Sprokkelwerk en Scharrelbaan

“In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren. Bijbel, Genesis 3:19.”


Voor een braaf katholiek jochie was de boodschap duidelijk. Er was ooit iets helemaal fout gegaan en sindsdien was overleven een kwestie van zweten.

Dat zweten begon voor mij op mijn vijftiende. Mijn eerste stappen op weg naar de zelfvoorzienendheid: als krantenjongen.

 

Hilversum

Ik heb in mijn leven heel wat zweetdruppels vergoten. Het zweten zat in mijn genen. Mijn vader kon er ook wat van. Er is een tijd geweest, ruim voor mijn tijd, dat hij op vrijersvoeten in het weekend de Karsenboom bezocht. Een etablissement op de Groest in Hilversum waar gedanst werd. Een mooie, jonge vent, maar  o zo onzeker op de dansvloer. Reden: binnen de kortste keren doorweekt. Dan kon je hem uitwringen. De meisjes tilden er niet te zwaar aan. Klein gebrek geen probleem.


Ik ben niet puissant rijk geworden maar misschien wel een beetje welgesteld. En dat is voor mij al meer dan ik ooit had kunnen dromen. De familie en het gezin waarin ik opgroeide behoorden beide tot de onderkant van de gehoorzame middenklasse. Mijn vader was agent van politie. Hij hield de boeven buiten en mijn moeder hield ons binnen in leven.


Opa Gerrit van vaderskant was meteropnemer bij het gemeentelijk gasbedrijf in Hilversum. Opa en oma moesten elk duppie twee keer omdraaien. Ik zie nog voor me hoe opa op vrijdagavond aan de met een dik kleed afgedekte eettafel de opbrengst van een week lang opnemen zat te tellen. Stapeltjes munten die in een stukje papier werden gewikkeld ter overdracht. Ik zie ook nog de onrust bij oma als de bedragen weer eens niet klopten, als opa te kort kwam. Een tekort dat hij zelf moest bijplussen. En er was al zo weinig. Oma in alle staten. Piekeren waar het tekort was ontstaan. En dan was de uitkomst meestal dat opa in de loop van de week de een of ander even wat had voorgeschoten (en dat was vergeten).


Opa en oma hadden een groot gezin. Als de kinderen eenmaal ergens een baantje hadden gevonden gingen ze kostgeld betalen. In die tijd stopte de leerplicht bij veertien jaar (een soort verlengde lagere school). Daarna gingen kinderen uit de lagere standen vrijwel zonder uitzondering op zoek naar werk. Voor eventuele verdere scholing konden de ambitieuzen dan nog naar de avondschool.

 

Appelscha

Aan mijn moeders kant was de vetpot misschien nog wel verder uit het zicht. Opa Albert was veeverloskundige annex castreur, twee ogenschijnlijk nogal tegenstrijdige vaardigheden. De boeren hadden grote waardering voor zijn optreden. Dat betrof uiteraard zijn vakkennis maar ook zijn ruimhartigheid. De boeren in zijn uitgestrekte werkgebied (omgeving Appelscha) waren klein en arm. Keuterboertjes. Een koe die bij het kalveren bezweek, was voor zo’n boerengezin een ramp. Opa bracht vaak redding, ook als de veearts het al had opgegeven.


De boeren hadden grote waardering voor zijn inzet en vaardigheid en voor zijn souplesse als het ging om betalen. Zij hadden namelijk bijna nooit geld in huis. Met een beetje geluk moest opa vaak wachten op de jaarlijkse veemarkt, mits er goed geboerd was. In de praktijk hield oma een stevig boek bij waarin alle schuldenaren stonden opgetekend. Opa heeft van al die schulden maar een klein deel ooit teruggezien.


Mijn moeder ging op haar veertiende aan de slag als jongste meisje in een hotel in Gorredijk. Een zevendaagse werkweek, ’s winters om 6 uur op om de kachel aan te maken. Om de twee weken was ze op zondagmiddag vrij en kon ze even naar huis (Appelscha) om bij te komen en bij te praten. Op de fiets en in de winter op de schaats.

