Gerard van de Schootbrugge & Espunt
3. Jantje Boonstra
3.1 Voorouders
Stamboomonderzoek door Wouter Boonstra, zoon van mijn neef Appie, heeft tot nu toe de volgende voorouders in mannelijke lijn in het geslacht Boonstra opgeleverd.
Het verhaal begint bij Heere Andries Boon die in 1661 in Oudega trouwt. Daarna komen Gerryt Heeres Boon, Heere Gerrits Boon (in 1772 overleden in Drachten), Gerrit Heeres Boon (in 1742 geboren in Drachten), Heere Gerrits Boon (in 1777 geboren in Drachten), Gerrit Heeres Boonstra (in 1807 geboren in Drachten, de eerste Boonstra), Lucas Gerrits Boonstra (op 19 september 1850 geboren in Drachten en op 6 februari 1933 overleden in Donkerbroek), Albert Boonstra (op 24 januari 1894 geboren in Lippenhuizen), Jantje Boonstra (op 9 februari 1918 geboren in Gorredijk).
De naam Boonstra zien we voor het eerst bij de in 1807 geboren Gerrit Heeres Boonstra. Ongetwijfeld als gevolg van de “naamsgeving” van 1811. Bij decreet van Keizer Napoleon van 18 augustus 1811 werd aan alle ingezetenen van de Hollandse departementen die nog geen vaste familienaam of voornaam bezaten, bevolen om binnen één jaar na afkondiging van het decreet een naam aan te nemen. In Friesland had eerder maar 20 % van de mannen een achternaam. Bij de naamsgeving was het in Friesland gebruikelijk dat de achternaam gekoppeld werd aan een woonplaats, gevolgd door stera of stra. Zo zou Boonstra afgeleid zijn van Oldeboo(r)n. Olde liet men dan weg. Zoals men niet de naam Ureterpstra voerde maar Terpstra. Men was overigens nogal losjes met het geven en kiezen van achternamen. Het is niet helemaal duidelijk of eerder Boon ook al een achternaam was omdat de uitgang stra duidelijk de betekenis heeft van “behorend tot de inwoners van”.
3.2 Het gezin van Lucas Boonstra en Janke Jelsma
Opa Albert Boonstra was de jongste uit een gezin van zeven kinderen. Vader: Lucas Gerrits Boonstra is in Drachten geboren (1850 – 1933), hij is arbeider en kastelein (in Lippenhuizen), moeder: Janke Meintes Jeltsma komt uit Lippenhuizen (1855 – 1943), zie afb. 5. Lucas en Janke trouwden op 5 mei 1880. Bij het huwelijk aanwezig waren de ouders van Lucas, Gerrit Heeres Boonstra en Hermina Lucas van Sinderen, en de ouders van Janke, Meinte Simons Jelsma en Sjoukje Alberts Bootsma. Op de trouwdatum van Albert en Lipkje wonen de ouders van Albert in Terwispel. Lucas is landbouwer. Lucas en Janke liggen beiden begraven bij het kleine kerkje van Lippenhuizen. Ze kregen de volgende kinderen:
We hebben geprobeerd nog wat van de historie van Lucas Boonstra en Janke Jelsma op te sporen. De opbrengst was matig. Lucas werd in 1850 in Drachten geboren, Janke in 1855 in Lippenhuizen. Hier duikt voor het eerst Lippenhuizen op. De vader van Janke heette Meinte, de moeder Sjoukje. Beide namen komen weer tegen bij de kinderen van Lucas en Janke. Lucas en Janke trouwen op 5 mei 1880 in Lippenhuizen.
Daarna vertrekken ze al vrij snel naar Hogebeintum, een dorpje boven Leeuwarden dat nog steeds beroemd is door zijn terp met daarop een fraai kerkje. Alleen terpen met een kerk erop hebben de grote terpenstorm overleefd. Alle andere terpen, voor een deel opgehoopte mest, zijn afgegraven en als bodemverbeteraar verkocht aan bezitters van arme grond, met name in het zuidoosten (Appelscha…) van de provincie. Op 27 mei 1881, een jaar na het huwelijk in Lippenhuizen, wordt in Hogebeintum Sjoukje geboren. Na haar volgt in 1883 Hermina, die kort na de geboorte overlijdt. In 1884 wordt opnieuw een meisje geboren dat eveneens de naam Hermina krijgt. Het jaar daarop in 1985 verschijnt Gerrit, gevolgd door Meinte (1888). In 1889 werd dochter Riemkje geboren. In 2020 woonden er in Hogebeintum nog tachtig mensen.
Oom Meinte en tante Engeltje heb ik een aantal malen in Appelscha ontmoet. Ze kwamen bij mooi weer op zondagmiddag graag op de fiets vanuit Donkerbroek naar Appelscha om bij Albert en Lipkje een kopje thee te drinken. Koffie kan ik me niet herinneren. Wel dat er altijd twee koekjes bij de thee lagen. Het tweede was voor het tweede kopje thee. Als je geen thee meer wilde zette je het kopje omgekeerd op het schoteltje.
Intermezzo.Fryske Sûkerbôle
Een andere lekkernij waarmee onze jaarlijkse vakantie werd opgeluisterd was het suikerbrood, de echte Fryske Sûkerbôle. Het is wittebrood waarin brokjes kandij en korrels suiker zijn meegebakken. Naast tot 40% parel- of greinsuiker wordt er kaneel en soms ook gembersiroop aan toegevoegd. In Friesland werd het brood cadeau gegeven aan moeders die bevallen waren van een meisje. Kaneel en gember zouden een helende werking hebben en kracht geven voor het moederschap. Was het een jongetje, dan kreeg de moeder krentencake. Het verschil tussen jongens en meisjes was voor de Friezen geen twistpunt. Er was in Friesland nog nooit een man bevallen. Noch van een meisje, noch van een jongetje. Einde intermezzo.
Intermezzo.Lucas en Janke in Hogebeintum
Zes van de zeven kinderen van Lucas en Janke worden in Hogebeintum geboren. Wat deed Lucas daar? Ik heb het antwoord niet gevonden. Wellicht iets in de veeteelt. Mogelijk betrokken bij het afgraven van de beroemde terp. Ik heb alleen kunnen terugvinden dat hij in Hogebeintum deel uitmaakte van de “Derde Kompagnie van het Tweede Bataillon rustende Schutterij in Friesland, gemeente Ferweradeel”. Maar dat kan geen dagtaak geweest zijn. Een compagnie bestond uit een kapitein, een eerste-luitenant, twee tweede-luitenants, een sergeant-majoor, vier schutters, een fourier, zes korporaals en twee tamboers. Een erfenis van de Fransen uit 1813. Rustende schutterijen bestonden op papier maar trainden en exerceerden niet. Ze waren bestemd voor kleinere gemeentes. Op 29 juli 1889 had Lucas Boonstra zijn dienstperiode er op zitten. Einde intermezzo.
