Gerard van de Schootbrugge & Espunt
Zaterdag 11 april 1998. Omslag van het Magazine van de Volkskrant waarin wordt teruggekeken op de jaren zevenrig. Bijschrift: Kunstenaars werden miljonairs van 25 jaar oud op de overspannen kunstmarkt van het vorige decennium. Armani-pakken, coke en post-moderne praatjes. "Het was een blije tijd."
Op de prent zien we de volgende illustere kunstenaars:
Boven: Gerald van de Kaap, Rob Scholte, Aldert Mantje.
Midden: Pieter Giele, Peter Klashorst, Joost Zwagerman
Onder: Hugo Kaagman, Sonja Oudendijk, Wim van Sinderen en Bart van de Ven.
Aha, jaja
Wie van jullie weet nog dat het magazine van de Volkskrant van zaterdag 11 april 1998 gewijd was aan “de jaren tachtig”? Ik trof het bij toeval aan in mijn papieren schatkamer, door intimi ook wel “de kamer van de hoop” genoemd. Mijn stapelplaats vol documenten waarvan ik ooit meende dat ze me nog eens van pas zouden kunnen komen. Niet eens zozeer als informatiebron maar meer als aanjager. Uiteindelijk valt een enkel document deze eer te beurt. Meestal bij toeval.
Ik heb het magazine met veel plezier en interesse, opnieuw, gelezen. Ik wil niet zeggen dat er een wereld voor me open ging maar er werd wel degelijk iets op een kier gezet. Ik voelde me geheugenmatig geprikkeld. Laat ik een paar voorbeelden noemen van de thema’s die werden opgerakeld. Ondernemers als helden van het decennium. Kruisraketten. Het succes van het feminisme wordt de man fataal. De val van de Muur. Tien jaar emancipatie heeft ons land ongelukkiger en lusteloos gemaakt. IVF. AIDS. Postmodern schilderen voor het grote geld. “Mijn kind zal het beter doen.” Hiphop.
Terugblikken is in de media een geliefde sport waar ik graag het mijne aan bijdraag. Misschien nog wel leuker is het zogenoemde meta-terugblikken, het terugblikken op het terugblikken. Ik doe het hier een beetje. Uit de losse pols.
Het grootste deel van mijn verzameling oud-nieuws wacht in lijdzaamheid op het afscheid van de grote schrijver. Zijn tijd van defileren, debuteren, debatteren en delibereren loopt op zijn end. Hij glijdt vrijwel ongemerkt en hopelijk ook onopgemerkt de kalende vlakte van het demonteren, degraderen, devalueren en dementeren binnen. Haha.
De -de- van decennium volgens Copilot
Om een beetje op gang te komen en een lijntje naar het heden uit te gooien vroeg ik me als bejaarde gymnasiast af: waarom eigenlijk decennium en niet decemmium? Google: omdat het een samenstelling is van de Latijnse woorden decem 'tien' en annus 'jaar'. Duidelijk. Maar kijk uit met de antwoorden van AI-gestuurde zoeksystemen. Zo biedt Microsoft, hulpvaardig als ze zijn, ons zijn Copilot Search ter ondersteuning. Ik wilde eens weten wat de Alwetende kon ophoesten over het voorvoegsel -de-.
Hieronder, als welgemeende waarschuwing, de volstrekt chaotische reactie van Copilot Search, die maar weer eens duidelijk maakt dat we met de introductie van AI op grote schaal te maken krijgen met een inzichtloze dommekracht. Een hellend vlak! De fuik van de verdomming. Wie had in de jaren tachtig kunnen bedenken dat we vier decennia later niets meer hoefden te weten en/of te onthouden. Of te werken! Zie hieronder de eerste stappen op weg naar het nieuwe Eutopia. De AI-steun van Microsoft:
Het voorvoegsel "de" is een bepaald lidwoord dat in het Nederlands wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden.
Wat is "de"?
In het Nederlands bestaan er twee bepaalde lidwoorden: de en het. Het lidwoord de wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden, terwijl het wordt gebruikt voor onzijdige woorden. Het juiste lidwoord bij een woord leren is vaak een kwestie van onthouden, omdat er weinig vaste regels zijn en er veel uitzonderingen bestaan.
Voorbeeld met "voorvoegsel"
Het woord voorvoegsel is een zelfstandig naamwoord en valt onder de onzijdige woorden. Daarom is het correcte lidwoord het, niet "de". Dus je zegt "het voorvoegsel" en niet "de voorvoegsel".
