worden?

Op 8 juli 1935 stapt Jan over van Visser naar het bedrijf van zijn vader: De Lichtbedrijven der Gemeente Hilversum. Als leerlingmonteur bij de afdeling Radio. Hij gaat f 9,- in de week verdienen. Op 27 november 1937 krijgt hij eervol ontslag. Hij moet in militaire dienst.

 

Jan was een sportieve en actieve knaap. Niet alleen was hij op zijn 17de al middenvoor van het eerste elftal van EMM, hij was ook actief als tafeltennisser (later ook bij de politie), hij deed aan atletiek, zelfs touwtrekken, was padvinder en lid van de KJC (Katholieke Jongeren Centrale, concurrent van de socialistische AJC), maakte daarbij kennis met het mondorgel waar hij ons later vaak mee wist te imponeren (hij beheerste onder meer de tongslag), evenals met zijn trommel. Hij was een gedreven tamboer, ook later bij het Hilversumse politiemuziekkorps. Ook bij de politie heeft hij overigens nog een aantal jaren gevoetbald (HPSV, Hilversumse Politie Sport Vereniging). En ook als dammer werd hij bij de politie gevreesd. Ik was lange tijd niet tegen hem opgewassen. Op zondag speelden we vaak ook een potje Halma. Een mooi spel. Het duurde even voor ik hem partij kon geven. Mijn vader was van de spelletjes, mijn moeder meer van het zorgen en verzorgen (en het verstellen niet te vergeten). Zijn grote (jeugd)vriend in die vooroorlogse jaren was ongetwijfeld Henk Kok. Er zijn heel wat foto’s waar ze samen op staan.

2.9      1938. Er komt oorlog.


Bij de militaire keuring, hij is dan al twintig, meet Jan 1,81 meter en weegt hij 70,5 kg. Hij geeft als zijn voorkeur op Luchtvaartafdeling en de Zeemacht. Dienstplichtig soldaat Jan Johannes van de Schootbrugge, lichting 1938, lotingsnummer 367. Hij wordt op 2 februari 1938 ingelijfd. Hij wordt ingedeeld bij het Tweede Luchtvaartregiment dat bestond uit 4 verkenningsgroepen alsmede de Eerste en Derde Jachtgroep. Jan zat bij de 2de Verkenningsgroep. Die werd geacht het veldleger te ondersteunen met verkennende acties vanuit de lucht. De groep had geen directe gevechtstaak. Mijn vader kreeg een functie op de grond en had, voor zover ik heb kunnen nagaan, vooral te maken met vliegtuigen van het Nederlandse merk Koolhoven (de FK 49 en 51). De laatste een tweedekker. Jan zwaaide af op 28 januari 1939 vanaf vliegveld Soesterberg. Tijdens zijn dienstjaar was hij op verschillende vliegvelden gelegerd geweest: Haamstede, omgeving Lisse (De Zilk, Ruigenhoek?) , Texel (De Kooi?) en tot slot Soesterberg. Haamstede, De Zilk en Ruigenhoek waren zogenoemde hulpvliegvelden.

 

Intermezzo. De Puttee.

Zowel voor mijn vader Jan in WO 2 als voor zijn vader Gerrit in WO 1 behoorde de puttee, puttie, tot de standaard kledingstukken.  De naam puttee komt van het Hindi paṭṭī, verband, voor een bedekking van het onderste deel van het been van de enkel tot de knie, ook wel bekend als: beenbandage , beenbinding, winingas of wickelbander. De Engelsen introduceerden de puttee begin twintigste eeuw in Europa. Einde intermezzo.

 

 

SCHOREMLIED van het KCT (Korps Commandotroepen)

 

Wij zijn jongens, één bonk schorem

Wij laten de moed niet zakken

Wij hadden van de week

zo’n belazerde week

de hele compagnie die was van streek

van je hela, van je hola

Wij zijn de jongens van het KCT

Wij hebben een K, wij hebben een C, wij hebben een T, K-C-T.

Ja, Ja ……

 

Mijn vader zong de LVA-variatie op dit lied: Wij zijn jongens, een bonk schorem, we laten de moed niet zakken. En we hadden van de week zo’n belazerde week, want de jongens van de LVA (of LVR) verdienen toch geen steek. En van je hela en van je ho-o-la….

 

Intermezzo. Het Nederlandse Luchtwapen.

In juli 1913, dus nog voor de Grote Oorlog, werd de Luchtvaartafdeling (LVA) opgericht, standplaats het vliegveld van Soesterberg. Nederland bleef tijdens de Grote Oorlog (de Eerste Wereldoorlog werd pas geboren na het uitbreken van de Tweede) neutraal en de Luchtvaartafdeling bleef dus gevrijwaard van gevechtsacties. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog werd door de Nederlandse regering meteen fors bezuinigd op defensie. De opgebouwde Luchtvaartafdeling werd bijna geheel opgeheven. Toen de politieke spanning in Europa in de jaren 1930 opliep, zag de regering te laat in dat het luchtwapen weer bijna geheel opgebouwd moest worden. Vanaf 1938 werden hiertoe alle mogelijke pogingen gedaan, maar dit stuitte op structurele problemen. Er was niet alleen een groot tekort aan vlieginstructeurs, navigators en vliegers om de nieuwe met meerdere motoren uitgeruste toestellen te bemannen; er was ook een totaal gebrek aan standaardisatie en aan voorraden. Bovendien was Nederland niet het enige land dat zich in korte tijd wilde bewapenen. De internationale wapenindustrie kreeg van vele Europese landen zoveel orders binnen dat er een grote wachtlijst was ontstaan.