Lucas gaat met Janke terug naar haar geboorteplaats Lippenhuizen. Hij kwam daar terecht in het gebied waar de familie Van Seyen al veel eerder was neergestreken. Op 24 januari 1894 wordt daar hun laatste kind Albert geboren. Lucas Boonstra was Hervormd, zijn zoon Albert was later een overtuigd atheïst met anarchistische neigingen . Hoe lang ze daar dan al zijn als Albert geboren wordt is mij niet bekend. Wel bekend is dat vader Lucas in Lippenhuizen in die periode een café runt bij het sluisje (en de brug) in de Opsterlandse Compagnonsvaart. In de Lippenhuizense periodiek De Harker van maart 2013 (met dank aan Appie Boonstra) staat een artikel geschreven door de lokale geschiedschrijver W. van der Sluis, waarin hij melding maakt van een vergadering in oktober 1905 van Plaatslik Belang in het café van Lucas Boonstra, die zich behalve met de consumpties ook met het overleg bemoeit. Een paar jaar later, in 1913 trouwt dochter Riemkje op 8 mei van dat jaar. Op de acte van de Burgerlijke Stand staat Lucas dan vermeld als veehouder.
Albert wordt boerenknecht bij een lokale boer en ontmoet daar Lipkje van Seyen die bij dezelfde boer als dienstbode werkt. Op 6 september 1917 trouwen ze. Op 9 februari 1918 wordt hun dochter Jantje geboren waaruit we mogen afleiden dat Lipkje tijdens het huwelijk in verwachting was.
Albert Boonstra werd op 24 januari 1894 te Lippenhuizen geboren. Hij overleed op 8 november 1971 te Oosterwolde aan nierfalen. Vroeg in zijn leven was hij net als zijn vader Lucas kastelein. Lucas in Lippenhuizen, Albert in Appelscha. Vervolgens gooide hij het roer om en werd veeverloskundige. Hij trouwde op 6 september 1917 in Opsterland met Lipkje Martens van Seyen, geb. 15 maart 1895 in Lippenhuizen, te Opsterland (Beetsterzwaag?). De ouders van Albert woonden ten tijde van het huwelijk in Gorredijk. De grootouders van Albert, Gerrit en Hermina, zijn dan al overleden.
Lipkje was de dochter van Marten Sytses van Seyen (22-2-1866 – 11-10-1931, veehouder) en Jantje Hendriks Bakker (1-4-1868 – 1958). Jantje is geboren in Tjalleberd. Zij trouwden 01-06-1894. Oma Lipkje overleed op 31 augustus 1962 om 21.00 uur te Appelscha, een paar jaar na haar moeder die op haar oude dag inwoonde bij haar zoon Hendrik die de familieboerderij in Lippenhuizen had overgenomen. Ik heb opoe Jantje een keer ontmoet (zie afb.6). Ik herinner me dat ze een enorme toeter aan haar oor hield om ons te verstaan.
Intermezzo.Wilde meid, Sterke vrouw.
In haar jeugd, toen ze zelf ook in Lippenhuizen woonde, kwam mijn moeder geregeld bij haar oma waarnaar ze was vernoemd. Ooit vertelde ze dat ze nogal ondeugend was. Je zou haar nu misschien een tomboy hebben genoemd. Ze was in ieder geval niet bang uitgevallen en bepaald avontuurlijk. Ze klom graag in bomen. En ze beleefde veel plezier aan het dollen met de varkens bij oma Jantje in Lippenhuizen, bv door ze te voeren met stukken dakpan. Varkens waren volgens haar culinair niet erg kieskeurig.
Zij heeft haar hele leven een bewonderenswaardige zelfstandigheid, branie bijna, gepaard aan een sterke mate van verlegenheid, schuchterheid. Al haar kinderen hebben daar wel een tikje van meegekregen. In gezelschap voelde ze zich ongemakkelijk. Met haar man mee naar grote gebeurtenissen was een opgave. Haar verlegenheid lokte plagerijen uit. Zo was opa Schootbrugge (Gerrit) nogal plagerig aangelegd. Ma vond dat vervelend en het was niet bevorderlijk voor een fijne relatie met haar schoonvader. Erger nog was ome Kees Huurdeman, een broer van oma Schootbrugge. Daar had ze dan ook echt een hekel aan. Pas op hoge leeftijd werd dit gevoel minder. Maar feit bleef dat ze graag op zichzelf was. Ze heeft tot het laatst geprobeerd het allemaal zelf te doen. Tot ze er letterlijk bij neerviel.
Einde intermezzo.
Oma Lipkje Martens van Seyen was de oudste telg in het gezin van Marten van Seyen en Jantje Bakker. Ze had de volgende broers en zussen:
3.3 1918. Jantje geboren in Gorredijk
Mijn moeder, Jantje Boonstra, werd op 9 februari 1918 in Gorredijk geboren als eerste dochter van Albert Boonstra en Lipkje van Seijen, haar heit en mem, voor mij opa en oma Boonstra (pake en beppe). Een stevige meid: negen pond. Naar eigen zeggen liep ze al bij negen maanden. En ze bleef lopen tot bijna haar laatste snik in 2013.
Albert en Lipkje waren op 6 september 1917 in Gorredijk getrouwd en waren daar ook gaan wonen. Zij werkten in Terwispel bij dezelfde boer, Albert als knecht, Lipkje als dienstbode. Een half jaar later verhuisde het gezin Boonstra van Gorredijk naar het naburige en nog kleinere Lippenhuizen, de geboorteplaats van opa Albert. Oma Lipkje kwam uit het naastliggende Terwispel. Daar werden zus Janke, vernoemd naar haar oma van vaders zijde (geb. 30-10-1919, ovl. 08-04-1995 ) en broer Marten, vernoemd naar zijn opa van moeders zijde (geb. 25-9-1921, Lippenhuizen – ovl. 19-4-2003) geboren. Jantje bezocht in Lippenhuizen nog enkele jaren de lagere school (het schoolgebouwtje staat er nog en heeft lang dienst gedaan als gemeenschapscentrum).
Zus Janke, trouwde op 5 januari 1951 met Harm (officieel Armand) van Zwol (geboren in Terwispel, ovl. 8 – 4- 1995), een landarbeider die regelmatig in Duitsland seizoensarbeid verrichtte. Het gezin vestigde zich in het Noord-Hollandse Twisk. Zij kregen drie kinderen: Lilian, Harrie en Bert. De beide zoons overleden op jonge leeftijd aan spierdystrofie. Een heel trieste geschiedenis.
Broer Marten (1921 – 2003) trouwde op 18 november 1948 met Egbertje Homan (tante Eppie, geb. 05-11-1920, ovl. 27-10-1997). Zij kregen drie kinderen: Albert (Appie, geb. 7-6-1949), Johanna Geertruida (Janneke, geb. 8-3-1953, overleden) en Lambertus (Bert, geb. 30-10-1959).