Functie van een voorvoegsel
Een voorvoegsel (prefix) is een woorddeel dat vóór een bestaand woord wordt geplaatst om een nieuw woord te vormen en de betekenis te veranderen. Bijvoorbeeld: het voorvoegsel on- bij "gelukkig" maakt "ongelukkig". Het lidwoord "de" heeft hier geen invloed op de betekenis van het voorvoegsel zelf; het bepaalt alleen de grammaticale vorm van het zelfstandig naamwoord waarmee het wordt gebruikt.
Samengevat
"De": gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden.
"Het": gebruikt voor onzijdige zelfstandige naamwoorden, zoals "voorvoegsel".
Commentaar overbodig lijkt me. Wat nou, lidwoord! Jullie mogen best weten dat ik op het punt heb gestaan om hier een heel ordinair mannelijk lid-woord onder te plaatsen.
Het voorvoegsel -de- komt uit het Latijn en heeft meestal dezelfde functie als ons voorvoegsel ont-. Maar in “decennium” komt het van het Latijnse telwoord decem voor 10. Ik maak me grote zorgen over de wijze waarop mijn kleinkinderen hun weg moeten gaan vinden in deze opgeblazen warboel.
De jaren tachtig en daaromtrent

1985, Utrecht, Springweg 53.
Reünie van de eerste studentengeneratie die in 1967 dit studentenhuis betrokken. V.l.n.r. Robbie van Mechelen, Dirk Manne, Gerard van de Schootbrugge, Thom van de Heuvel (+), Martin Pranger, Henri van Heugten (+) en zittend Pim van Riet (+).
Waarom aandacht voor de jaren tachtig? Misschien wel omdat ik intussen ook zelf tot de jaren tachtig behoor. Een tachtiger. Weliswaar nog vroeg in mijn decennium, maar waarom wachten tot het te laat is? Het geeft toch een historische band. Wie mag er in alle redelijkheid nog rekenen op vruchtbare jaren negentig? Ja, mijn ome Hendrik. Hij is de laatst levende broer van mijn vader, die zelf in 1970 overleed, 52 jaar oud. Zelfs nu bedenk ik nog wel eens wat hij allemaal heeft moeten missen. Maar dan steekt die verdomde ratio weer de kop op. Wat nou missen. Als overledene valt er niks meer te missen, toch? Wie mijn vader al bij leven het meest heeft gemist is zijn dochtertje dat in 1956 op negenjarige leeftijd overleed aan een hersentumor. Opmerkelijk toeval: ze zijn beiden overleden op 26 maart.
Ik zie nog voor me hoe mijn moeder iedere dag vanuit Hilversum naar Utrecht fietste waar mijn zusje in het Academisch Ziekenhuis behandeld werd. Het grote verdriet van mijn ouders moet vergelijkbaar zijn geweest met ons verdriet toen wij in 1995 onze dochter verloren. Zij was negentien.
Ome Hendrik heeft de jaren negentig bijna volbracht
Nee dan mijn ome Hendrik. Hij wordt dit jaar 99. Zijn eeuwfeest nadert. Zijn jaren negentig zitten er bijna op. Hij is niet zo lenig meer en wat eerder vermoeid. Maar het brein functioneert nog uitstekend. Er zit nog flink wat leven in die ouwe taaie. Er steekt bij hem helaas wel een naar probleem de kop op. Ergens begin jaren veertig, hij zat toen op de ambachtsschool, kreeg hij bij het metaalbewerken een metaalsplinter in zijn oog. Dat oog moest vervangen worden. Sindsdien gaat hij, nu al meer dan tachtig jaar, door het leven met een glazen oog. Maar de jaren beginnen te tellen en zijn “goeie” oog laat het steeds meer afweten. Dat zelfde glazen oog heeft hem nog wel een keer voor veel onheil behoed. Bij een razzia van de Duitse bezetter kreeg hij te horen dat hij, een jaar of vijftien, oud genoeg was om ingezet te worden bij de verdediging van het vaderland. Zijn vader en een oudere broer waren al eerder opgepakt om in Gelderland tankgrachten te graven. Oma heeft haar zoon toen gered door de Duitsers het glazen oog voor te houden dat ze uit zijn oogkas had gelicht. De bezetters drongen niet verder aan. Hendrik werd vrijgesteld. Soms heeft een nadeel ook een voordeel.