 

200 gulden in de maand

Na deze korte schets van de geldzaken in mijn jeugd zal het niet verbazen dat ik, eenmaal uitgegroeid tot een ferme knaap, ook aan het zweten werd gezet. Ik kon goed meekomen op school, en ging op een zeker moment zelfs studeren (1963), maar mijn financiële reikwijdte bleef onverminderd krap. Voor wat extra’s, zoals de aanschaf van een lp of de huur van officiële kleding, was het bijzweten geblazen. Tijdens mijn studie moest ik het doen met een maandgeld van 200 gulden. Voor een kamerstudent aan de krappe kant. Het betrof een van rijkswege verstrekt renteloos voorschot dat dus ooit moest worden terugbetaald en waar ik in mijn jeugdige euforie overigens nooit een nacht van heb wakker gelegen. Komt tijd, komt raad.


Mijn vader hield dat allemaal nauwkeurig bij in een schriftje. Mijn moeder zorgde op haar eigen manier vaak voor een extraatje, meestal in de vorm van een taart: appeltaart, kokostaart, boterkoek. Die werd op zondagavond in mijn weekendtas gestopt. Ik heb haar nooit verteld dat die taart vaak op dezelfde avond al op was. Mijn vriendjes wisten meestal wel hoe laat ik weer op mijn kamer aankwam. Met moederkoek! Ik werd bij de voordeur dolenthousiast begroet. Echte vrienden. Terwijl ik mijn sleutel zocht hadden ze vaak de moederkoek in mijn tas al gevonden. Leuke kerels. Heel speels.

 

Als jouw wereld groter wordt

Ik loop wat vooruit. Terug naar de middelbare school, het RK Lyceum voor het Gooi, aan de Emmastraat in Hilversum. Daar begon mijn contact met een wereld die geheel nieuw voor mij was. Ik zat ineens tussen leeftijdgenoten uit een ander milieu, die geleerd hadden dat je met mes en vork moest eten en niet met een lepel. In de eerste klas zat ik naast een jongen die in een grote, oude villa woonde. Ik ging na schooltijd wel eens met hem mee naar zijn thuis. Het was altijd stil in de villa. Vader en moeder werkten allebei. Het was er ook groot en kil en nogal rommelig vergeleken bij ons thuis. Mijn moeder was de hele dag druk met opruimen en schoonmaken. Heel anders. Ik heb hem nooit voor een tegenbezoek uitgenodigd. In de tweede klas kreeg ik een plekje naast de zoon van een huisarts. En zo schuif je stapje voor stapje een nieuwe wereld binnen. Aanpassen, schakelen en goed opletten werd het parool.


Toen het eindexamen en de verhuizing naar Utrecht in zicht kwamen, adviseerde mijn leraar Nederlands, meneer De Ridder, mij dringend om spraakles te nemen. Mijn platte Hilversumse accent zou anders wel eens een behoorlijke handicap kunnen worden bij de acceptatie in het studentenmilieu (en daarna). Goed advies! Plat Hilversums is een geplette versie van plat Amsterdams. Ik hoor nog de aanwijzing van de logopedist: “Probeer van de -ij- maar een -ee- te maken.” Met wat oefenen kwam ik dan precies uit op een beschaafde -ij-. Het heeft me ongetwijfeld zeer geholpen te overleven en zelfs boven te komen drijven in het studentenmilieu en later in de grote-mensenwereld.

 

Krantenjongen

In mijn gymnasiumtijd kwamen de eerste bijbaantjes c.q. vakantiebaantjes. Zweten voor het goede doel. Ik begon mijn cv als krantenjongen. De Gooi en Eemlander bezorgen in het chique deel van Hilversum, omgeving ’s Gravenlandseweg. Als jochie uit een rijtjeswoning was het flink wennen. Er waren woningen die je vanaf de weg zelfs niet zag liggen. Verborgen, groot, waakhonden en volstrekt onvindbare brievenbussen. Ik werd betaald per krant, en niet per uur. De verhoudingen waren compleet zoek. Ik heb het niet lang volgehouden. Mijn enige motivatie was nog dat ik op een adres een (dienst?)meisje in de keuken had zien staan die onmiddellijk mijn hart op hol had gebracht. Een hemelse verschijning. Ze stond overigens niet iedere dag voor het keukenraam. Dat maakte het extra spannend. Verder was er geen enkele vorm van contact. Maar ik lag er wel wakker van. Ik was in die jaren heel snel hoteldebotel. Vermoeiend maar het houdt je wel op de been.