Ome Marten volgde de lagere school en de MULO in Oosterwolde. Daarna had hij diverse baantjes waaronder bakkersknecht en kruideniersbediende. In juni 1940 had hij moeten opkomen voor militaire dienst. De Duitsers waren eerder. In de herfst van 1942 werd hij voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland overgebracht. Als hij zich had onttrokken was zijn vader, opa Albert, opgepakt. Pas na twee jaar en negen maanden kwam hij weer thuis. Vlak voor de oproep had hij tante Eppie ontmoet. Hij werd tewerkgesteld bij de Thüringse Zellwolle AG (springstofproductie) in Schwarza. Hij bleef al die tijd met zijn vriendin corresponderen. Op het einde van de oorlog wist hij weg te komen. Een lange omweg via Frankrijk bracht hem uiteindelijk weer terug in Appelscha. De verrassing had niet groter kunnen zijn. Wat was er gebeurd? Na zijn ontsnapping was hij als vermist in een document van het Rode Kruis opgenomen. Dit document werd vervolgens in Appelscha afgeleverd. De situatie op dat moment was: opa Albert in Groningen opgenomen met hersenvliesontsteking, oma Lipkje in Groningen bij haar man die op het randje van de dood zweefde. Alleen Janke was thuis en zij nam het bericht in ontvangst. Een bericht over haar broer. Maar het was geen goed bericht. Marten was als vermist opgegeven. Dat betekende vaak: niet meer in leven. Janke realiseerde zich dat deze boodschap wel eens te veel zou kunnen zijn voor haar vader. Zij besloot om het bericht achter te houden! De onzekerheid omtrent het lot van Marten bleef geruime tijd bestaan. Men vreesde voor het ergste. En toen, op een goede dag, was hij terug! Een wonder! Toen kwam ook het verhaal van Janke boven tafel. Zij had al die tijd met een vreselijk geheim rondgelopen. Opa kwam er weer bovenop. Zonder antibiotica.
Na thuiskomst werkte Marten enige tijd als chauffeur voor het Nederlands Volksherstel. Hij vervoerde vee uit het Noorden naar de Betuwe. Daarna was hij als bediende nog even terug bij zijn oude baas, de kruidenier. Na zijn huwelijk in 1948 ging hij bij zijn vader werken, leerde van hem het vak en deed in 1956 met succes het examen veeverloskunde in Den Haag. In 1976 nam hij de veeverloskundige praktijk van zijn vader over. In 1986 stopte hij met zijn werk.
Marten en Eppie woonden nog enige tijd in bij opa en oma op de Drentscheweg 153A in Appelscha, waar Appie en Janneke werden geboren. Wat later verhuisden ze naar een nieuwbouwhuis aan het Smidslaantje in Appelscha waar Bert werd geboren. Veel later, toen de kinderen al het huis uit waren, verhuisden ze naar een nieuw huis aan de 1steWijk 4a in Appelscha. Niet lang na het overlijden van oma Lipkje verhuisde ook opa Albert naar het Smidslaantje.
Appie trouwde met Hanneke en kreeg drie kinderen: Marten (geb. 27-10-1976, partner Trijnie), Hedzer (geb. 27-10-1978, partner Linda) en Wouter (geb. 17-12-1980). Janneke kreeg een dochter Renske. Bert bleef kinderloos.
Intermezzo.Sinterklaas en de Opsterlandse Compagnonsvaart
Gorredijk is een dorp in de buurt van Heerenveen waar men, naast allerlei andere gewichtige zaken, al in 1630 begon met het graven van de Opsterlandse Compagnonsvaart, van belang voor de turfwinning. Maar ook, bijna terloops, voor de verbinding met Appelscha (via Lippenhuizen). De vaart passeert Appelscha en sluit in Smilde aan op de Drentse Hoofdvaart. Turfschippers zijn zeldzaam geworden. Er is nu een wel Turfroute, maar die is bedoeld voor de plezierjacht en het toerisme. Loodrecht op de vaart steken kleinere waterwegen, zogenoemde wijken of wieken het ontginningsgebied (het hoogveen) in. Met name in de zevende en de negende wiek heb ik vaak gevist als wij op vakantie waren in Appelscha.
De vaart was om allerlei redenen van groot belang voor Appelscha. Zo waren Gemma en ik een aantal jaren geleden, bij toeval, getuige van het begin van de intocht van Sint Nicolaas in Appelscha. Wij hadden mijn moeder achtergelaten in Appelscha bij neef Appie Boonstra, zoon van ome Marten, broer van mijn moeder, en tante Eppie. Hij had gevraagd of hij maar mocht interviewen voor Zoolstede, het verenigingsblad van de HVA (Historische Vereniging Appelscha). Gemma en ik reden aan de noordzijde van de Opsterlandse Compagnonsvaart richting Smilde. Op een zeker moment viel mijn blik op een bootje dat aan de overzijde, aan de zuidzijde van de vaart aan zeer lagerwal lag. Op het bootje enkele vrolijke pieten. Al snel werd duidelijk wat hun zo vrolijk stemde. Boven aan de weg was een busje van een plaatselijk timmerbedrijf gestopt waar met de nodige moeite de Goedheiligman uit tevoorschijn kwam. Deze moest toen nog langs de steile walkant omlaag. Hij deed dat, ervaren, door op zijn hurken met de staf als steun omlaag te glijden. Hij landde met een flinke vaart in het bootje waar gelukkig enkele pieten klaar stonden om zijn afdaling af te remmen. Het weerzien was hartelijk en welgemoed ging het gezelschap op weg naar het verre Appelscha waar de jeugd vol verwachting stond de zingen. Een lange boottocht door de Opsterlandse Compagnonsvaart langs eenzame boerderijen in een verlaten winterlandschap met soms een boer met vrouw hartelijk zwaaiend vanaf het erf. Het weerhield de pieten er niet van met hun muziekinstrumenten een vrolijke sfeer te creëren op en langs de verlaten vaart. Hoe zou de Sint ooit Appelscha kunnen bereiken zonder de vaart?
Einde intermezzo.
Intermezzo.Naamgeving
Mijn moeder kreeg de naam Jantje (naar haar oma van moeders kant, Jantje Bakker). Later, eenmaal weg uit Friesland en aangekomen in Hilversum, werd het Jannie ook al omdat zij trouwde met een Jan. Jan en Jannie klinkt inderdaad beter dan Jan en Jantje.