Stamboomzorgen
Binnen de familie wordt overwogen om het DNA van ome Hendrik te laten analyseren nu hij nog onder ons is. Zijn wangslijmvlies zou ons kunnen helpen om een groot hiaat in de schootbrugge-stamboom te dichten. Wij weten namelijk niet wie de biologische vader is geweest van mijn opa Gerrit van de Schootbrugge, de vader van ome Hendrik en ook van mijn vader. Opa Gerrit is niet als Schootbrugge geboren, hij is het geworden toen zijn alleenstaande moeder, Neeltje van der Weerd, op 27 juli 1897 in Kampen in het huwelijk trad met ene Jan van de Schootbrugge, van beroep sigarenmaker (in sigarenmetropool Kampen). Opa was op 25 december 1894 geboren. Hij was twee en een half toen hij door Jan van de Schootbrugge als zoon werd erkend.
Opa Gerrit ging op zijn veertiende in de voetsporen van zijn adoptievader aan de slag als sigarensorteerder en begon op die leeftijd gelijk aan een ononderbroken periode van sigaren paffen. DNA van zijn onbekende biologische vader is er uiteraard niet. Ome Hendrik zou nog een kwart van het DNA van zijn onbekende opa moeten bezitten. Matches met nakomelingen waarvan om een of andere reden het DNA wel bekend is, zouden een spoor kunnen opleveren. Ik heb er nog eens goed over nagedacht en de plussen en minnen tegen elkaar afgezet. Ik ben tot de conclusie gekomen dat we het beter niet kunnen doen. Reden: privacy. Er komen (mogelijk gevoelige) data van de familie beschikbaar. Nu zelfs de VS de moraliteit aan zijn laars lapt is er geen garantie meer dat die gegevens niet vroeg of laat ook gebruikt zullen worden voor ongewenste toepassingen. Daar staat dan de kleine kans tegenover dat we iets meer te weten komen over onze afstamming.
Eén ding is in ieder geval wel duidelijk: wij zijn niet meer dan een piepjonge bastaardtak van het oude geslacht Van de Schootbrugge. DNA-match of niet. Het zou onze familie sieren om als halfbakken schootbrugges een toontje lager te zingen. Mijn vader was zo’n halfbakken zanger. Zijn favoriete lied bewaarde hij steevast voor de dagelijkse afwas: het Panis Angelicus (het brood van de engelen), in 1261 in opdracht van paus Urbanus IV geschreven door Thomas van Aquino. Van sommige dingen is de afstamming wel bekend.
Spoetnik
Voor we verder onderduiken in de wondere wereld van de decennia is het goed om nog iets over de context van onze grabbelton te zeggen. Zo’n decennium, op zich is al iets gekunstelds en staat niet op zichzelf. Belangrijke ontwikkelingen laten zich immers niet in zo’n keurslijf persen, hooguit belangwekkende feiten. Die ontwikkelingen trekken zich bijna nooit iets of in ieder geval heel weinig aan van jaartallen. Maar het kan natuurlijk wel, zoals het volgende voorbeeld leert.
Op 4 oktober 1957 lanceerde de Sovjet-Unie als eerste een kunstmaan, de Spoetnik. Onze draadomroep liet duidelijk de piepjes horen als hij overvloog. 1 – 0 voor de Russen in hun wedloop met de VS. Het werd zelfs 2 – 0 toen op 12 april 1961 de Vostok 1 werd gelanceerd met aan boord Joeri Gagarin, de eerste mens in de ruimte. Er moest nu toch echts iets gebeuren vond men in de VS. Op 25 mei 1961 kondigde John F. Kennedy dan ook aan: "Dit land moet zich verplichten om de mens nog voor het einde van dit decennium op de maan te laten landen en hem weer veilig terug op aarde te brengen". Op 20 juli 1969 was het zover. Neil Armstrong zette als eerste mens zijn beroemde voetafdruk op de Maan. De VS had zich gerevancheerd. De wedloop ging door vooral gefinancierd vanuit militair-strategische bronnen, dat wel.
De jaren zestig
De veelvormige revolutie van de jaren zestig begon halverwege dat decennium en was in een aantal opzichten een reactie op de ontwikkelingen in de jaren dertig en veertig. Zo was de anti-autoritaire stroming een reactie op het militarisme in de eerste helft van de twintigste eeuw. De eerste jaren na de oorlog waren we nog te druk met de wederopbouw, nationaal zowel als internationaal, waarbij de vooroorlogse generatie leidend was. Eerst het huis weer op orde en leefbaar.