 

De Oude Amersfoortseweg

In de zomers van 1961 en 1962 werkte ik een aantal weken op de VSH (Verenigde Schroevenfabriek Hilversum). Het was mijn eerste serieuze vakantiewerk. Het bedrijf zat aan de Oude Amersfoortseweg, die ook om andere redenen in mijn geheugen gegrift staat. Niet ver van de fabriek stond de Aartsbisschoppelijke St. Ludgerus Kweekschool waar fraters werden opgeleid voor het katholieke onderwijs. Ik ben er een keer op retraite geweest. Een aantal fraters voetbalde bij de RK voetbalclub EMM (Eendracht Maakt Macht), schuin aan de overkant. Bij dezelfde vereniging had mijn vader lange tijd furore gemaakt als spits van het eerste elftal. In mijn jonge jaren ging ik om de week op zondag met mijn opa naar EMM. Drie kwartier lopen naar de Oude Amersfoortseweg. Opa deed alles lopend, ik heb hem zelfs nooit op een fiets gezien. Onze familie was nauw bij EMM, een echte arbeidersvereniging, betrokken.


Later bezocht ik, ook op zondagmiddag en ook op de Oude Amersfoortseweg, in het geniep met enige regelmaat het clandestiene optreden van onze favoriete lokale rockgroep de Torero’s, met klasgenoot Ruud Klein en de broertjes Hollestelle. Zij hadden wederrechtelijk de toegang tot een verlaten fabrieksgebouw geforceerd. Op een zekere dag stapten er twee politieagenten naar binnen met de simpele boodschap: wegwezen. De volgende dag kreeg ik een stevige reprimande van mijn vader. Collega’s hadden mij gespot bij een illegaal evenement.

 

Boutjes en Moertjes

Het eerste jaar in de fabriek werd ik achter een freesmachine gestald. Wat ik moest frezen weet ik niet meer, maar ik herinner me nog wel dat ik ’s avonds volkomen versplinterd thuiskwam. Het jaar daarop werd ik bij de afdeling Magazijn en Expeditie geparkeerd. Lange dagen in een voor mij ongewone sfeer. Bij de jongens van de Expeditie mocht ik meehelpen met het uittellen en verpakken van bouten en moeren. De vaste krachten waren daar verdomd handig in. Eenvoudige zielen, maar voor dit handwerk zeer geschikt. Vijftig in een doosje, tien keer een groepje van vijf afschuiven naar de geopende hand en vervolgens in het doosje laten glijden. De godganse dag.


De enige afleiding was één van de collega’s, die met enige regelmaat achter zijn staande collega’s langs liep om ze met een schielijke beweging, tussen de benen door stevig bij de ballen te grijpen. De gillen en vloeken zorgden voor het vermaak dat nodig was om de dag door te komen.


Ik herinner me ook nog dat ik tijdens de schaft met een paar ruwe gasten buiten tegen een muurtje mijn bammetjes naar binnen werkte, afgeblust met een halve liter melk die vanuit de fles naar binnen werd geklokt. Zo deed je dat als aankomend expeditietalent tussen de grote mannen.


De leiding van de VSH steunde FC Hilversum. Stopperspil Hans Akkerman had een kantoorfunctie en de gevreesde middenvoor Evert Pluim mocht met een busje afval wegbrengen. Ik mocht soms mee met Evert naar de vuilstort, een heerlijk uitje. Even lucht. Het viel me al snel op dat Evert nooit de kortste weg naar de stortplaats koos. En om nou te beweren dat hij vervolgens het gaspedaal fors indrukte om weer op tijd terug te zijn, dat niet echt.

 

Wat is de voorraad?

Op een zeker moment werd ik gepromoveerd tot directe assistent van het hoofd van de afdeling Magazijn en Expeditie. Ik moest het kaartsysteem gaan beheren waarmee de voorraden in het magazijn werden bijgehouden. Ik had een zeker aanzien verworven maar de druk was gigantisch. Op een zeker moment belde iemand vanuit de fabriek wat de voorraad staal…. was. “Een moment, dan zal ik het even nakijken in onze administratie.” Op het betreffende kaartje stond een flinke hoeveelheid. Dat gaf ik opgelucht door. Vervolgens ontplofte er aan de andere kant van de lijn iemand in de fabriek. Wat nou, voorraad! Het spul was op, er was niets meer!! Een hele productielijn dreigde stil te vallen. Ik schrok me dood. Dit was duidelijk chefsache.