Wie een beetje teruggaat in de geschiedenis stuit al vrij snel op een heldere naamgevingscode waarin de verbinding met voorouders tot uitdrukking kwam. Pas halverwege de 20steeeuw hebben we ook deze vorm van vrijheidsbeperking over boord gegooid. De samenleving maakte een sociale draai richting de jeugd. En van een jeugdcultuur mag je niet verwachten dat er grote belangstelling is voor de historie in het algemeen en voor de familiehistorie in het bijzonder. Naamgeving werd trendgevoelig, met alle gevolgen van dien. Als je vernoemd bent naar een gevallen beroemdheid heb je nu een groot probleem. Trendgevoelig is ook de link met vrouwenrechten waardoor vooral achternamen niet meer vanzelfsprekend zijn. En dan hebben we het nog niet over de verwarring tussen biologische en niet-biologische ouders, ouderloze kinderen, etc. Ik vrees dat er over een eeuw veel meer puzzelwerk nodig is om afstammingslijnen af te leiden. Maar misschien zit de hele mensheid dan in een enorme genen-database en kunnen we vandaaruit afstammingslijntjes trekken. Of stippellijntjes.
Op dit moment (2020) lijken de mogelijkheden die de moderne technologie met internet, scannen, etc. biedt, tot een zekere kentering te leiden in de belangstelling voor afstammingszaken. Je hoeft nu voor een eerste verkenning vaak geen afspraken meer te maken met verre archiefbeheerders die beloven relevante stukken uit zwaarbewaakte bunkers aan het licht te brengen. Vanachter het beeldscherm kom je tegenwoordig al heel wat te weten. En de samenleving vergrijst snel. Ook dat plaatst het jeugdverhaal in een andere context. Einde intermezzo.
3.4 1927, Naar Appelscha
In 1927 verhuisde het gezin van Albert en Lipkje van Lippenhuizen naar Appelscha. Het gezin woonde daar op vier adressen. Twee keer langs de vaart, daarna in een klein logement, waar ook sterke drank werd geschonken, en tenslotte op de voorlopige eindbestemming op de Drentscheweg 153A. Het logement werd gerund door oma Lipkje samen met dochter Jantje. Opa, ooit kastelein (in navolging van zijn vader Lucas), was toen al actief als veeverloskundige.
Het eerste verblijf in Appelscha was een klein en tochtig huisje aan de zuidzijde van de Opsterlandse Compagnonsvaart. Het huisje was niet alleen tochtig en klein, ze moesten het ook nog delen met andere bewoners. Volgens mijn moeder hing er ergens een gordijn dat de leefruimte in tweeën deelde. Het huisje stond vrijwel naast de Openbare Lagere School, waar mijn moeder haar schoolloopbaan volbracht (8 jaar lagere school). De leerplicht liep in die tijd tot 14 jaar. Voor veel kinderen de leeftijd om werk te zoeken om bij te dragen aan het gezinsinkomen. Overigens waren er in die tijd genoeg kinderen die al jonger geheel of gedeeltelijk stopten met school omdat ze een of ander baantje hadden.
Voor Jantje was het niet anders. Na acht jaar lagere school werd ze geacht wat mee te gaan verdienen. Ook voor het gezin van Albert en Lipkje was het sappelen. Later vertelde mijn moeder dat ze tijdens het speelkwartier wel eens even stiekem naar huis glipte om voor haar moeder de afwas te doen. De woning aan de vaart ken ik alleen uit de verhalen en van een paar oude plaatjes die mijn neef Appie Boonstra mij toespeelde. Het huisje staat er al lang niet meer.
Mijn moeder herinnerde zich nog dat in de wintertijd sommige kinderen eerder naar huis mochten zodat ze voor het donker thuis waren. Die woonden in afgelegen boerderijen en moesten vaak twee uur lopen om bijvoorbeeld hun woonplekje in de Oude Willem te bereiken.
Na een paar jaar verhuisde het gezin naar de Drentscheweg 153A in Appelscha, een klinkerstraatverbinding tussen Appelscha en Smilde aan de Drentse Hoofdvaart. Het huis was eigendom van Jacobus van Buiten, de buurman, die een boerderij runde, samen met echtgenote Antje. Later trouwde hij opnieuw. Kobus heeft veel geld verdiend met de verkoop van turfmolm als vulsel voor kattenbakken. Turf is in Appelscha nooit ver. Ook in de achtertuin troffen we ooit bij toeval, tijdens een zomervakantie onder het gras turf aan.
Op 8 september 2002 waren we in Appelscha. Ma wilde nog een keer met de hele familie (Boonstra / Schootbrugge) in hotel Appelscha waar ze ooit ook nog had gewerkt, gezamenlijk dineren. Rond 18.00 uur hebben we eerst nog een keer aangebeld op nr 153A, dat intussen nr 8 was geworden. Er deed een jonge vrouw open. Zij bleek de echtgenote van een zoon van Kobus te zijn. Ze woonden er op dat moment een jaar. Kobus was in 2000 overleden.
Een van de eerste aanbidders van Jantje was Henkie Zwart, die een paar honderd meter verderop woonde. Zijn haarkleur correspondeerde niet met zijn naam, het was spierwit en dat werkte niet in zijn voordeel. Nomen est Omen, maar dan andersom. Ze moest niets van hem hebben, maar Henkie Zwart was een volhoudertje. Neef Appie, zijn hele leven woonachtig in Appelscha en daar actief in de lokale politiek reageerde op 30 augustus 2020 op een verhaal van mij over De Paardenkastanje: ‘Henk Zwart - hij rust in vrede - oud-wethouder voor de PvdA in onze gemeente Ooststellingwerf, als jongeling had hij meer dan één oogje op jouw moeder, mijn Tante Jannie, droeg altijd een paardenkastanje ( de vrucht uiteraard) in zijn broekzak. Dit omdat dat volgens hem goed was tegen rugklachten. Ik was nogal sceptisch toen hij mij dat decennia geleden vertelde.’
De opmerkelijke haarkleur was in die streken zeker niet zeldzaam. Kobus en Antje, de buren hadden een zoontje Lammert met zeer wit haar. Al op jonge leeftijd liet het manneke omstanders weten: “Lammert heeft sikkenhaar”, maar dan op zijn Fries.
Jantje Boonstra was nogal verlegen, maar ze had wel degelijk belangstelling voor het andere geslacht. Helaas voor witte Henkie Zwart hoorde hij niet bij de uitverkorenen. Veel later was er ook in Hilversum een vurige aanbidder waar ze maar moeilijk vanaf kwam. Mooie meisjes hebben het niet altijd makkelijk. Zelfs na het overlijden van mijn vader in 1970, zij was toen 52, hadden mannen nog oog voor haar. Maar, zo liet ze wel eens doorschemeren, ze had aan één man in haar leven genoeg, ook al stierf hij veel te jong. Ze zou het nog ruim veertig jaar verder alleen opknappen. Zoals ze het eigenlijk haar hele leven had gedaan.