Daarna gingen in de jaren zestig hun kinderen de straat op om het nu eindelijk echt anders te gaan doen. “Niemals wieder” was immers nog steeds urgent. Zeker omdat zich al snel een nieuwe, gevaarlijke confrontatie had opgebouwd. Oost – West. Koude Oorlog. Kernwapens.
Een tijdje ging het goed
Hoe een eerlijke en veilige wereld te creëren? We zijn een heel eind gekomen, maar stabiel werd het nooit. De jeugdige babyboomers begonnen zich massaal in te zetten voor het ontwikkelen van een nieuwe wereldorde gebaseerd op verdragen en overleg en op het verankeren van democratische principes. Zo’n tachtig jaar lang heeft deze orde, met Amerikaanse garanties, goed gefunctioneerd. Helaas loopt de VS sinds kort voorop in het elimineren van deze orde. Watskebeurt? Hieronder de goed gekozen woorden van filosoof André Klukhuhn:
‘Is de massamens bereid zich te laten corrigeren? Het is in wezen bijzonder moeilijk om een beschaving te redden zodra zij in de ban van demagogen en volksmenners is gekomen. Volksmenners zijn altijd de grote wurgers van de beschaving geweest. Zowel de Griekse als de Romeinse beschavingen zijn aan deze weerzinwekkende fauna ten onder gegaan.’
Het heeft mij altijd verbaasd hoe snel sommige (sociale) veranderingen zich kunnen voltrekken. Ik noemde hiervoor al de acceptatie van de autoriteit, in de meest brede zin. Medio jaren zestig ging er een dikke streep door. We betraden met de borst vooruit het tijdperk van het eigen gelijk. Wat ooit werd gerespecteerd als deskundig, veranderde in “is ook maar een mening”. Heilig ontzag verdween uit beeld. Gevestigde instituties deden er goed aan een toontje lager te zingen. Wat nou minister, notaris, rechter, dominee, politieagent, leraar, chirurg, accountant, hoogleraar, vader, grootvader, generaal! Het werd amicaal op de grote hoop gegooid. Zeg maar jij of Joop.
Wij beoordelen ons zelf wel
Het ging snel en het werd soms hard gespeeld. Ik zie nog het volgende ontluisterende tafereel voor me. Om mijn onderwijsaantekening wis- en natuurkunde te halen moest ik ook het college Algemene Didactiek volgen. We schrijven eind jaren zestig. Studenten, vooral uit de gamma-hoek, waren bevangen door een nieuw wereldschokkend elan en werkten hard aan een nieuwe wereld. Gedemocratiseerd. Gedekoloniseerd. Gedemilitariseerd. Geëmancipeerd. Anti-autoritair.
Gelijk aan het begin van de collegereeks Algemene Didactiek stond een groepje grimmige alternatievelingen op om de docent op een zeer autoritaire toon uit te leggen dat hij beter kon vertrekken. Studenten waren heel goed in staat zelf te bepalen wat je waard was en hoe je je als aankomend docent moest gedragen. Weg met al dat getheoretiseer. Het werd natuurlijk al heel snel duidelijk dat deze nieuwe generatie gezagmijdende docenten voor een klas verlichte leerlingen volkomen kansloos waren. Maar het ging om het principe en om de komst van het nieuwe Babylon, met als ideale basis de commune. Wat een chaos! De angstige gezagdragers zochten hun heil in repressieve tolerantie, een uitvinding van Herbert Marcuse uit 1965.
De Flessengeest
Er is intussen godzijdank wel bijgestuurd, maar de verwarde geest hebben we nooit meer terug in de fles gekregen. Of moeten we concluderen dat er nieuwe autoriteiten voor in de plaats zijn gekomen: volksmenners, influencers en AI? Denk daar maar eens over na!
Na de storm van de jaren zestig, in een aantal opzichten een uitgestelde reactie op de Tweede Wereldoorlog, met de seksuele revolutie, de studentenopstanden, de dekolonisatie, de Tweede Feministische Golf, en nog zo wat opmerkelijke ontwikkelingen, werden de jaren zeventig de periode van Peace and Understanding, de afkeer van alles wat riekte naar commercie en ordinair geld verdienen, het verwerpen van alles wat zich militair noemde, Baghwans en bloemenmeisjes, vrije seks, communes en hippies met in 1970 als levend symbool de zeer succesvolle musical Hair. De Nato had in die tijd een budget om verkennend onderzoek te ondersteunen. In mijn tijd was het op de universiteit volstrekt fout als je daar ook maar een stuiver van aanpakte.
Vrouwen gaan de straat op
22 december 1979, De Haagse Post kijkt terug de jaren zeventig. De zestien hoodstukken kwamen uit de pen van John Jansen van Galen.