 

Vanwege de schaalvergroting werd de naam Luchtvaartafdeling in 1938 gewijzigd in Luchtvaartbrigade. Tijdens de mobilisatie in 1939 veranderde men de naam in het Wapen der Militaire Luchtvaart. Dit bestond uit: het 1e en 2e Luchtvaartregiment, de Luchtvaartbrigade (Depot Luchtstrijdkrachten, Luchtvaartbedrijf en Luchtvaarttroepen (Vliegveldbewaking)) en het Commando Luchtverdediging (luchtdoelartillerie en secties luchtdoelmitrailleur). Bij de mobilisatie in 1939 bestond het Wapen der Militaire Luchtvaart vanwege alle bezuinigingen uit slechts 121 min of meer operationele vliegtuigen. Slechts de Fokker D-XXI en G-I bleken enigszins tegen de Duitse overmacht te zijn opgewassen.

 

De operationele indeling van de “Luchtmacht” bestond uit twee regimenten en een opleidingseenheid.

 

Het 1e luchtvaartregiment (1 LVR) onder Commandant Luchtverdediging, luitenant-generaal Petrus Best, had zijn staf op Schiphol. De operationele onderdelen waren gelegerd op de vliegvelden De Kooy, Schiphol, Bergen en Waalhaven. Het bestond uit de:

 

  • strategische verkenningsvliegtuigafdeling (StratVerVa)
  • bombardeervliegtuigafdeling (BomVa)
  • jachtvliegtuigafdeling (JaVa), de 1e t/m 4e JaVa

 

Het 2e luchtvaartregiment (2 LVR) onder Commandant Veldleger, generaal van Voorst tot Voorst, had de staf in Zeist. Het regiment was bedoeld als ondersteuning van het veldleger. Operationele onderdelen waren gelegerd op de vliegvelden Hilversum, Ruijgenhoek, Ypenburg en Gilze-Rijen. Tijdens de meidagen werd ook gebruikgemaakt van de (hulp)vliegvelden Haamstede, Buiksloot en De Zilk. Het bestond uit de:

 

  • verkenningsgroep (VG), de 1e t/m 4e VG
  • jachtgroep (JG), de 1e en 3e JG

 

Het derde Luchtvaartregiment, het Depot Luchtstrijdkrachten (opleidingen) nam niet deel aan de gevechten; eenheden waren gelegerd op de vliegvelden Souburg (Zeeland) en De Vlijt (Texel).

 

Op 10 mei zag de situatie van de Luchtvaartbrigade er als volgt uit.

Behalve de FK 51 van Koolhoven waren alle andere toestellen Fokkers. Kort voor het uitbreken van de vijandelijkheden waren er zogenoemde hulpvliegvelden in gebruik genomen zoals Haamstede, Buiksloot, De Zilk en Ruigenhoek. De laatste twee in de buurt van Noordwijkerhout.

 

Het Eerste en het Tweede Luchtvaartregiment werden al voor de algemene voormobilisatie opgeroepen. Het Tweede moest zich op 11 april 1939 melden in Gilze-Rijen. Einde Intermezzo

 

Na zijn reguliere diensttijd in 1938 klopte Jan weer aan bij zijn oude baas van de Gemeentelijke Lichtbedrijven Hilversum en kon hij daar op 6 maart 1939 ook weer aan de slag. Dat duurde helaas niet lang. Tot 10 april 1939.

Enkele dagen voordat Hitlers troepen Polen binnenvielen, kon de Nederlandse regering niet meer om het oorlogsgevaar heen. Op 24 augustus 1939 viel op vele matten een spoedbericht: gereedmaken voor mobilisatie,  de voormobilisatie. Er werden 50.000 man onder de wapenen geroepen. Op 28 augustus volgde de algemene mobilisatie. Honderden extra treinen werden ingezet. Binnen enkele dagen zaten 280.000 soldaten op hun mobilisatiebestemming. 

Jan was al eerder opgeroepen. De Luchtvaartregimenten 1 en 2 moesten bij de voormobilisatie op 11  april 1939 al aantreden. Jan meldde zich op het vliegveld Gilze-Rijen. Hij staat op een foto gedateerd 5 mei 1939. Niemand verwachtte een echte oorlog. Korporaals en soldaten werden ondergebracht in het Jeugdkamp en vakantieverblijf nabij de “Vijf Eiken”.

Nederland klemt zich vast aan het neutraliteitsprincipe. Daarom turen manschappen even aandachtig de kustlijn af richting Engeland als dat ze de grens met Duitsland bewaken. De soldaten raken in de eerste maanden nauwelijks een geweer aan, maar hanteren vooral de schep: alle aandacht gaat naar het bouwen van verdedigingswerken.