Intermezzo.Leven aan de Drentscheweg
Het huis aan de Drentscheweg stond niet ver van de bosrand. Dat huis is mij zeer goed bekend. Vanaf 1946 logeerde ons Hilversumse clubje, Jan, Jannie, Gerard, Lilian en Ben daar ieder jaar in de zomervakantie twee weken. Ondanks het geringe comfort en de beperkte ruimte, wij kinderen sliepen op een matras op de overloop, een superbelevenis waar we het hele jaar naar uitkeken. Er was geen elektriciteit. De verlichting gebeurde met gloeiende gaskousjes (butagas). Riolering was er evenmin. Je behoefte deed je op een poepdoos met een houten deksel in een hok waar het uitermate belabberd meurde (doortrekken bestond ook nog niet; gauw de deksel erop). Als kind probeerde ik me voor te stellen wat er daar beneden allemaal gebeurde. Een duistere zaak. Later hoorde ik dat de excrementen met enige regelmaat door een gespecialiseerd bedrijf werden opgehaald. Een aansluiting op het waterleidingnet was er evenmin. De afwas gebeurde met water uit de regenton, drinkwater kwam uit een pomp op het erf van buurman Kobus van Buiten. Tijdens de vakantie werden wij met een hoge schenkkan op pad gestuurd. Het water was heerlijk koel en een beetje geel gekleurd. Prima te drinken. Uiteraard was er geen badkamer, maar die hadden we zelf in Hilversum toen ook nog niet. Of Friese kinderen net als wij ook één keer per week in de teil gingen, heb ik me toen nooit afgevraagd. Het fenomeen badhuis was in Appelscha onbekend. De belangrijkste moderniteit in huize Boonstra was een telefoonaansluiting waar aanvankelijk een flink deel van de Drentscheweg in noodgevallen op terugviel.
Sensationeel, voor mij, was dat er op een zeker moment tijdens spitwerk in opa’s moestuin een turflaag werd ontsloten. Voor de autochtonen was het minder verrassend. De Opsterlandse Compagnonsvaart was ooit zelfs gegraven ten behoeve van de turfwinning in het grote hoogveengebied. Neef Appie vertelde me dat er na de verhuizing van opa en oma naar het Smidslaantje in de tuin op geringe diepte niet alleen turf voorkwam maar dat de nieuwe bewoners er ook een grote hoeveelheid bruine medicijnflesjes aantroffen. Opa deed wel eens dingen die officieel tot het domein van de veearts behoorden. Hij was al voor de oorlog een keer betrapt en had toen al een veroordeling gekregen. Na de oorlog waren vooral de nieuwe antibiotica zeer verleidelijk. Daar kon je mee scoren.
Opa was een fanatieke visser die zijn eigen madenkwekerij had: een homp vlees van onduidelijke origine in een greppel naast het huis. Aasvliegen deden de rest. En oogsten maar. Vaak was hij dagen van tevoren al bezig met voeren. In zijn omgeving vroeg men zich wel eens af of vissen die zoveel voer hadden gekregen nog wel te verleiden waren om in een stukje aardappel of een made te happen. Maar ze waakten er wel voor om deze twijfel in zijn bijzijn te uiten. Opa nam sommige zaken, en zeker zaken het vissen betreffende, uiterst serieus. Als zijn deskundigheid op visgebied in twijfel werd getrokken, kon hij flink te keer gaan. Zijn favoriete bezigheid was snoeken met levend aas. De buitgemaakte snoeken werden thuis in het schuurtje op een petroleumstel gekookt en daarna met ui op smaak gebracht. Niet onsmakelijk maar voor kinderen levensgevaarlijk. De snoek zit namelijk tjokvol met soepele graten die er blijkbaar ook niet uit te halen waren. Je moest bijna zuigen op je stukje snoek om de graten tijdig “af te vangen” voordat ze in de keel vast bleven zitten. Mijn moeder, hartstochtelijk dierenliefhebster, gruwde van het wrede visbedrijf.
In een groot buitenhok woonde het fabeldier Wodan, de herdershond. Gezakt voor het toelatingsexamen voor de opleiding tot politiehond, kreeg hij zijn eigen onderkomen op de Drentscheweg. Wodan kwam nooit binnen. Groot, sterk, eerste klas waakhond, maar ook een schat voor kinderen (zie afb. 3). En bang voor poezen. Eén venijnige haal over zijn neus was voldoende geweest voor een levenslange poezenfobie. Er waren altijd poesjes, die vaak met teken terugkeerden van bosavonturen. Opa verwijderde ze zonder pardon. En als de jonge poesjes op een slecht moment ter wereld kwamen, verwijderde hij die ook. Wodan werd iedere dag rond een uur of twaalf losgelaten. “Ga maar zwemmen,” zei opa dan. Wodan deed niets liever. Hij rende door de velden naar een vennetje ver weg in het bos. Na wat waterpret kwam hij na een uurtje tevreden terug naar zijn eigen huis. Dat hij daar opgesloten zat, hinderde hem in het geheel niet.
Dit alles maakte de vakanties zeer avontuurlijk. Dat het vaak regende en dat we als we geluk / pech hadden veertien dagen sperziebonen (uit de eigen tuin) aten, was part of the deal. Wel je bord helemaal schoon leeg eten, want er moest ook nog pap in. Als het langdurig regende kwamen de ingebonden jaargangen van De Panorama van zolder. Ieder jaar dezelfde en ieder jaar weer een belevenis. Vooral de voorplaten met de ondeugende chimpansees waren steeds weer een bron van vrolijkheid. Toen overigens nog een magazine dat je rustig ook aan jonge kinderen kon voorleggen.
Einde Intermezzo.
Intermezzo. Opa Albert en oma Lipkje
Mijn moeder was de oudste dochter van Albert Boonstra en Lipkje van Seyen. Hij veeverloskundige annex castreur en hoevenknipper, zij een lieve, zorgzame huisvrouw die veel tijd en energie moest steken in het leefbaar houden van haar huwelijk. Haar echtgenoot was een karakter, een bijzondere kerel, ruw en gehard door zijn beroep dat hij met grote inzet uitoefende. Ook met een intellectuele ambitie. Hij was geïnteresseerd in wetenschap, met name de veeartsenijkunde. Toen ik wat ouder was en wat kennis had verzameld over sterrenkunde en scheikunde steeg ik duidelijk in zijn achting. Zozeer dat ik op een zeker moment met hem mee mocht naar het laboratorium van het in de Appelschaaster bossen gelegen herstellingsoord / sanatorium Beatrixoord. Het hoofd van het lab was een goede kennis van opa. Voor mij de eerste kennismaking met de professionele chemie en biochemie. Het lab maakte een diepe indruk op me. Een wonderlijk hoogtepunt was de demonstratie zuigpipet. Het labhoofd demonstreerde de pipettechniek door wat fluorwaterstof op te zuigen. Een nogal pittig goedje wat bleek toen hij iets te nonchalant handelde en vervolgens als een speer naar een kraan rende om zijn mond te spoelen.
Boeren konden altijd een beroep op opa doen. Dag en nacht. Weer of geen weer. Zijn faam was wijd verbreid. Als de veearts het niet meer zag zitten was er altijd nog Albert Boonstra in Appelscha. Voor de arme boeren was de redding van een koe van levensbelang.