En de chef was niet blij. Hij begon persoonlijk al mijn bijschrijvingen te controleren en ontdekte dat ik ergens een nulletje te veel had genoteerd. En 1000 kilo heb je er natuurlijk eerder doorheen gefreesd dan 10.000 kilo. Het koude zweet brak mij uit. Dit was te veel voor mijn tere ziel. Ik had nooit kunnen bedenken dat zo’n slordigheidje tot zoveel ophef kon leiden. Een nulletje, waar hadden ze het over. Het jaar daarop, mijn eindexamenjaar, had ik voor alle zekerheid een andere zomerbaas. Ik was geslaagd dus wie deed me wat? Wie me wat deed? De Beatles. Ik hoorde ze voor het eerst op een eindexamenfeest in de buurt waar ik ooit de krant had rondgebracht. From me to You. Een blikseminslag.

 

Het hokje van de chef

Ik was aangenomen bij de Hilversumse firma Koster, die onder de naam Joy niet zonder succes prikkellimonade in kogelflesjes op de markt bracht. Mijn werkplek was opnieuw een magazijn, dit keer op de Koninginneweg in Hilversum. Behalve prikkellimonade werd het magazijn ook benut voor de lokale distributie van Heinekenbier.


Op maandag kwam steevast een enorme vrachtwagen vol bier uit Amsterdam voorrijden. Dat bier, verpakt in kratten en vaten, moest gelost en gestapeld worden. Zwaar werk. Vooral de 50-liter-vaten en de kratten met zogenoemde dikbuikjes (24 in een krat) hakten er fysiek in. De kratten werden via een rollenbank vanaf de truc naar de stapelplaats vervoerd. Dat stapelen was een vak apart. De loodzware kratten moesten tot ruim boven je hoofd gestapeld worden. Met tillen hield je dat niet lang vol. Je moest slingeren (en op tijd loslaten). De krat viel dan in een hoek van eerder gestapelde kratten op zijn plek. Dat werkte goed maar niet perfect. Soms arriveerden er meer kratten dan wij konden handelen of was de zwaai net even te krap. Dan kletterde zo’n krat van de rollenbank of van de stapel en ontstond er een feestelijk toneel van gebroken dikbuikjes en opspuitend bier. Heerlijk Helder Heineken.


Dat was voor de chef van het magazijn het moment om zijn glazen hokje uit te stampen ten einde ons razend en tierend de les te lezen. Binnen vijf minuten werden we drie keer ontslagen en evenzovele keren weer aangenomen. Intussen werd de bierlucht snel ondragelijk wat de chef ertoe bracht om nasputterend zijn hokje weer op te zoeken.


Op vrijdag was ik opnieuw bijrijder. Ditmaal in een vrachtwagen van de firma Koster. Belangrijkste taak: de lokale horeca voorzien van bier. Veelal in een vijftig-liter-vat. Bij een klant aangekomen was het mijn taak om het loodzware vat in twee etappes aan te leveren. Etappe 1: naast de wagen (op de stoep) een stootkussen, bij het stootkussen mijn reusachtige maat; ik werd geacht het vat vanaf de laadvloer zijdelings op het kussen te mikken, waarna mijn maat het naar een geopend luik voor de gevel rolde. Etappe 2: mijn kolossale maat verdween met zijn stootkussen in de kroeg naar de kelder waar het vat dienst moest gaan doen; mijn taak was het om het vat op het goede moment door de luikopening te laten vallen op het stootkussen. Het luisterde allemaal nauw, goed teamwerk was essentieel. Er klonk wel eens een rauwe vloek vanuit de kelder, maar ernstige ongevallen kan ik me niet herinneren.


Als de klus geklaard was genoten we van een vers getapt, koel en welverdiend biertje. Vergeleken met het magazijnbestaan was dit zonder twijfel ‘het goeie leven’! Tussen de middag aten we ergens in een eetgelegenheid. Mijn maat raadde mij een uitsmijter aan. Zwaar werk, goed eten. Voor mij was het fenomeen uitsmijter nieuw. De uitsmijter uit 1963 is sindsdien een onuitwisbaar deel van mijn identiteit gaan uitmaken.


De vrijdagen bij de firma Koster waren voor mij de hoogtepunten in een tijdelijk zwaar bestaan. Op het eind van de vrijdagmiddag stonden we in de rij bij het hokje van de chef om ons (week)loon in ontvangst te nemen. Voor mij was dat een enveloppe met 25 gulden.