Jan heeft na de Duitse inval op 10 mei 1940 geen gevechten meegemaakt (voor zover ik weet, GvdS). Gilze-Rijen was in mei 1940 het enige operationele militaire vliegveld buiten Zeeland en de Vesting Holland. Het was op 10 mei 1940 natuurlijk meteen doelwit voor de Duitsers. Aan de grond gingen vier vliegtuigen verloren van IV-2 LvR (4e Verkenningsgroep 2e Luchtvaartregiment) van de Nederlandse Luchtvaartafdeling: twee Fokkers C-V (serienummers 620 en 625) en twee Koolhovens FK-51 (serienummers  409 en 421). De Nederlandse legerleiding was niet van plan Zuid-Nederland te verdedigen. Terugtrekken naar de Vesting Holland was het plan. Andere onderdelen waren al overgebracht naar (hulp)vliegvelden in het Westen zoals Haamstede (Zeeland). Dat gold waarschijnlijk ook voor Verkenningsgroep 2 van het Tweede Regiment waar Jan onder viel. In de oorlog was Gilze-Rijen een belangrijk vliegveld voor de Duitsers.

 

Mogelijk is Jan kort voor de invasie vanuit Gilze-Rijen overgebracht naar het Zeeuwse Haamstede. De oorlog was snel voorbij. Op maandag 24 juni 1940 krijgt Jan verlof voor een bezoek aan Hilversum. Hij reist vanaf station Huis ter Heide en zit dan waarschijnlijk in Soesterberg. Hij moet op 26 juni terug zijn. Op zaterdag 29 juni 1940 is het soldatenleven voorbij. Jan van de Schootbrugge gaat, deel uitmakend van het oorlogsonderdeel II – 2 - Lv. R. (Tweede Luchtvaartregiment o.l.v. Lt. Majoor H.L.G. Lambert), met groot verlof. Op 27 augustus 1940 wordt hij om 10.00 uur op de Musschenstraat 49, het adres van de Hilversumse Gemeente Reiniging, verwacht, om zijn soldatenplunje in te leveren.

Jan had in Gilze-Rijen enkele adresjes opgeduikeld waar hij ook na de oorlog nog contact mee onderhield. Dat bleek onder meer uit de reacties op het bericht dat op 26 maart 1956 mijn zusje Lilian was bezweken aan een hersentumor. Enkele steunbetuigingen waren afkomstig uit Gilze-Rijen bij.

 

2.10   29 juni 1940. Groot Verlof. Hoe nu verder?


Jan kan weer op zoek naar een baan. En dat wordt nu serieus omdat hij intussen Jantje Boonstra heeft leren kennen. En ondanks de bedenkingen van de kant van beide families is het dik aan! Jantje, al spoedig Jannie genoemd, is niet katholiek, eigenlijk is ze helemaal niks, en dat roept twijfels op bij oma Louise. Maar ook in Friesland zijn er zorgen. Jantje zal katholiek moeten worden en met name opa Albert in Appelscha heeft daar moeite mee. Al was het maar omdat dat volgens hem betekende dat er in korte tijd een schare kleinkinderen op de wereld zouden worden gezet. Als ze zich in 1942 hebben verloofd gaan de nonnen Jannie inwijden in de Roomse wereld. Zij wordt gedoopt en krijgt dan als tweede (doop)naam Maria.  

 

Over de eerste ontmoeting van Jan en Jannie heeft mijn moeder ooit wel eens wat losgelaten. Het eerste contact zou tijdens een koninginnebal (Koninginnedag) op zaterdagavond in de Prins Bernardstraat hebben plaatsgevonden. De dag daarop kwam er, volgens haar, een vervolg: dansen in de Karseboom (op de Groest in Hilversum). Uit deze summiere gegevens heb ik het volgende proberen af te leiden. Het dansen in de Karseboom was altijd op zondag. Het koninginnenbal zou dan op 31 augustus zijn geweest. In 1939 (mobilisatie) en 1940 (bezetting) werd geen Koninginnedag gevierd. Het meest voor de hand ligt dan 1938. In dat jaar viel Koninginnedag echter op woensdag. De tweede ontmoeting in de Karseboom is dan een paar dagen later geweest. Het resultaat was het zelfde en daar gaat het hier om.

 

We vervolgen met de historie van Jantje Boonstra. Vanaf 1940 is het een stel en gaan we ze als stel volgen. Klik hier.


 

 

Varia


Willibrordusschool, 1928 –  

Eerste hoofd Arie Beemer (1887 – 1968) van 1928 – 1952. Heb hem nog even meegemaakt. Zijn opvolger was Gijs van Veen (1906 – 1998) die in 1930 onderwijzer werd en in 1952 hoofd. Mijn onderwijzers: Van Maarseveen, Fietje Wiegers, Theo Goes (overleden in 1954, adres Hendrik de Keijserlaan 11), Epi Veltmeijer, Gieling en Chris van Veen (6A).

 

Bij oma, S. Jopie (donker), getrouwd met Huub Veenhof, en Wil (blond) Beerthuizen: mogen we met Gerardje wandelen? Op schoolplein. Veldkamp.

In 1994 Jopie ontmoet bij verjaardag ome Luuk (1994, 75 jaar)

 

Jan overleden op 26 maart 1970, 18.00 uur, Utrecht Ac Zi

 

Filmmiddagen, vakantie, Hotel Sandbergen

 

Carel: Daniël Stalpaerstraat 22, Kor: Floris Vostraat 72, Gerard: Stalpaertstraat 47

 

Mw vd Kleij, Snorrewitz, dement, moest soms uit dakgoot gehaald worden, oma hielp haar, huisvriendin

 

Opa Boonstra overleed aan een nierziekte. Een nier deed al niks meer. Toen de tweede het ook begaf was het afgelopen.