Zonder twijfel de belangrijkste ontwikkeling uit de jaren zestig en later was de komst van de anticonceptiepil. Organon introduceerde in 1962 haar Lyndiol die in 1964 beschikbaar kwam. De pil heeft de sociale structuren direct en indirect langs allerlei wegen ingrijpend beïnvloed. Daaronder de emancipatie van de vrouw. De voorhoede van de Tweede Feministische Revolutie zette de man-vrouw-verhoudingen op scherp. In 1970 verscheen Dolle Mina op straat. Op 22 december 1979 keek de Haagse Post terug op de jaren zeventig. Onder de titel “De vrouw als nieuwe mens” verkende HP het slagveld. Van de verschillende stromingen in het feminisme was/is het radicaal-feminisme ook echt wel het meest radicaal. Hieronder een paar passages uit HP-artikel, die zijn overgenomen van het radicale tijdschrift Feminist.
De man is volmaakt egocentries, in zichzelf opgesloten en niet in staat met anderen mee te voelen of zich met anderen te vereenzelvigen, niet in staat tot liefde, vriendschap, genegenheid of tederheid. (…) Hij is een halfdode, niet tot reaktie in staat zijnde vleesklomp, onbekwaam tot het schenken of genieten van genoegen of geluk. Dus is hij in het gunstigste geval stomvervelend, een onschadelijke nul. Aangezien hij een onvolmaakte vrouw is, probeert de man zijn gehele leven zich te vervolmaken, en een vrouw te worden. Vrouwen bezitten geen penisnijd, mannen bezitten kutnijd. (…) Alle mannen worden in hun raketten naar de maan gezonden en in de koffers stoppen vrouwen wat ze verder allemaal kwijt willen: make-up, televisies met afstandbediening, het burgerlijk wetboek, vibrerende haarborstels, korsetten met stijve baleinen, de bijbel en de koran. (…) We geloven niet meer in feministen, die hun heteroseksualiteit niet principieel willen opgeven. (…) Dan krijgen we een betere wereld, met betere mensen. Mannen zijn nooit mensen geweest en zullen dat ook nooit worden. We willen niets met ze te maken hebben, misschien alleen nog om kinderen te verwekken. Maar als we zoontjes krijgen dan gooien we ze terug.
Flinkdoenerij? Humor? Lekker jennen? Het zou kunnen, maar ik vrees dat het echt de taal van de rancune was (en nog steeds is). Ik denk dat wij mannen blij mogen zijn dat we deze haatgolf voorlopig hebben overleefd. Hoewel? De internetmedia lopen over van vrouwen die in een toestand van totale razernij hun mannenhaat uitbraken. We zijn er nog niet. Of zijn we er bijna? Of zijn we er bij? Het wordt in ieder geval steeds duidelijker dat veel feministen niet langer streven naar gelijkheid maar dromen van dominantie. En ja, als je zo in de wedstrijd staat, moet je niet gek opkijken dat je tegenkrachten opwekt. Hier botst, zoals op meer terreinen, de culturele revolutie op de biologische evolutie. De laatste gaat over overleven en heeft het laatste woord. Maar dat overleven is zeker niet voor iedere soort een garantie.
In het Leidse universiteitsblad Quod Novum van 5 november 1986 verscheen onder de titel “De wraak op de jaren zestig” een artikel gebaseerd op een voordracht van prof.dr. Jacques van Doorn, de goeroe van de sociale faculteit in Rotterdam. In de jaren zeventig ontstond er een golf van sociale hervormingsdrang. Het tijdperk Den Uyl c.s.. De maakbare samenleving. De sociologen kregen het voor het zeggen. Zij gingen bouwen aan sociale vernieuwing. De overheid en de univesiteiten stroomden vol met bevlogen wereldverbeteraars. In de jaren tachtig bleek het een utopie. De sociale studierichtingen liepen leeg. Prof. Van Doorn kijkt terug. Hieronder een passage uit zijn boeiende betoog.
“Een andere backlash van de jaren zestig en zeventig treft vooral de sociale faculteiten en de neerlandici. Die periode werd immers gekenmerkt door een overspannen mobilisatie van studenten en wetenschappers. Voor de studentenrevolte van de jaren zestig was immers geen echte aanleiding. Het begon als een grapje, zo’n beetje uit verveling. Maar het grapje heeft wel wat lang geduurd. Utopie, verzet, verbeelding protest kwamen in het middelpunt van de belangstelling te staan. Dat heeft een aantal wetenschappen een slechte naam bezorgd. Burgers die aan hun belastingcenten dachten, hebben zich toen vertwijfeld afgevraagd, komt daar nu nooit een eind aan? En dat gebeurt dan nu. We moeten er nu voor boeten.”