 

De Utrechtse Kluskakafonie

Eenmaal als student in Utrecht begon het klusleven pas echt. Ik gaf wat bijles in Hilversum en ik was in Amersfoort enige tijd deeltijdleraar wiskunde op een opleiding voor verpleegsters die ooit het verkeerde studiepakket hadden gekozen. Dat waren klussen die pasten bij mijn opleiding. Van alle andere klussen kon dat moeilijk worden volgehouden. Ze waren zeer gevarieerd en vaak weinig verheffend. De vacatures werden aangeboden op een prikbord bij de Studenten Arbeidsbemiddeling (tegenwoordig Studenten Uitzendbureau Utrecht). Vaak baantjes voor een dag, even wat extra geld, om welke goede reden dan ook. Je kon eigenlijk altijd wel terecht bij bedrijven als Johnson in Mijdrecht en Erdal (van de schoenpoets) in Amersfoort. Die werkten blijkbare met een flexibele bezetting van inhuurkrachten. Ik heb er verschillende keren gebruik van gemaakt.

 

Kek Droogschuim

Ik herinner me een nogal aparte klus bij Erdal. Er moest een voorraad bussen Kek Droogschuim (bedoeld voor het reinigen van tapijten en vloerbedekking) vernietigd worden. Productiefout. Om te voorkomen dat de bussen via de vuilstort in de losse handel terecht zouden komen, moesten ze gecontroleerd worden geledigd. Daartoe was op een stukje weiland een simpele opstelling geplaatst waarmee de bussen gespiesd konden worden zodat ze leeg spoten. Na een tijdje sloeg de verveling toe en begonnen we wat te experimenteren. We vonden een manier om de bussen te transformeren in raketten. De buren troffen in hun tuin bussen aan die teruggekeerd waren van een geslaagde lancering en begonnen te klagen bij de directie. Wij kregen een ernstige reprimande.

 

De pruik van sinterklaas

De baantjes waren gevarieerd. Zo konden ouders bij de arbeidsbemiddeling een sinterklaas bestellen. Een mij op het lijf geschreven rol. In sinterklaastijd kon je dan ’s ochtends om half tien 15 sinterklazen in grote haast het kantoor van de Studenten Arbeidsbemiddeling (in het universiteitsgebouw aan het Lepelenburg) zien uitstruikelen op weg naar de kloppende hartjes. Deze weldoeners waren voorzien van een vermomming die alleszins onvoldoende was. Zelf had ik vooral veel last van de pruik die met nietjes aan de mijter was bevestigd. In de loop van de dag begonnen die nietjes vanuit de knellende mijter je schedel binnen te dringen. De regelrecht kwelling vanuit de mijter voorkwam niet zelden het vrolijke optreden van een goedgemutste goedheiligman.


Mijn zwartepietchauffeur was een jaarclubvriendje die een autootje bezat, een Fiat 600. De pruik-mijterconstructie verhinderde dat ik in de auto de mijter kon afzetten. Stel je voor, arriverend bij een school, verwelkomd door honderden zwaaiende en zingende kinderen, kon de goedheiligman moeilijk uitstappen met ontbloot hoofd om ten aanschouwen van de gelovigen zijn pruik om te hangen. Ik moest me dus met mijter en al in dat Fiatje wringen. Dat kon met mijn lengte alleen als ik liggend op de achterbank mijn benen over de voorstoel drapeerde met mijn voeten in een dashboardkastje (staf door een geopend raampje). Uitstappen bleef lastig. En onderweg voor een stoplicht kregen kinderen in de auto naast die van de Sint soms de schrik van hun leven als ze naast zich de Sint ontwaarden die blijkbaar een hartaanval had gekregen en nu in grote spoed werd afgevoerd. Kortom, een klus vol opwindende gebeurtenissen.

 

Toneelmeester

Een klein, bijna schattig klusje, waar ik met genoegen aan terugdenk, betrof een groepsfoto van het personeel van Tivoli (het concertgebouw in het park Lepelenburg, later afgefikt). De foto was bedoeld voor promotiedoeleinden. Omdat niet ieder personeelslid iedere dag aanwezig was, en het kostbaar was om ze voor een foto te laten overwerken, werden er een aantal stand-ins ingehuurd. Samen met mijn goede vriend T. staan wij op de mooie groepsfoto, verkleed als twee ervaren toneelknechten in bijpassende werkkleding. Kassa.

 

Au!