Heerenveense Courant, zaterdag 16 juni 1951

Een kwart eeuw tussen het vee

Interview met Albert Boonstra 25 jaar veel verloskundige


(transcript van het krantenartikel)

Met de tip van een onzer lezers, dat de heer Albert Boonstra al zo’n 25 jaar te Appelscha het beroep van veeverloskundige uitoefent tot grote tevredenheid van zijn klanten, en zeker en van zijn ervaringen wel het een en ander zou willen vertellen, zijn we niet bedrogen uitgekomen, want Boonstra kan vertellen van zijn vak, en de omzwervingen bij de boeren langs. Op onderhoudende wijze, maar plotseling ook fel als het uitsterven van zijn beroep als gevolg van naleving van een in de Duitse tijd gemaakte wet ter sprake komt. Een schandaal, zegt hij dat zoiets mogelijk is, een vakmanveeverloskundige heeft altijd een taak gehad en zal die ook in de toekomst houden. Waarvan de boeren wel doch anderen blijkbaar niet zijn overtuigd.

Op wel eigenaardige wijze is is Boonstra in dit vak terecht gekomen. Of eigenlijk ook niet, want hij was nog maar een jongen van een jaar of 14 toen zijn belangstelling voor in nood verkerend vee al werd gemerkt door de oude veearts Eggink van Beetsterzwaag, die met “hynder en wijn” de klanten bezocht en als hij naar de Kompanije moest ging uitspannen aan de Liphuster sluis waar vader Boonstra (Lucas, GvdS) een café-winkel-boerderij dreef. Deze veearts zag waarschijnlijk toen al iets in die altijd belangstellende jongen en bood hem aan in opleiding te nemen.

Daar kwam echter niets van in, althans voorlopig niet, want Albert kom thuis niet worden gemist, maar… oude liefde roest niet zegt men en toen Boonstra na de wapenrok te hebben gedragen in Beetsterzwaag als timmerman werkte aan een nieuw huis voor veearts Heida, en daar vlak tegenover veeverloskundige Hummel woonde, kwam het al gauw tot een accoord: tegen de herfst in opleiding. Een hele stap voor een getrouwd man.

En na die opleiding kwam de altijd belangrijke vraag: waar zich te moeten vestigen. De keus viel, na veel zoeken, op Appelscha, waar overigens ook al een verloskundige zat en, zo knoopte Boonstra hier direct aan vast, de eerste jaren zijn uiterst moeilijk geweest. Van alles moest vaak worden aangepakt om aan de kosten komen, maar met een onverzettelijke wil werd vanaf de 9de februari 1926, eigenlijk waren we dus een paar maanden te laat in Appelscha voor dit zilveren een jubileum, gebouwd aan een volledige bestaan in het vak. Strijd was er tegenwoordig soms ook, en het werk was zwaar omdat een groot rayon per fiets moest worden de bereisd.

Er zijn van die dingen welke me nooit vergeet: zo weet Boonstra nog precies hoe hevig hij wel schrok, toen hij voor zijn eerste verlossing werd gehaald bij een koe van Jan Haan en… tot de conclusie kwam dat er een dubbel gegroeid kalf in lag. Om daar nu zomaar aan te beginnen, dus werd leermeester Hummel opgebeld die direct per motor overkwam. Maar wat gebeurde, Hummel waarschuwde de Boer een enkele nieuwsgierigen dat deze verlossing wel uren zou kunnen duren, moedigde Boonstra aan met een paar woorden en… vertrok. “Op dat ogenblik zat ik er wel even mee in mijn maag, maar achteraf”, zo weet Boonstra nu te vertellen, “moest ik mijn leermeester wel heel erg dankbaar zijn voor dat vertrouwen. Want die verlossing verliep prima en dat is mijn mooiste reclame geweest.”

Langzaam maar zeker kwam de zaak op gang. Uit die tijd herinnert Boonstra zich nog hoe hij eens vier dagen en nachten in touw is geweest en ook hoe hij in die bar strenge winter van  ’28 – ’29 ‘s nachts om 2:00 uur uit zijn bed werd gehaald voor een verlossing aan het Oranjekanaal. Op de fiets heen en toen werken in de schuur waar je dwars door het dak heen kon kijken en de koeien wit op stal stonden. Haast niet te geloven, maar de pootjes van het kalf zaten in het ijs en de instrumenten kleefden aan de handen vast zoals soms een deurklink dat kan doen bij felle koude. De volgende dag om 2 uur zat ik nog aan het Oranjekanaal, nog steeds niet op temperatuur gekomen.

Een paar tegenslagen kijk kreeg Boonstra nog te verduren, doch hij had het geluk reeds een andere in opleiding te hebben gehad toen hij zelf wegens ziekte een tijd lang zijn werk niet kon uitvoeren. Een zwager nam zijn taak over, althans het werk, want Boonstra trok steeds met hem er op uit. Over die opleiding horen we nog even een aardig staaltje. Zo was iemand uit Brummen wel heel toevallig aan Boonstra’s adres gekomen, namelijk door een los blaadje van een oud telefoonboek, dat lag op een plaats waar de meesten dagelijks moeten verschijnen.