Eind jaren zeventig werden we wakker uit een zelfbedacht paradijselijk sprookje vol heel veel kakelende koninkjes die geen kleding bleken te dragen. De aardgasbomen groeiden niet langer tot in de hemel. We werden met een schok gewekt uit dromenland. In de jaren tachtig werd het in veel opzichten een kwestie van terug naar het gezonde verstand. Noodgedwongen, want we lagen op ons gat. Het aantal werkelozen tikte het miljoen aan! En intussen nam Japan een groot deel van de Europese industrie, waar we zo trots op waren, over. Er moest weer echt gewerkt worden aan concrete projecten en producten. We hadden het weer geleerd: voor niks gaat alleen de zon op. En om het nog pijnlijker te maken werd duidelijk dat we flink op de zak van toekomstige generaties hadden geteerd. We kwamen in een pandemonium van crises terecht. Lubbers kwam met de strijdkreet: No Nonsense. Het mes in het sociale systeem. Het werd onbetaalbaar. Pensioenleeftijd omhoog. Aan het werk.
De lang verdoemde ondernemer werd nu de held die ons uit het moeras moest trekken. En aan de universiteit, voor de babyboomgeneratie bijna onvoorstelbaar, begonnen jonge, verlichte hoogleraren betaalde opdrachten uit te voeren, ja zelfs bedrijfjes op te starten. En in de sociale slipstream zag ik tot mijn grote verbazing dat de klassieke studentenverenigingen, in de jaren zeventig op sterven na dood, weer uit de smeulende herrezen, studentikozer als nooit tevoren. Nu wel met geëmancipeerde meiden in een nieuwe rol. Les: de historie komt met golven en dat geldt tot op de dag van vandaag.
Mijn tijdlijn
Mijn tijdlijn begint in 1945. Ik groeide op in Hilversum in een standaardgezin. Lagere middenklasse. Vader politieagent, moeder voor het gezin. RK. Fijne jeugd. Een keer per week in de teil en twee keer per jaar met een mond vol gaatjes naar de tandarts. Eind jaren vijftig begon het vooroorlogse bestel te kantelen. Er kwam zoiets als een jeugdcultuur overwaaien uit de VS. Rock ’n Roll. Toen ik in 1963 in Utrecht ging studeren was deze storm nog maar net doorgedrongen tot de academische wereld. Ik behoorde tot de voorhoede van een grote emancipatiegolf. De universiteit kwam binnen bereik van de lagere middenklassen. Het studentenbestaan werd allengs minder elitair.
Een paar jaar later raakte de jeugd, letterlijk en figuurlijk, van God los. De universiteit werd overspoeld door studenten die met een renteloos voorschot in leven wisten te blijven. De nieuw aangeboorde aardgasschat schiep de benodigde monetaire ruimte. Provo’s, krakers en Dolle Mina’s zetten de toon en de zaak op scherp. De economie boomde. Er viel wat uit te delen en daar maakte in die tijd vooral de linker vleugel van het politieke spectrum goede sier mee. De universiteiten en de overheid liepen vol met sociaal bewogen vernieuwers, die geloofden in de maakbaarheid van de samenleving en grepen daarmee terug op de idealen van de Franse Revolutie. Waardering voor het ondernemerschap was ver te zoeken. Onze bevrijders waren in Vietnam van hun voetstuk gevallen. Overal kwamen studenten in opstand.
De jaren zeventig waren verwarrend. De bomen leken tot in de hemel te groeien, maar aan het eind van het decennium stortte het kaartenhuis in. Het aardgas had ons lui en verwend gemaakt. Nederland was ziek. De “Dutch Disease”. We hadden geloofd in een free lunch en leerden op hardhandige wijze dat die niet bestaat. De economie begon te sukkelen en er doken grote problemen op. Energiecrises, milieuvervuiling, een economische oorlog met Japan (die we niet hebben gewonnen), snel toenemende werkeloosheid. Depressie! Intussen had God ons zelfs in Jorwerd bijna geruisloos aan ons lot overgelaten.