Terug van een leerzame liftoperatie naar Istanbul en aan de rand van de financiële ondergang moesten T. en ik  weer wat bijplussen. Wij hadden in hetzelfde huis een kamer. Onze kamers werden gescheiden door een schuifdeur. Een houtbedrijf in Amersfoort ontving ons met open armen. Er moest met houten balken worden gesjouwd en dat lag ons wel. We hadden intussen allebei een motorfiets aangeschaft. T. bereed een Zündapp 200 Cc, ik verplaatste me op een NSU, ook 200 Cc. Op naar Amersfoort.


Op dag één ging het al mis. T. kreeg een zware balk op zijn voet en keek mij daar op aan. Hij ging direct de ziektewet in en ik kon vanaf dat moment alleen naar Amersfoort. Hij kon uitslapen en kreeg toch een beloning, ik moest er voor ploeteren. Bijkomend detail: tijdens onze reis naar Istanbul had ik in een opwelling een verpleegstertje toegestaan tijdelijk mijn kamer te bewonen. En zij was er nog steeds. Tussen het stapelen van de balken door zag ik voor me hoe T. zich gezellig liet intapen door mijn vriendinnetje. Terzijde. Ik ging zoals gewoonlijk met mijn vuile was naar huis. Mijn moeder verbaasde zich over het beddengoed. Die rode bies in het laken herkende ze niet. Ze drong niet aan. Het was de bies van het Academisch Ziekenhuis Utrecht...

 

Rebuslawine

Een ander opmerkelijke klus betrof ondersteuning bij het afhandelen van een rebusprijsvraag in een reclameblad. Toen we onze werkplek betraden lag daar zeker tot kniehoogte een hoop van duizenden inzendingen die wij op juistheid moesten selecteren. Heel leerzaam.

 

Advertentienood

Zeer teleurstellend was ons avontuur (T. en mijzelf) met een charlatan die bedrijfsadvertenties voor een bedrijvengids wierf. Het was hem gelukt om een flinke groep onnozele gelukzoekers te charteren. Op het eind van de middag kwamen we samen in een kroeg in Wijk C. We kregen allemaal een gebied toegewezen met een lijst potentiële gegadigden waarmee we de volgende dag de boer op moesten.


Ons jachtgebied werd Maarsen en Breukelen. We zouden op provisiebasis werken. Dus geen opdracht geen geld. De organisator had ons een slagzin meegegeven die volgens hem indrukwekkend genoeg was om de eerste horde van de receptioniste te passeren. Eenmaal binnen konden we dan onze slag slaan met een offer you can’t refuse. Ik zette T. af in Maarsen en reed zelf door naar Breukelen. We hadden elk een lijstje met bedrijven. Tussen de middag troffen we elkaar weer voor de lunch. Mijn inspanningen hadden niks opgeleverd. T. kwam me tegemoet met een grote grijns. Ja hoor, het zal toch niet waar zijn! Hij had beet gehad, dat was wel duidelijk. Ik baalde als de bekende stekker. Hij liet me even bungelen. Toen mijn lijden niet meer om aan te zien was, bekende hij dat hij ook op nul stond. Ik klaarde helemaal op, gedeelde smart, halve smart.


We besloten de rest van de dag samen op te trekken. Op het eind van de dag hadden we nog geen cent verdiend. Terug in ons kroegje werd al snel duidelijk dat niemand van de groep had gescoord. De stemming zat er goed in. Onze goeroe had voor mij de volgende dag Loosdrecht aangewezen. Gewoon doorzetten. Ervaring opbouwen. Het leek me geen veelbelovende optie. Ik besloot bij mijn ouders in Hilversum te overnachten. Dicht bij Loosdrecht. Het werd een woelige nacht. Na veel geworstel besloot ik lekker uit te slapen en het ellendeproject niet voort te zetten. Ik heb gewoon niets meer van me laten horen en dat was geheel wederzijds.

 

Freddy Quinn

Bijzonder was ook een klus bij drukkerij Van Broekhoven in de Utrechtse Breedstraat waar niet alleen alle telefoongidsen werden gedrukt maar ook het tijdschrift Muziek Expres. In de kersteditie van dit populaire maandblad werd als surprise een affiche meegestuurd met daarop de afbeelding van de in die jaren zestig zeer populaire Duitse schlagerzanger Freddy Quinn. Freddy was in 1956 de eerste vertegenwoordiger van West-Duitsland op het Eurovisiesongfestival met So geht das jede Nacht (een dubbelzinnige titel).  