Tot het werk hoorde ook het castreren van paarden, het opereren van breukbiggen en het besnijden van hoeven. Over al die dingen raakte Boonstra, wel zo in zijn werk opgegaan dat hij zich door zelfstudie een grote algemene kennis van vee heeft verworven, niet gauw uitgepraat. Het aantal gecastreerde paarden moet wel tegen de 2000 lopen en het is zijn trots, dat er in die kwart eeuw geen enkel paard verloren ging. Dat “blanco” is thans verdwenen, kort geleden is een paard na het castreren gestorven en Boonstra vertelt het eerlijk, omdat hij weet dat het zijn reputatie allerminst zal schaden.

Door serieuze opvattingen, in al die 25 jaar ging hij nog geen nacht van huis, en vakkennis wist hij zich een drukke practijk op te bouwen, waarin thans een zoon meehelpt. En het briefje met de “tip” van de lezer getuigt er van dat Boonstra’s  werk door de boeren in Appelscha en wijde omgeving zeer wordt gewaardeerd.

(Einde interview)

In 2009 interviewde Appie Boonstra in Appelscha zijn tante Jantje

voor het blad Zoolstede van de Historische Vereniging Appelscha. Jantje was toen 91 jaar.

 

De familie Boonstra, bestaande uit Albert Boonstra, Lipkje van Seyen en de kinderen Jannie, Janke en Marten, verhuisde in 1926 van Lippenhuizen naar Appelscha. Ze ging wonen aan de Boerestreek in De Oude Hof.

 

]annie van der Schootbrugge-Boonstra:

'Mijn moeder, Lipkje, deed de zaak als m'n vader naar de boeren was. Hij was toen kroegbaas, veeverloskundige en castreur. Ik weet nog wel dat m'n moeder overdag koffie en thee verkocht, voor, ik geloof, vijftien cent per kopje. Aan de woning van De Oude Hof heb ik de herinnering dat er in de kelder in de winterperiode altijd een dikke laag water stond. 's Zomers werd de kelder ook gebruikt door de ijscoman die er zijn staven ijs, waar hij z'n consumptie-ijs mee koelde, in had staan. De ijscoman stond tussen De Oude Hof en Duinen-Zathe in.

Mijn vader had ook wel eens een leerling die het vak veeverloskundige wilde leren en die kwam dan ook bij ons inwonen. Eén van de leerlingen was een zoon van een boer uit Oude Willem. Ik geloof dat die boer Bakker heette. Toen de zoon ging trouwen hebben ze nog een tijd bij ons ingewoond.

Waar we geslapen hebben weet ik niet, want zoveel ruimte was er niet in de woning van De Oude Hof. Achter De Oude Hof hadden we een speeltuin. Niet zo'n grote, want de meeste mensen gingen naar DuinenZathe, de speeltuin daar was veel groter. Janke, mijn zus, heeft later jaren in de keuken van Duinen-Zathe gewerkt. Hard gewerkt kan ik wel zeggen.

Van de speeltuin weet ik nog dat er ook groepen geestelijk gehandicapten bij ons kwamen. Volgens mij kwamen ze uit Franeker. Vroeger noemden we die mensen "achterlijken"

of ook wel "gestoorden". Ja, dat klinkt niet zo leuk, maar het woord geestelijk gehandicapt werd toen

nog niet gebruikt door de gewone burgers. Onze speeltuin was lekker rustig voor hen en zo konden ze lekker schommelen, klimmen en "raar doen". Ze hadden dande grootste lol en maakten heel veel lawaai. Op een keer was één van die gestoorde vrouwen helemaal gek op de chauffeur. Die man heeft een zware dag gehad. Hij wist niet wat hij doen moest om die vrouw kwijt te raken. Wij als kinderen vonden dat geschreeuw en gegil van die mensen prachtig.

Bij De Oude Hof en de speeltuin van ons hadden we ook een fietsenbewaker. Als fietser en klant van De Oude Hof moest je dan een paar centen betalen en dan paste hij op je fiets. Deze man, hij heette Jelte, had op een dag zijn brood vergeten. En zoals mijn moeder was, vroeg ze hem bij ons te komen eten. Na die dag heeft hij nooit meer brood meegenomen.'

 

'We hebben drie of vier jaar in De Oude Hof gewoond. Het ging geloof ik niet zo goed met de combinatie van mijn vaders werk en De Oude Hof. We zijn verhuisd naar "de vaart". Naast de openbare lagere school stond een klein huisje en daarnaast weer een groter huis, een

boerderij. Daar woonde Van der Duin (nu bewoond door Lammert Smit, A.B.). Wij huurden daar de halve woning. Ik herinner mij het huis als tochtig, in de winter konden we het amper warm krijgen. De scheiding tussen de woning van de oude man, Van der Duin, en ons stelde niets voor, door de kieren kon je hem zien zitten.

Omdat wij vlak naast de school woonden ging ik, als mijn moeder de was ophing of in de tuin was, in de morgenpauze vaak stiekem van het schoolplein af (je mocht het plein niet verlaten). Ik ging dan snel de afwas voor haar doen. Of een ander klusje in huis waarmee ik haar kon helpen. Het huis naast de school was erg koud. Als het hard vroor stond het ijs op de onder het bed staande pispot. Op de dekens lag vaak ijs door het bevriezen van de uitgeademde lucht. Ik was nog jong, maar altijd als eerste van bed af. Maakte dan het kleine duvelkacheltje aan met een oude krant onderin, daarop een lichte turf en daar weer een dikke zwarte turf op. Dan wat petroleum erover en dan de fik erin. Als de rest dan uit bed kwam was het al aardig warm in de keuken.

