Gerard van de Schootbrugge & Espunt

De paardenbloem als bloem en als pluizenbol. Verder wat uitgebloeide stadia, zoals links naast de bloem, waaruit de pluizenbol tevoorschijn zal komen.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik wel even heb geaarzeld of de paardenbloem zich wel leende voor een korte beschouwing. Zelf was ik nooit een echte fan van deze plant, eerder een rabiate vervloeker. En het lag voor de hand dat mijn achterban een vergelijkbare relatie met de paardenbloem had. Wie zat er echt te wachten op nieuws uit paardenbloemland? Maar toch… Want de paardenbloem wordt ook wel pissebloem genoemd en dat geeft op zijn minst te denken.
De paardenbloem ontmoet in mijn omgeving weinig genegenheid. Ik ben in ieder geval nog nooit iemand tegengekomen die het opnam voor de paardenbloem, die er een goed woordje voor deed, die probeerde begrip op te wekken voor deze florale outcast. Was het niet een beetje oneerlijk om uit het grote scala aan ongewenst groen nou juist de paardenbloem als grootste treiteraar te behandelen? Wat dacht u van zevenblad? Dat is waarachtig ook geen knuffelplantje. Toch? En zo zijn er nog wel een paar.
Als cultivator van enkele kleine groenperceeltjes was het voor mij in ieder geval wel duidelijk: die paardenbloem moest zonder pardon geëlimineerd worden. Oorlog! Een akelige indringer die mijn tuintjes en stoepjes onteerde. En die zich ook nog heftig verzette tegen verwijdering. Even aan het stengeltje trekken is er niet bij. Het stengeltje is een slap, hol geval en breekt direct. Heel sneaky. En in het verlengde van de stengel gaat een wortel loodrecht omlaag. Dat is andere koek. Die heb je er zo maar niet uit. En als je hem niet verwijdert, staat er binnen de kortste keren weer een paardenbloem. Om die penwortel weg te krijgen moet je al gauw een flink deel van je gazonnetje opofferen. Het wordt zo een Pyrrhusoverwinning. Uitroeien! Maar hoe?
Kortom, groot leed en veel ergernis. En zeker dit jaar is het booming business voor de paardenbloem. Graslanden en bermen, ze staan er vol mee. Er is nog maar nauwelijks plek voor de klaproos, waar ik wel zonder bijgedachten van kan genieten. Maar, ik kan niet langer omheen draaien, er is dit jaar toch iets gebeurd met mijn paardenbloem-aversie. Ik heb de paardenbloem geaccepteerd als bijzonder schepsel. Ik heb mentaal ruimte gemaakt voor de paardenbloem en heb me in hem/haar verdiept. Ineens kregen de velden vol paardenbloemgeel iets moois. Even was er niet de directe reactie van vernietiging. En mooier nog werd het kort daarna toen al dat geel vervangen was door het wit van de pluizenbollen. Er kwamen jeugdherinneringen boven waarin we vol overgave de pluizenbollen wegbliezen, niet beseffend dat we daarmee medeplichtig waren aan de snelle verspreiding van de plant.
Eenmaal zover gekomen begon ik me zelfs af te vragen waar die bollen zomaar vandaan kwamen. Sterker nog, ik heb dat uitgezocht. Als de bloemblaadjes zijn gevallen blijft er een groene, tulpvormige knop over. Het kon niet anders, daar moest die pluizenbol inzitten. Maar hoe? De knop bleek afgedekt te zijn met ook weer een soort blaadjes, of beter lamelletjes. Ik heb er een paar voorzichtig weggepulkt. En jawel, daar bleek een pakketje dicht op elkaar staande zaaddragertjes klaargestoomd te worden voor de volgende paardenbloemgeneratie. Als het moment daar is, wordt de bundel dragertjes naar buiten geperst en kan zich ontvouwen waarna de pluizenbol vol vertrouwen zal wachten op een rukwindje of een blaaskindje. Echt weer zo’n geniaal ontwerp van moeder natuur.

In de uitgebloeide knop zitten de zaaddragertjes samengeklonterd. Op een zeker moment opent de knop zich en vormt zich de pluizenbol.
Ik was om. En dus werd het tijd om toch nog even na te gaan wat er verder aan positiefs over de paardenbloem te melden viel. En dat viel zeker niet tegen.
Ecoloog Jonas Lembrechts (Universiteit Antwerpen en Universiteit Utrecht) wikt en weegt als hij over de paardenbloem vertelt. ‘Het is een onderschatte bloem die tegelijk een doorn in het oog is. Het is een mooie bloem, met zijn felgele kroezelkop, en ze bloeit al of nog op momenten dat er niet veel andere bloemen zijn. Voor veel insecten is de paardenbloem daarom van levensbelang. Het is zelf ook een meester-overlever. Hij groeit overal: tussen stoeptegels, op bouwterreinen, in bermen en op andere plaatsen waar de meeste planten afhaken. Die levenslust valt misschien niet op als hij in je gazon staat, maar ik ben de paardenbloem al tegengekomen hoog in de Andes en net boven de Zuidpool, waar verder niets groeit.’
Volgens Lembrechts is die overlevingskracht gelinkt aan onze afkeer voor de paardenbloem. ‘De plant groeit graag op verstoorde grond. Net op die plaatsen waar wij de natuur terugdringen of willen controleren, doet de paardenbloem het goed. Het is net zoals de stadsduif, de muis of de luis een cultuurvolger die blij is met de manier waarop wij de wereld inrichten. Omdat cultuurvolgers vooral voorkomen op lelijke plaatsen waar wij de natuur om zeep hebben geholpen, vinden we ze zelden sympathiek. Maar dat is niet hun schuld.
De paardenbloem blijkt een opvallende hoeveelheid stofjes te bevatten die volgens velen voor mens en dier, waaronder paarden, waardevol zijn. In de alternatieve hoek van de natuurgenezers loopt men dan ook weg met de paardenbloem.
Er zijn veelbelovende traditionele en wetenschappelijke aanwijzingen dat paardenbloemen gezondheidsvoordelen kunnen bieden, met name op het gebied van spijsvertering, leverondersteuning, bloedsuiker-regulatie en ontstekingsremmers. Het meeste wetenschappelijke bewijs is echter afkomstig uit dierproeven, en grootschalige klinische studies bij mensen zijn nog beperkt.
De klassieke wetenschap is dan ook terughoudend. Er bestaan nauwelijks studies die de waarde van de paardenbloem als paardenmiddel bevestigen. Hè, dat is nou jammer.
Maar je gaat zo'n plant niet voor niks pissebloem noemen. Blijkbaar heeft men ooit gevonden dat je van een bak goede paardenbloemthee enorm gaat wateren, wat in veel gevallen als positief wordt gezien.
Gerard van de Schootbrugge, 9 mei 2026