Grote personele veranderingen
De jaren zeventig hadden ook voor mij een ingrijpend verloop. Mijn studententijd was voorbij, er kwamen nieuwe verantwoordelijkheden, het leven werd serieus. Er moesten stappen gezet worden. Er moest op afzienbare termijn een gezin in leven gehouden worden. Trouwen in 1970, afstuderen in 1971, promotieonderzoek tot 1977 (jammer genoeg zonder promotie), kinderen in 1973 en 1975, in 1977 aan het werk als centrale wetenschapsvoorlichter op het hoofdkantoor van TNO in Den Haag. En na een jaar heen-en weer pendelen tussen De Bilt, waar we in 1974 waren neergestreken, en Den Haag, in 1978 de verhuizen naar Nootdorp, waar in 1981 onze tweeling werd geboren.
Toen ik in 1977, na zes jaar schieten met edelgasionen op kristallijne metaaldoelwitten, in alle onschuld TNO als wetenschapsvoorlichter binnenstapte, ging er een nieuwe wereld voor me open. TNO bleek een gezaghebbende, breed georiënteerde en interessante onderzoeksorganisatie met veel goodwill en respect in de samenleving. Mijn taak werd het om als medewerker van de centrale stafafdeling In- en Externe Communicatie het veelzijdige werk van de organisatie voor een breed publiek tot leven te wekken.
Het duurde even voordat ik door had dat het eigenlijk helemaal niet zo goed ging met TNO. Sterker nog, TNO zat zwaar in de problemen. Zwaar weer! In de loop van de jaren zeventig kwam er van alle kanten kritiek. Het TNO waar we allemaal zo trots op waren, was volgens belangrijke stakeholders (overheid, bedrijfsleven) onvoldoende in staat om Nederland door een periode van ingrijpende verandering heen te helpen. Hoe nieuwe technologische grootmachten uit Azië te weerstaan? Kampioen in Nederland was niet langer genoeg. Voor het wereldtoneel was TNO te log, te weinig wendbaar.
Innovatiekracht werd de strijdkreet
Eigenlijk rommelde het al vanaf het begin van de jaren zeventig. Er waren zelfs al plannen geopperd om TNO maar op te heffen en de verschillende instituten bij de passende departementen onder te brengen. Een heel slecht idee en zover is het uiteindelijk gelukkig ook niet gekomen. Maar het moest wel radicaal anders. De wereld van TNO was echt veranderd. De organisatie ging na jaren van overleg, duwen en trekken in 1981 drastisch op de schop.
Toen TNO in 1982 zijn 50-jarig jubileum vierde, was er nauwelijks enige aanleiding om er een groot feest van te maken. Minister-president Dries van Acht hield in het Haagse Congrescentrum een toespraak die insloeg als een bom. Zijn boodschap: "TNO reken niet langer op onbeperkte steun van de overheid. Als je wil overleven en nog wil groeien zul je je eigen broek op moeten houden. Je zult het zelf in de markt moeten verdienen. Reken niet op extra overheidssteun. Wij hebben zelf de grootste moeite om het land draaiend te houden."
De jaren tachtig werden voor TNO een zware beproeving. De trotse organisatie die in 1957 (25-jarig bestaan) nog de hemel in werd geprezen, worstelde om zich te bewijzen tegenover de overheid, het bedrijfsleven en allerlei maatschappelijke instellingen. Voorlichting en communicatie werden extreem belangrijk. Ik maakte overuren.
Naast veel schrijven en optredens kreeg ik na enige tijd binnen TNO ook enige bekendheid als “onze man van de moeilijke gevallen”. Moeilijke gevallen betrof mensen die bij TNO aanklopten voor hulp of assistentie. Vaak met een psychisch probleem. Hoewel ik als eenvoudige fysicus geen enkele directe ervaring had met de psychiatrie, bleek ik een zekere mate van talent te hebben om deze mensen in ieder geval op een menswaardige wijze te woord te staan en enigszins gerust te stellen wat overigens soms niet kon verhinderen dat enige tijd later opnieuw aanklopten. Voor velen had TNO het imago van de "last resort". Dat gold overigens ook voor andere hulpverleners die niet zelden contact met TNO adviseerden.