Toen ik op de lagere school zat kon ik al mooi tekenen. Ik was al een aantal jaren van de lagere school af, toen er nóg een paar tekeningen van mij in de school hingen. Tekeningen van zwaluwen op de elektriciteitsdraden, die toen nog boven de grond aan palen hingen, en van een

olifant met een jong.

Natuurlijk was er nog geen aardgas en zoals ook de woningen werd de school verwarmd met turf en eierkolen. Die kolen lagen in het kolenhok (het hok staat er nog) en als je iets heel vervelends had uitgevreten dan moest je voor straf in het kolenhok zitten. Nou, dat was echt niet leuk hoor. Gelukkig heb ik er nooit ingezeten. Vroeger kreeg je al snel een tik of een klap van de meester

als je iets verkeerds deed. Dat kunnen de kinderen van nu zich niet voorstellen, maar ik heb eens een klap van de meester gehad omdat ik niet oplette.

Hier hebben we niet lang gewoond, we gingen naast de woning van Transportbedrijf Betten wonen. Aan de ander kant zat een timmerbedrijf, Veenstra geloof ik (later Hendrik Oosterloo, A.B.).

Het cachot weet ik mij ook nog te herinneren. Volgens mij zat er, behalve tijdens de feestdagen en kermissen, nooit iemand in.'

 

'Hoe lang we daar gewoond hebben weet ik niet meer, maar daarna zijn we naar de Drentseweg verhuisd. We huurden de woning van Jan van Buiten, de vader van Kobus, Hendrik en Roefke van Buiten. (Nu woont er een zoon van Kobus zijn tweede vrouw. Achter de woning stond een boerderij en daar woonde Kobus van Buiten. Mijn tante weet niet meer wie er voor de oorlog woonde, maar volgens Luwe Oosting was dat Hendrikus Tichelaar. A.B.)

Toen we verhuisden naar de Drentseweg was ik al van de lagere school af. Ik herinner mij nog de vriendinnen van de lagere schooltijd. Aukje Bakker, dochter van een "grote boer" uit Oude Willem. Lamkje Vondeling, zuster van Anne en Lense Vondeling, die woonde aan de overkant

van de vaart. Meester Tiemstra was hoofdmeester van de lagere school en die had een dochter, ze heette Siemie. Zij was ook een vriendin van mij. Die Tiemstra had altijd hele vette kleren aan, vooral de broekzakken waren erg vet en daarom noemden we hem ook wel vetzak.

Dirkje Jongsma woonde bij het Bergje. In mijn lagere schooltijd hadden we juf Kerkhof of juf Ebbinga, ze kwam uit Lippenhuizen en gaf aan ons handwerken. Tussen de middag holde ik, maar ook m'n zus Janke en broer Marten, via de Smidslaan, wat toen nog een modderpad was, naar huis. Dan bleef je weer met een klomp of schoen in de modder steken, natte kousen natuurlijk. We moesten wel hollen, want we aten tussen de middag altijd warm en dan had je net genoeg tijd

om weer op tijd op school te zijn. Vaak met steken in de zij van her hardlopen met een volle maag. Ja, het was met slecht weer altijd een geploeter om via de Smidslaan thuis te komen. Binnendoor soms over sloten heen. Aan één kant was toen alleen maar weiland en aan de andere kant stonden een paar huizen.

Wat gek  dat ik mij geen smederij herinner aan het begin van de Smidslaan. Een tijd lang was ik heel vaak zondagsmiddags bij Henk Zwart thuis in All American. Dan zaten we te tekenen, te kleuren en te schilderen. Zijn vader kreeg ik bijna nooit te zien. Ik weet ook niet meer wat die man voor werk deed, maar volgens mij was het wel iets bijzonders. Jammer dat Henk is overleden, ik had hem toch nog graag eens gesproken, maar daar denk je dan weer aan als je zo’n interview hebt.

Henk liep mij altijd achterna. Hij liep mij wel wat te veel achterna en als ik hem dan vanuit huis aan zag komen, vroeg ik mijn moeder wel eens om te zeggen dar ik er niet was.

De naam Hendrik Morsje ken ik ook nog, wat was ook al weer zijn echte naam? (Hendrik de Vries, A.B.) In mijn herinnering was die Hendrik nogal eens aan het vechten, vooral als het Kermis in Appelscha was. Ik weet nog dat hij tijdens een kermis eens grote ruzie heeft gehad met Rooie Arie (Arie de Boer, A.B.) en daar kwamen ook messen aan te pas.

Toen wij aan de vaart naast Betten woonden had je ook de kroeg van Bruinsma. Die had een zoon die Koert heette. Koert was een klier, heel vaak liep hij mij uit school achterna en trok hij mij aan de haren. Hij heeft mij ook eens een bloedneus geslagen. Ik herinner mij ook een winkeltje van Oldersma, die klompen te koop had.

Sommige jaren ging ik in de herfst eikels zoeken. Daar kreeg je dan geld voor. Dit was dan voor de bosbouw zeiden ze, maar ik denk dat de varkens de eikels kregen. Omdat ik thuis altijd als eerste van bed was, ging ik vaak al heel vroeg op pad met jutezakken om eikels te zoeken. Volgens mij kreeg je voor een volle jutezak wel een rijksdaalder en dat was veel geld in die tijd.