Maar om nou te zeggen dat hij een prettige opvoedingssfeer wist te scheppen. Nee. Is dat een verwijt? Nee, de levensomstandigheden zorgden voor een hard bestaan en het is te begrijpen dat dat effect heeft op de huiselijke gezelligheid. Het was buffelen om het hoofd boven water te houden. Voor vrijwel iedereen. Toen ik mijn moeder ooit een keer vroeg of er in haar jeugd wel eens iets gevierd werd, moest zij lang nadenken maar kon geen voorbeelden bedenken. Geen verjaardagen, geen sinterklaas, geen Kerst, niks. Opa had nog zijn vissen en zijn wekelijkse biljartavondje. Hij lustte graag een borrel en heeft mij bier leren drinken. Smerig! Verder kauwde hij graag op pruimtabak. Gekleurd speeksel werd achteloos rondgekwakt. Gelukkig was er in Appelscha veel ruimte voor zijn kwak.
Het gevolg van zijn “faam” als een soort wonderdokter was dat ook boeren van steeds verder weg zijn hulp inriepen. Hij moest dus vaak grote afstanden afleggen en de reistijd werd uiteraard niet in rekening gebracht. Hij mocht al blij zijn als hij überhaupt een keer geld zag. Aanvankelijk ging hij op de fiets. Later was er een oude Harley (uit de Amerikaanse oorlogsvoorraad), nog weer later een auto (de eerste was dacht ik een Ford Prefect, later een Volkswagen Kever). Hij was dag en nacht beschikbaar, bij weer en ontij. Wij zouden nu zeggen 24/7/365. Hoogste staat van paraatheid. Nooit vakantie. Hij was beschikbaar. En echt niet alleen voor het geld. Er stond bijna continu veel geld uit bij zijn klanten. Daar had hij begrip voor. Hij wist uit eigen ervaring wat armoe was. In de grenstreek tussen Friesland en Drenthe was het sappelen tot een kunst verheven. Toen er na de oorlog ook met medicijnen voor het vee wat te verdienen viel, deed hij wel eens “iets met antibiotica”. Onbevoegd. De veearts was er niet blij mee, wilde het profijt voor zichzelf, en mocht het uiteraard niet weten. Hij werd een paar keer beboet.
Op afbeelding 4. zien we opa, samen met zoon Marten aan het werk bij het castreren van een hengst. Mannenwerk, al zal de hengst er waarschijnlijk anders over gedacht hebben (ontmanningswerk). Hengsten castreren was een behoorlijke klus en niet ongevaarlijk. Bij biggen was het allemaal wat simpeler. Aan verdoving deed hij niet. Als het maar snel ging, was het adagium van mijn opa. Ome Marten nam later de praktijk van zijn vader over. Einde intermezzo.
3.5 Jantjes jonge jaren
Ook in die vroege jaren was er al ruimte voor een schoolreisje. In 1930, mijn moeder was toen 12 jaar oud, ging de reis naar het Paterswoldsemeer, alwaar werd rondgevaren op een grote schuit.
Haar hartsvriendin in die jaren was een meisje Vondeling, de zus van de later bekend geworden PvdA-politicus Anne Vondeling. Het gezin bewoonde een grote boerderij aan een van de 'wieken' (richting Ravenswoud).
In dezelfde periode had mijn moeder een tamme kraai die haar de hele dag vergezelde, zie afb. 7. Als ze op school was, wachtte de vogel haar op waarna ze samen naar huis gingen. Het dier is op een zeker moment door iemand uit de buurt vergiftigd, volgens mijn moeder omdat hij wel eens “iets glinsterends” wegpikte. Ze was daar ook na 80 jaar nog altijd boos over. Ze had iets met vogels.
Aan het werk in Gorredijk
We gaan weer even terug naar de jeugdige Jantje die net de schooldeur achter zich heeft dichtgetrokken. In 1932 vindt mijn grootvader dat zij, op haar veertiende niet langer leerplichtig, nu maar eens geld moet gaan verdienen. In Gorredijk kent hij een hotel (vader Lucas Boonstra zat ook in de horeca, een café bij de kleine sluis in de Opsterlandse Compagnonsvaar ter hoogte van Lippenhuizen) waar ze nog wel een meisje voor dag en nacht konden gebruiken. Hotel Van de Zee, een bekende pleisterplaats voor handelsreizigers. De jongste zus van oma, Roelofje van Seyen, die zes jaar ouder was dan Jantje, werkte er reeds als kamermeisje. Jantje werd tweede kamermeisje, wat in de praktijk betekende dat haar tante 's ochtends nog even kon blijven liggen nadat ze Jantje het bed uit had geduwd om de kachel aan te maken.
Toen we in 2007 met mijn moeder door Friesland toerden, bleek het etablissement nog te bestaan. Het was vooral een restaurant en heette De Vrolijke Keizer. De hotelfunctie bleek secundair geworden. Er was enige druk voor nodig om haar na 75 jaar naar binnen te krijgen. Eenmaal binnen bleek de manager, tot grote opluchting van mijn moeder, blij verrast te zijn met dit onverwachte bezoek. Ik heb mijn moeder wel naar binnen moeten duwen! Al die drukte, waar is dat nou voor nodig. Maar ze herkende nog het nodige en kwam toch enigszins voldaan weer naar buiten.
Ze heeft twee jaar bij Van de Zee gewerkt. Eens in de twee weken ging ze op zondag naar haar ouders in Appelscha, de andere zondag was ze bij haar oma Jantje (van moeders kant) in Gorredijk. Oma Jantje (Bakker) was, na het overlijden van opa Marten (van Seyen), in 1931 weduwe geworden. Oma woonde in een huisje waar de tram (die langs de Opsterlandse Compagnonsvaart liep en ook Appelscha aandeed) op een afstand van minder dan 20 cm langs de voorgevel reed.
Als Jantje naar Appelscha ging, deed ze dat bij voorkeur op de fiets (zie ook afbeelding 8.). Maar owee als de Opsterlandse Compagnonsvaart dicht lag, dan ging haar elfstedenbloed sneller stromen. Dan bond ze haar Friese doorlopers onder. Schaatsen ging net zo snel als fietsen. Ook dansen deed ze graag. In de feesttent Schansburg in Gorredijk. Ze had zelfs dansles gehad en beheerste de polka, de kruispolka, de veleta en de wals. Het was de dans die uiteindelijk ook aan de wieg van mijn leven stond.
Tijdens haar betrekking bij Hotel van de Zee in Gorredijk ging ma op haar vrije woensdagavond vaak naar haar nichtje Grietje (geboren in 1926), de dochter van oom Gerrit en tante Jantje. Gerrit Lucas Boonstra, een broer van vader Albert, was getrouwd met Jantje Riegler, dochter van slager Riegler in Gorredijk. Gerrit en Jantje woonden naast de slagerij. Mijn moeder vertelde dat ze poppenkleertjes maakte voor Grietje, die toen een jaar of zeven was.