Het werd alles bij elkaar een bonte stoet. Vaak mensen die geplaagd werden door waandenkbeelden. Angsten, stemmen, hallucinaties, etc. Een andere categorie waren burgers die technisch-wetenschappelijke problemen aankaartten in de hoop dat TNO kon helpen. Of met ideeën kwamen met het verzoek om ze verder te ontwikkelen dan wel er een waarderend oordeel over te geven. Zo heb ik talrijke ontwerpen voor een perpetuüm mobile langs zien komen en vol begrip geretourneerd. Of TNO het ontwerp kon realiseren en testen. Vaak ook ging het om reacties op berichten in de media over activiteiten van TNO. De telefoon stond roodgloeiend als een persbericht was verschenen waarin aandacht werd gevraagd voor een voedingsprobleem of een milieuvraagstuk. Vragen om verheldering maar ook suggesties voor verbetering. En laten we de aardstralen niet vergeten. Ze bleven rondzingen en onduidelijke klachten niet zozeer oplosten maar eerder genereerden. Al in de jaren vijftig was TNO betrokken geraakt bij het thema nadat bekend was geworden dat aardstralenkastjes in de tuin van Soestdijk waren gesignaleerd. Naar verluid op advies van Greet Hofmans. Prins Bernard maakte er in 1956 een zwaar punt van. Greet weg of ik weg.
Een bezoek in Kijkduin
Soms waren de verhalen die op mijn bord terecht kwamen zo bizar dat ik aanbood om ter plekke te komen kijken. Enige nieuwsgierigheid kan ik niet ontkennen. Mijn baas liet het oogluikend toe. Zo werd ik op een keer gebeld door een oude man die me vertelde dat een buurman met straling de gezondheid van zijn gezin ondermijnde en terloops ook de tv stoorde. Het was een opmerkelijk verhaal. Alle voor de hand liggende instanties waren er al bij betrokken geweest. Zonder resultaat. TNO was zijn laatste hoop. Ik bood aan om ter plekke te zien wat er gaande was. Of ik dan ’s avonds wilde komen zodat de boze buurman niet zou zien dat er bezoek was. Zo gezegd zo gedaan. Op naar Kijkduin. De deur werd op een kier geopend door een oude man die snel zijn hoofd buiten de deur stak om te zien of de kust veilig was en mij vervolgens schielijk naar binnen loodste. Eenmaal in het halletje fluisterde de oude man mij toe dat hij zelf niets merkte van de instraling, maar zijn vrouw en volwassen dochter des te meer. Ik kreeg de indruk dat hij deze boodschap verborgen wilde houden. Eenmaal binnen betrad ik een woonruimte waarvan de wanden geheel beplakt waren met aluminiumfolie. Het gaf de inrichting een nogal steriele uitstraling. De man toonde mij een vermogen aan stralingsmeters, verspreid over de benedenverdieping en aangeschaft op advies van hun zoon, een fysicus!, die in Australië werkte. Je moet wat.
De oude vrouw zat samen met haar dochter op een bank voor de tv. Ze gedroegen zich zeer onrustig. De oude vrouw droeg een omvangrijke baret die ze op verzoek van haar echtgenoot even afzette om te laten zien dat hij propvol proppen aluminiumfolie zat. Advies van zoonlief. De bank stond met de rugleuning tegen de muur waarachter de buurman, volgens de oude man, zijn satanische zendapparatuur had staan. Achter de rugleuning was daarom een dikke plaat aluminium aangebracht. Terwijl de oude vrouw en haar dochter hun verhaal deden, alles en iedereen was al langs geweest, was aan het tv-beeld niets te merken. Verklaring: de buurman wist dat er bezoek was en had zijn zender uitgezet. Zo ging het steeds. Hij wist ook wanneer een instantie zou langs komen om poolshoogte te nemen. Nooit iets gevonden! Hij was op de hoogte. Op een zeker moment sprong de dochter ineens op, liep naar de hoek van de kamer en sprak in de hoek: je bent weer bezig, hè, we hebben je wel door. De oude man keek mij veelbetekenend aan en knikte: ik merk zelf niks maar mijn dochter is hooggevoelig.
Het was duidelijk dat ik hier niks kon bereiken. Ik gaf aan dat de metalen voor een goede afscherming zorgden. Om nog wat indruk te maken vertelde ik iets over de Kooi van Faraday. Ik had intussen wel geleerd dat je niet mee moet gaan in zo’n waanwereld, in het jargon ook wel een folie-a-deux genoemd. Ik had te doen met hun ongegronde angsten en vertrok onverrichter zake. Ik had ook te doen met de buurman.
We zijn intussen flink wat decennia verder. Het aantal mensen dat in de war is, is alleen maar toegenomen. Er gaat iets niet helemaal goed met ons. Opa Gerrit was niet zo zwaar op de hand. Viel in een gesprek het woord leuk, dan was zijn vaste reactie: twee korte armpjes en overal jeuk.
Gerard van de Schootbrugge, 14 juli 2026