Aan de overkant van ons huis aan de Drentseweg (tussen de achterweg, nu Oosterse Es, en de Drentseweg) had je veel land met knollen. Witte knollen met een paarsachtige bovenkant bij het loof. Die waren lekker. Een enkele keer zie je ze nog wel eens op de markt liggen.

In Appelscha was, toen ik jong was, een apotheek waar ze schoenen verkochten (Dit was de drogisterij en schoenhandel van familie Hoogeveen. Nu is Woningstoffering en Zonwering Dillingh hier gevestigd, Vaart Zuidzijde 76. Red.).'

 

Zoon Gerard, die bij een deel van het interview aanwezig was, vroeg aan z'n moeder: 'Ma vertel eens hoe jullie vroeger Sinterklaas vierden.' 'Dat vierden we niet', zei zijn moeder, mijn tante, 'we wisten nauwelijks dat we jarig waren. Ik herinner me wel een keer dat m’n moeder mooie appels aan de deur had gekocht en die wilde ze met Sinterklaas te voorschijn halen. Niemand mocht het

weten, Marten, Janke en natuurlijk ook mijn vader niet, maar we moesten wel iedere week naar boven op zolder om te kijken of de appels nog goed waren. Dan draaiden we ze ook om. Maar we hebben geen Sinterklaas gevierd. Mijn vader wilde daar niets van weten, hij vond dat niet nodig, evenmin als het vieren van verjaardagen en kerstdagen. Je begrijpt wel. Mijn moeder had niet veel, zeg maar niets, te vertellen. Hoe het met die appels is afgelopen weet ik niet meer.'

 

Jannie van der Schootbrugge-Boonstra vervolgt: 'In het Compagnonshotel heb ik al heel jong leren dansen omdat ik vriendin was met het meisje, de dochter van de uitbater. Dat was leuk. Want er kwamen ook mensen met de tram, die door Appelscha reed, naar het Compagnonshotel. En dan mocht mijn vriendinnetje voor die mensen een beetje op de piano spelen. Dat was altijd heel gezellig. Als ik mij goed herinner heette mijn vriendinnetje De Vries van achternaam. Vanuit het Compagnonshotel is de familie toen verhuisd naar de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Ik heb ze daar later eens opgezocht.

Vanaf de lagere school ben ik naar Van der Zee in Gorredijk gegaan. Daar heb ik misschien twee jaar gewerkt, toen moest ik van mijn vader naar Apeldoorn.

Dat moest van hem, want hij vond het nodig dat ik daar de opleiding voor leerling-verpleegster zou doen. Ik had daar helemaal geen zin in, maar mijn vader kende daar een verpleegster. Die had eerst in Appelscha in het sanatorium gewerkt en was een hele goede vriendin van een vrouwelijke dokter. Mijn vader kwam regelmatig in het sanatorium, want met sommige doctoren had hij goede contacten.

Die verpleegster en de vrouwelijke dokter hadden samen een groot huis laten bouwen aan de Jachtlaan in Apeldoorn. Daar moest ik toen heen van mijn vader, daar zou ik een goede opleiding krijgen. Veel later vermoedde ik dat ze lesbisch waren, maar toen in die tijd, omstreeks 1934, wist ik daar natuurlijk niets van. Maar het klikte blijkbaar toch niet zo goed tussen beide dames, want toen ik daar werkte en leerde heeft één van de twee zelfmoord gepleegd. Welke van de twee weet ik niet

meer. Het was voor mij een schok, want ik vond haar in de tuin voor het huis en heb direct de buren gewaarschuwd.

Na dit drama wilde ik daar vandaan. Het gespaarde geld, zestig gulden (ruim 27 euro), waar ik trots op was, heb ik van de bank gehaald en daarna ben ik naar mijn ouderlijk huis in Appelscha aan de Drentseweg gegaan. Mijn vader zei dat ik nog wel opgeroepen zou worden als getuige, maar ik heb er nooit meer iets van gehoord. Heel vreemd.

Een paar weken later werd ik door mijn vader naar Hilversum gestuurd. Daar woonde mijn tante Sjoukje, de oudste zus van mijn vader, die was getrouwd met een aannemer: Jaap de Boer uit Lippenhuizen. Die ome Jaap had een paar huizen in Bussum gebouwd, maar hij kon ze niet allemaal kwijt en ging er bijna aan failliet. De jaren vóór de Tweede Wereldoorlog waren voor veel mensen

slechte jaren. Hoe dat allemaal gegaan is met de verkoop van die huizen weet ik niet, maar op een bepaald moment had hij een hele grote villa in Hilversum gehuurd of gekocht. Daar hebben ze een pension van gemaakt. In dat pension heb ik gewerkt.

Met tante Sjoukje kon ik helemaal niet opschieten, wat een drama, maar ik heb er wel zes jaar gewerkt! Wat moest je anders? Je was allang blij dat je werk had. In die tijd leerde ik Jan van de Schootbrugge kennen, hij woonde in Hilversum en werd later mijn man. Gelukkig vond ik na al die jaren bij mijn oom en tante een ander werkhuis, toen was het al oorlog. Werken, vroeger heette dat dienen, bij een familie met een heel groot huis in Wassenaar. Daar woonde ik, net zoals bij

mijn tante, bij in. De man van dat gezin is ambassadeur geworden in de Sovjet-Unie, dat was volgens mij nog in de oorlog. In Wassenaar woonde ik dicht bij Jan uit Hilversum. Jan werkte toen in Den Haag.