Intermezzo. Schaatsen
Ze schaatste goed en graag. Ze heeft al haar kinderen schaatsen geleerd. Omdat ’t Gooi wat minder waterrijk is dan Friesland, oefenden we (in de Stalpaertstraat, Hilversum) achter het huis op het paadje van de keuken naar het schuurtje. Als het goed vroor, en dat deed het in mijn jeugd regelmatig, was ze de hele avond in de weer met emmers water, zodat we de volgende dag onze privé-kunstijsbaan hadden. Het paadje liep richting schuurtje wat af. Het gevolg was dat wij in grootse stijl tegen de schuurdeur knalden, niet wetend hoe te remmen, en dat we klunend over de grasrand weer omhoog strompelden. Later schaatste ik met haar op de Wasmeer bij Anna’s Hoeve. Wat mij betreft niet echt een genoegen. Mijn laarzen boden enige stabiliteit mits de schaatsriempjes vernietigend strak waren aangetrokken. Daardoor werd de doorbloeding ernstig gehinderd met ijsklompen tot gevolg. Ook de vijver bij de Noorderbegraafplaats was in mijn jeugd een winters paradijs. Einde intermezzo 9.
Van Gorredijk naar Apeldoorn
In 1934 volgde een nieuw avontuur. Mijn grootvader behoorde tot de notabelen van Appelscha (waar in zo’n dorp ook weer niet zo heel veel voor nodig was, maar dit terzijde) en hij had contacten met de leiding van het sanatorium, het latere Beatrixoord, in de bossen van Appelscha, waar tbc-patiënten op adem konden komen. Het sanatorium werd in 1922 van Joure overgeheveld naar de bossen van Appelscha en gaat dan vanaf 1946 verder als Beatrixoord. In 1963 volgde de verhuizing naar Haren.
Een vrouwelijke arts van het sanatorium had aangekondigd dat ze in Apeldoorn een herstellingsoord wilde beginnen. Samen met een verpleegster. Toen mijn opa dit vernam, liet hij weten dat hij eventueel een zeer capabele en ijverige dochter in de aanbieding had. Het leek hem een mooie plek voor mijn moeder, intussen dus een jaar of 16. Desnoods voor niks, als ze maar wat leerde, was de inzet van haar vader. En Jantje zag op haar beurt een vertrek uit Friesland ook wel zitten. Ze had al langer de overtuiging dat de wereld groter was dan het mooie maar ook armoedige Appelscha. Ze werd aangenomen voor huishoudelijk werk en verhuisde naar een mooie villa in Apeldoorn.
Mijn moeder was allengs uitgegroeid tot een mooie, frisse, vitale meid met een verbluffende energie en een aanzienlijke creativiteit. Ze had duidelijk tekentalent en was handig met textiel. Het tekenen zakte later wat weg, maar naaien, verstellen, breien (na eerst ander breiwerk te hebben uitgehaald), borduren, bleef ze tot op hoge leeftijd doen. De naaimachine was altijd binnen handbereik. Met muziek had ze minder, behalve in de dansperiode van haar leven. En ze had intussen ook wel gemerkt dat dat alles niet onopgemerkt bleef. Zeker niet toen ze begon te investeren in (zelfgemaakte) modieuze kleding. De betreffende arts kreeg van mijn grootvader dan ook het dringende verzoek zijn dochter goed in de gaten te houden en in ieder geval “te voorkomen dat ze schoenen met hoge hakken ging dragen”. Maar Jantje weigerde pantoffels, aldus de schriftelijke rapportage die vanuit Apeldoorn in Appelscha arriveerde. Mijn moeder trok zich weinig aan van de lange, maar in feite machteloze arm van haar vader en was alleen maar blij dat ze wat afstand van het boerenland had gecreëerd. Ze verveelde zich daar ernstig en wilde al heel jong richting Amsterdam.
Ze was rebels. Van jongs af aan. Een durfal. Dat kwam ook in Apeldoorn aan het licht. Op een gegeven moment liet ze een vriendje uit Appelscha overkomen voor een gezellig weekendje. Samen in een hotel in Apeldoorn. Wel elk een eigen kamer, voegde ze er met een kleur aan toe toen ze mij dit geheim op hoge leeftijd toevertrouwde.
Het avontuur in Apeldoorn kreeg een dramatisch einde. Op een zeker moment trof mijn moeder de verpleegster dood aan. Het bleek dat ze zich van het leven had beroofd. Waarom, is mijn moeder nooit duidelijk geworden, maar wel duidelijk werd haar (veel later) dat beide vrouwen een lesbische relatie hadden. Overigens was het woord lesbisch mijn moeder in die tijd volstrekt onbekend. Er was waarschijnlijk iets ernstigs misgegaan in die relatie. Ook deze tussenstop van mijn moeder hebben we in 2011 nog eens opgezocht. Zie afbeelding 10.
3.6 1936, Hilversum komt in zicht
Hoe het ook zij, mijn grootvader stond opnieuw voor de vraag: wat nu? Terug naar Friesland was geen optie. Mijn moeder wilde immers weg van het platteland. Het toeval wilde dat haar tante Sjoukje, een zus van haar vader, zich in Hilversum had gevestigd en hulp in de huishouding zocht. Zij was getrouwd met Jacob de Boer, een aannemer en projectontwikkelaar, die veel had gebouwd in wat toen nog “Hilversum-Over het Spoor” heette, een groot uitbreidingsplan uit de jaren dertig. Oom Jacob had onder meer de Snelliusschool gebouwd. Maar de grote crisis had de woningmarkt doen instorten en oom Jacob meegesleept in de catastrofe. Hij was failliet gegaan. Door commensalen onderdak en verzorging te bieden in hun kapitale villa aan de Ministerlaan (vlakbij het Hilversumse stadhuis van Dudok) probeerden tante Sjoukje en oom Jacob wat inkomsten te genereren. Vaak logeerden er omroepcoryfeeën. Een handige meid die van aanpakken wist (en niet te veel kostte) was goed bruikbaar. En zo kon het gebeuren dat ma van de ene villa (Apeldoorn) verhuisde naar de andere (Hilversum). Wel weer een flinke stap dichter bij Amsterdam.
Ma zal rond 1936 in Hilversum zijn gearriveerd (zie afbeelding 11.). Hoe dat in zijn werk is gegaan weet ik niet. Waarschijnlijk met de trein en een koffer (waarin haar schoenen met hakken verstopt hebben gezeten, misschien wel de koffer die ze achter op de fiets had toen ze nog tussen Appelscha en Gorredijk pendelde). Maar ze zag er ook niet tegenop om op de fiets de afstand Appelscha – Hilversum te overbruggen. Zo heeft ze een paar jaar later op weg naar Appelscha urenlang over de Veluwe gedwaald nadat ze van het goede pad was afgeraakt. Diep in de nacht arriveerde ze in Appelscha (Hilversum – Appelscha 180 km) waar ze niet al te hartelijk door haar vader werd ontvangen.