Onze opdracht was eenvoudig: het dubbelgevouwen affiche insteken in het tijdschrift. Het probleem zat hem in het aantal. De oplage zat in die jaren tussen de 100.000 en 250.000.


Boeiende bijkomstigheid betrof de telefoongidsen die ook in zeer grote stapels voorradig waren. Bij aantreden kregen wij van een vaste medewerker een waarschuwing mee. In de ruimte van de gidsenopslag was het niet helemaal veilig. Er zouden van de gidsen complete bordelen worden gebouwd waarin de liefde werd bedreven. Knipoog. Blijkbaar was een deel van het vrouwelijk personeel nogal hitsig (gidsenkoorts?). Je kon als argeloze mannelijke passant zomaar naar binnen gesleurd worden. Wij waren gewaarschuwd. Lessons learned. Jammer genoeg is er aan ons niet gesleurd.

 

Aardbeidrama

Tot slot de firma Jonker Fris, een bekende Nederlandse conservenfabriek in Heusden aan de Maas. In de zomer van 1964 kreeg ik de kans om te laten zien wat ik waard was in de aardbeiencampagne. ’s Avonds om 19.00 uur met een hele groep studenten vanuit Utrecht in de bus naar Heusden, de volgende ochtend om 8.00 uur terug in Utrecht, naar huis en naar bed, in de middag wat boodschappen doen en een hapje eten en dan de bus weer in. Een stevig ritme.


Onze opdracht was de aardbeien sorteren die in grote hoeveelheden op lopende banden werden uitgestort. De mooie exemplaren waren bestemd voor het blik, de gekwetste en beschimmelde exemplaren, inclusief de aardbeien die van de band waren gevallen en waar de hele nacht doorheen was gebaggerd, gingen naar de jamafdeling.


De nachten duurden lang zodat het kon gebeuren dat wij zo nu en dan in gevecht raakten met de naburige lopende band. Zo’n gevecht was te vergelijken met een sneeuwballengevecht, maar dan met geprakte aardbei. Dat was uiteraard niet de bedoeling. En dus werden wij bestraft door de mannen in het wit, die buiten het seizoen zelf aan de lopende band stonden en op hoogtijdagen even tot chef werden gepromoveerd. We hadden allemaal een nummer. Bij een overtreding werd dat nummer op de witte manchet van de seizoenchef genoteerd met daarachter het aantal streepjes voor het aantal overtredingen. Overtreden betekende boete, aftrek van loon.


Wij hielden het alles bij elkaar een week vol, of beter gezegd toen werden we ontslagen. De meesten van ons hadden zoveel streepjes gescoord, de witte manchetten waren bijna egaal zwart, dat hun verdienste na een week op nul stond. We kregen te horen dat we niet meer terug hoefden te komen. Voor velen een grote opluchting. Reden: de aarbeigevechten maar vooral de werkonderbreking in de nacht van woensdag op donderdag. Die nacht was er een maansverduistering, een bloedmaan. Als studenten sterrenkunde verwachtte onze hoogleraar dat we verslag uitbrachten van dit bijzondere hemelfenomeen. De chefs probeerden ons tegen te houden. Maar we zetten door. Onze toekomst stond op het spel, hielden we de chefs voor. We studeerden toevallig allemaal sterrenkunde (ik was de enige, en dan ook nog als bijvak). De chefs waren ten einde raad. We zijn een uurtje buiten gebleven. Je reinste werkweigering. Op zaterdagochtend reden we moe en niet voldaan terug naar Utrecht.

 

Dan toch maar afstuderen

Al deze baantjes versterkten mijn overtuiging dat ik, vergeleken met veel leeftijdgenoten, misschien een tijdje op een houtje moest bijten maar dat het het offer meer dan waard was. Het vooruitzicht van een zombiebaan (David Graeber introduceerde onlangs de ‘bullshit job’), saai zo niet zinloos, zwaar, machteloos, zonder vooruitzichten, afstompend, afgekafferd, gekleineerd, slecht betaald, niet gezien door de meisjes, die hele zwartgallige potpourri versterkte mijn motivatie om mijn studie wis- en natuurkunde tot een goed einde te brengen zeer. En geloof me, het kwam me niet aanwaaien. Er waren periodes van twijfel en er waren handdoeken die je in de ring kon gooien. Al die baantjes, hoe onnozel ook, bleken een belangrijke sociale leerschool waar ik me in de loop van de tijd steeds meer bewust van werd. 

 

Gerard van de Schootbrugge, 23 mei 2026.