De familie waar ik toen diende had, in tegenstelling tot de meeste Nederlanders, heel veel eten in huis. Dat voedsel lag boven op zolder, achter hekken. Allemaal balen rijst en veel blikken met hammen, ja en nog veel meer. Maar de hekken zaten op slot en de vrouw des huizes had de sleutel, dus konden wij als diensters (er was nog een meisje) er niet bij komen. Maar op een dag gebeurde er iets .... Het tweede meisje, ik was het eerste meisje, ja, we hadden ook nog een rangorde, had een dag vrij en ik dacht, oh jee, dat arme kind krijgt nu de hele dag niets te eten. Het was immers

oorlog, je kon niet zo maar ergens eten halen. Ik moest natuurlijk zoals elke dag het eten voor de

familie verzorgen en alles wat daar bij hoorde, voordat ze aan tafel konden. Stiekem sneed ik voor her tweede meisje een dik plak ham af, ze zou dat van mij krijgen als ze die avond weer terugkwam. De plak ham verstopte ik helemaal achterin de bestekbak, maar dat rijke rotwijf van het huis vond het! Ze had ongemerkt gezien wat ik had gedaan en was zo verschrikkelijk kwaad op mij, dat ik echt bang was dat ze me weg zou sturen en dat wilde ik beslist niet. Waar kon je weer aan het werk komen? In de oorlog en met de referenties dat ik ham had achtergehouden. Gelukkig kreeg ik geen ontslag.

Het dienstmeisje en ik kregen wel overal de schuld van. Onder het huis was een hele grote kelder waar ook de restjes van het eten bewaard werden. De zoon, een opgroeiende jongen, zat wel eens bij die restjes als hij trek had. Dat mocht niet van zijn ouders en daarom deed hij het stiekem. Maar zijn moeder, onze bazin, dacht dan weer dat wij, de dienstmeisjes, dat hadden gedaan en dan

kregen we er weer van langs.

Regelmatig smokkelde ik in de oorlog eten naar buiten en verstopte het in het kolenhok dat opzij van het huis stond. Als Jan avonddienst had gehad, kwam hij met het trammetje van Den Haag naar Wassenaar en haalde dan met grote voorzichtigheid het eten uit het kolenhok. Ik heb heel wat eten naar het kolenhok gesleept. Voor Jan was het ook nog heel gevaarlijk, want het was daar spergebied

in de oorlog.

Na de oorlog werd ik huisbewaarster van een advocatenkantoor in Wassenaar en moest voor de heren advocaten onder andere het ontbijt klaarmaken en serveren. Het grote huis schoonhouden de kachel stoken en alle klusjes doen die er te doen waren op huishoudelijk gebied, enz. Op een bepaald moment kon Jan voor zijn werk bij de politie terug naar zijn woonplaats Hilversum. Daar ging

hij werken en dat wilden we ook heel graag. We woonden niet samen, oh nee, dat deed je niet in die tijd. Maar mijn werkgever(s) in het advocatenkantoor hadden bedacht dat wij dan maar op de bovenetage van dat grote huis moesten wonen en ze lieten al muren uitbreken om er een bovenwoning van te maken. Maar Jan en ik besloten bij zijn moeder in Hilversum te gaan inwonen. Ja, dat was wel een drama voor die mensen van het advocatenkantoor.

Nadat we getrouwd zijn hebben we nog een aantal jaren bij mijn schoonmoeder ingewoond. Onze eerste twee kinderen (Gerard en Lilian) zijn daar geboren.

Later, in de jaren vijftig en zestig, gingen we meestal naar Appelscha op vakantie. Marten haalde ons in het begin op uit Hilversum, want wij hadden toen nog geen auto en zij wel. Wij logeerden dan een week, later wel eens twee weken bij mijn ouders aan de Drentseweg.

Jij, Appie, stond dan vaak al 's morgens op tijd voor de deur. We zagen je dan wel aan komen lopen vanuit de Smidslaan de Drentseweg op en dan zeiden we, "jongens schiet op, Appie komt er al aan." Veel gingen we het bos in, naar de zandvlakte, waar we diepe kuilen groeven en daar een soort auto van maakten. De jongens klommen wel in de bomen. We gingen naar het zwembad en ook wel eens een keer naar het openluchttheater.

Vissen was ook een veel voorkomende bezigheid in die vakanties. Dat kon ook haast nier anders, want mijn vader zat, als het maar even kon, langs het water van de vaart of één van de wijken. Vissen was zijn grote hobby. Voer maakte hij van havermout, aardappelen en oud

brood en de dobbers maakte hij zelf, van pauwenveren.

Gerard had, toen hij wat ouder werd, wel eens een vriendinnetje in Appelscha en dan was hij met een meisje bij de tent. Het kon dan wel eens gebeuren dat hij niet thuis kwam te eten. Dan vloekte mijn vader er weer op los en verkondigde dat hij geen eten meer kreeg als hij thuiskwam. Maar mijn moeder zorgde er wel voor dat Gerard niets te kort kwam. Ze gooide het eten niet weg.' (slot interview)

 

N.B. Ik heb deze tekst niet aangepast. Niet alle historische details zijn volgens mij helemaal correct.