Haar vader was moeilijk, zijn zus Sjoukje was ook niet de makkelijkste. Ik heb haar als jochie nog wel eens ontmoet, mijn vader ging er wel eens langs op de fiets. Zonder mijn moeder. Tante Sjoukje was toen al lang een nors ogende, eenzame oude vrouw waarvan me vooral de indrukwekkende ouderdomsvlekken en de geelkoperen paraplubak bij zijn gebleven. Ze woonde toen tamelijk geïsoleerd op de Kastanjelaan, aan de Kastanjevijver, in Hilversum.
Vier commensalen verzorgen en verder de zaak schoon houden, dat werd haar nieuwe opgave. Een van de bewoners was Arie van Nierop, een befaamde VARA-man die na de oorlog o.m. jarenlang het populaire radioprogramma “Het hangt aan de muur en het tikt” presenteerde. Ma vertelde ooit dat ze een keer met hem mee mocht naar de VARA-studio om een programmaopname bij te wonen. Wij hadden later veel succes met het volgende voorbeeld van slappe humor: “Het hangt aan de muur en het tikt en als het valt is het koekoeksklokje kapot. Wat is dat?”
Hoewel ook tante Sjoukje strenge instructies van opa Boonstra had gekregen om zijn dochter goed in de gaten te houden, werd ma steeds vaardiger in het ontvluchten van haar gevangenis. Waar ze in ieder geval ook kwam was in de Karseboom op de Groest waar de Hilversumse jeugd op zondagmiddag danste.
3.7 1938(?), Jan en Jannie
Mijn vader en moeder hebben elkaar, volgens mijn moeder, voor het eerst ontmoet op een Koninginnebal bij gelegenheid van de verjaardag van koningin Wilhelmina op 31 augustus. Mijn moeder wist nog dat het bij de Prins Bernardtunnel was. Vermoedelijk op zaterdag, omdat er volgens mijn moeder de volgende dag dansen was in de Karseboom. En dat was altijd op zondagmiddag. Dat zou dan in 1940 geweest moeten zijn. Maar in 1940 was er geen Koninginnedag (verbod Duitsers) en in 1939 ook niet (mobilisatie op 28 augustus). Meer waarschijnlijk is dan ook dat ze elkaar in 1938 hebben ontmoet. Toen was er wel een Koniginnedag op 31 augustus, sterker nog, er was een hele feestweek van 31 t/m 6 september omdat het 40-jarig ambtsjubileum van koningin Wilhelmina uitbundig werd gevierd. Er waren op allerlei plekken en op allerlei dagen feestballen. Oranjefeest in Hotel Jans met John Koch, galadiner in het Palace Hotel, Nationale film 40 jaar Wilhelmina met de dubbele première op 2 september in de bioscopen Casino en Rex.
Hoe het ook zij, ze kwamen elkaar de volgende dag ’s middags in de Karseboom weer tegen (Toeval? Afspraak?). En toen sprong er een knetterende vonk over. Mijn moeder wist nog dat ze al snel de Karseboom de Karseboom hadden gelaten en uren door Hilversum hebben gewandeld. Misschien heeft mijn vader haar wel meegevoerd naar de Huygensstraat om haar een indruk van zijn ouderlijk huis te geven.
In 1938 raakten de families Boonstra en Van de Schootbrugge dus waarschijnlijk verknoopt. Niet belangrijk maar misschien leuk om te weten: zo’n tachtig jaar eerder gebeurde iets vergelijkbaars. Op 7 november 1862 trouwde namelijk in Smilde (nabij Appelscha) ene Hendrik van Triest met Harmtje Boonstra (geboren in Smilde). Deze Hendrik was de zoon van Aart van Triest en Geertje Hendriks van de Schootbrugge. Harmtje was de dochter van Hendrik Boonstra en Geesje Veldkamp. Overigens waren noch deze Boonstra’s noch de Schootbrugges direct gelinkt aan de families die in 1938, of beter nog in 1944 (door het huwelijk van Jan en Jannie), met elkaar verbonden werden. Een curieuze speling van de historie, ook onwaarschijnlijke dingen kunnen gebeuren als je maar de tijd neemt.
3.8 1940, Bij de familie Schootbrugge
Jannie kwam dus rond 1938, intussen twintig jaar, op de proppen met Jan van de Schootbrugge, ook twintig. Jannie in betrekking bij haar tante Sjoukje, Jan in dienst. Nogal schokkend. Tante Sjoukje liet haar broer Albert, mijn opa dus, overkomen wat alleen in heel bijzondere situaties denkbaar was. Er was hoog overleg nodig over ma's nieuwe vriendje, waar ze helemaal kapot van was. Een katholieke jongen, ook dat nog. Opa Boonstra was het er niet mee eens, maar ma was zeker van haar zaak. En ze was nogal wilskrachtig als het er op aankwam. Wat later nam ze pa mee naar Appelscha voor een eerste kennismaking met haar familie. De aarzelingen waren aanzienlijk. Overigens zal ook oma Schootbrugge haar twijfels hebben gehad. Van twee geloven op een kussen was het wel bekend: daar sliep de duivel tussen. Maar of dat ook geldt voor een gelovige en ongelovige, dat was niet geheel duidelijk.
Onzelieveheer, ongetwijfeld na een dringend verzoek van oma Schootbrugge, hielp een handje om de zaak in Appelscha op te klaren. Opa Boonstra was intussen een pater tegengekomen die in zijn eentje Friesland probeerde te bekeren. En die pater had nogal wat indruk op hem gemaakt. Mogelijk had hij herkend dat hier een kleine mens, gesteund door zijn geloof, aan een bijna onmogelijke opdracht werkte. Dat moet hij herkend hebben in zijn eigen leven. Hoe hard ook, doorgaan. Doorgaan. Ook mijn moeder had dat grenzeloze doorzettingsvermogen. Nooit opgeven.
Hoe het ook zij, de scherpe kantjes van opa’s houding tegenover katholieken waren er wat af. Mijn vader was niet langer de verpersoonlijking van de vijand. En toen er wat later eens per jaar ook nog kleine schootbruggetjes meekwamen met Jan en Jantje, werden Albert Boonstra en Jan van de Schootbrugge goeie maatjes. Wat hielp was dat ook mijn vader een verwoed visser was. Hoewel, er was er natuurlijk maar één echt verwoed, dat was Albert Boonstra. Dat Albert in wezen ook een anarchist was (Appelscha was ooit een bekende verzamelplek van anarchisten zoals Domela Nieuwenhuis) moet voor mijn vader als gezagsgetrouwe politieman soms geschuurd hebben. Maar als het een beetje wilde bijten was opa uitermate te genieten en werd de rest van het bestaan van ondergeschikt belang. En het samenzijn duurde in mijn jeugd maar veertien dagen. Overigens nog best lang als het dagenlang regende.